Meerdere stemmen – Reactie brief Dalilla

Meerdere stemmen – Reactie brief Dalilla

donderdag 18 december 2014 14:04

Na het lezen
van de brief, geschreven door Dalilla,
voelde ik een diepgewortelde opwelling opkomen. Het besef dat 26 jaar van onderdrukte gevoelens zich, eindelijk, een weg weten
te vinden. Nu blijft de vraag, wat doe je hiermee?

Als geadopteerde zoon (met Rwandese origine) van een oer-Vlaams koppel, opgegroeid in de schijnbaar stille Voor-Kempen, start mijn
verhaal, zoals zovelen, bij de eerste contacten op de lagere school.

In de
kleuterschool is er geen besef, niet van mij en niet van diegene rondom mij. Een
peuter is schattig en onschuldig. Peuters onder elkaar vinden elkaar in spel en
plezier. Vanaf de lagere school komt daar verandering in. Net zoals de merkbare
verschillen in de sociale klassen, kan je vanaf het eerste leerjaar de eerste
(kleine) grillen van discriminatie voelen. Kinderen zijn hard maar relatief
eerlijk tegen elkaar. Wat ze denken, komt eruit. Het sluimerende ongelijkheidsgevoel zit hem
eerder in de benadering van enkele leerkrachten, oudere broers/ zussen en
ouders van medeleerlingen. Niemand spreekt het uit, tenzij een minder begaafd
individu die zijn emoties niet onder controle weet te houden, maar aan alles is
merkbaar dat mensen jou door een andere bril beginnen te bekijken. Tot voor dat
moment had ik niet eens door dat ik anders was. Ik keek in de spiegel en ik zag
voordien een jongetje. Tijdens het eerste leerjaar zag ik voor het eerste een
donker jongetje. Erg confronterend.

Op zich kan
je het de mensen in die fase moeilijk aanschrijven. Mensen zijn bang voor wat ze
niet kennen. Hoeden zich voor wat voor hen een vraagteken lijkt. Ikzelf was in
die periode ook geen gemakkelijk kind. Thuis was het vormen van een eigen
mening een non-issue en op school kwam dat compensatiegedrag naar boven. Als je
niet-uitnodigingen voor verjaardagsfeestjes moet analyseren kom ik op de eerste
plaats bij de vraag, komt het door mijn gedrag? Waarschijnlijk wel. Hebben de
discriminerende gevoelens van ouders ermee te maken? Ik meen te zeggen van niet
want ik dat recht heb ik niet.

Het lager middelbaar
was een openbaring op schoolgebied. Deze school evalueerde mij omwille van de
persoon die ik was. In niemands gezicht las ik wat ik daarvoor al te vaak kon
herkennen. Deze periode van sport, studie en de eerste stappen richting
ontspanning buiten de ouders om, gaven mij het idee dat wat ik in de lagere
school meende te voelen, misplaatst kon zijn.

Wat volgde in het hoger middelbaar (de actieve puberfase) tartte elke
verbeelding. Dit is de periode waar ik een ingebakken schuchterheid aan heb
overgehouden. Het vermogen mij niet volledig te geven. Mijn stem maar
sporadisch te laten klinken als ik zeker wist dat de woorden niet misbegrepen
zouden worden.

Het schoolgaan in dat hoger middelbaar was geenszins een onaangename ervaring. De
opvoedkundige staf gaf ons de ruimte om te zijn wie we wilde zijn. Opgroeien in
een overwegend ‘witte school’ maakt dat je natuurlijk harder opvalt maar het
leerkrachtenkorps gaven mij een goed gevoel. Het gevoel van niet meer of minder
te zijn dan de rest. Het was jammer genoeg de leerlingen/generatiegenoten in mijn directe en niet directe omgeving die
ineens veranderd leken. Ik kwam in een landschap terecht waar harde
discriminerende woorden konden gezegd worden over kleurlingen waar ik bij
stond. (de zegswijze ‘maar
jij ben een goeie’ staat nog steeds in mijn geheugen gegrift) Deze mensen
dachten, als ze mij op voorhand uit de discussie onttrokken, dat het oké was om
al de rest te generaliseren. Daarnaast kwam het uitgaan als een vitaal deel van
mijn vrijetijdsbesteding naar boven. Daar heb ik geen fijne herinneringen aan
over gehouden. Je onnodig moeten excuseren voor een pint van een ander die per
ongeluk tegen iemands kledij terechtkwam, groepen jongeren die, slechts na het
ontmijnen van diverse andere mensen, net niet mijn gezicht wisten te bewerken. Het ontwijken van diverse plekken omdat je op
voorhad wist dat het een slecht idee was. Het naroepen/uitschelden/ vuil
bekijken. Het moeten gaan lopen voor gasten die op een avond hadden beslist dat
ik zou moeten bloeden. Het negeren aan
de toog als ik wenste te bestellen. Ik zou nog even kunnen doorgaan maar dat is
het punt niet. Dit zijn voorbeelden om het grotere geheel te kaderen.

Ik heb het
geluk dat ik in een goede vriendenkring zat die begrip hadden voor mijn ‘beperkingen’
in het uitgaansleven. Ding is, zelfs zij lieten zich vaak betrappen op het
generaliseren en stigmatiseren van kleurlingen en zullen buiten mijzelf/ mijn
broer en de adoptieve broer van een gemeenschappelijke vriend, geen goed woord
over hebben voor de gekleurde medemens. Heb ik hen daarover aangesproken? Soms.
Heb ik mij dat beklaagd? Jammer genoeg wel bij momenten.

Ik was blij
om op mijn achttien de Kempen te ontvluchten, het dorpsgevoel was niets voor
mij en had daar niets te zoeken. Ik had schrik van de stad. Ik had geleerd
schrik te hebben van de stad. Dit was het algemeen heersende gevoel in het
dorp. Maar vanaf dag één voelde ik mij als een vis in het water. Tot op de dag
van vandaag leef ik gelukkig in de stad. De stad heeft mij veel levensvreugde
gegeven. De enkele keren dat ik daar nog in aanraking kwam met racisme of
discriminatie hadden te maken met het
uitgaansmilieu. Buitenwippers zijn je niet genegen en dronken jongeren kunnen erg
creatief met woorden zijn. Als je deze plekken niet opzoekt, heb je er geen
last van.

Wat vroeger op het bijten van de tong leek, werd in de loop der jaren een
karaktertrek. Nu, in het bedrijfsleven, merk ik bij directe collega’s een groeiend
buikgevoel tegen al wat donker van huidskleur is. De meningen zijn erg uitgesproken en ik
knik bijna minzaam mee. Angst voor ongemakkelijke momenten. Ik heb (bijna) ieder
van hen erg graag. Maar er is wel nog steeds de angst om met hen te delen hoe
ik er over denk en voel. mijn mening lijkt niet gepast te zijn en brengt mij,
qua collegialiteit, niets op. Ik zou graag op een rationele manier met mijn
collega’s over zulke zaken wensen te spreken maar ik heb er de durf niet voor. Noem
het egoïstisch (wat het waarschijnlijk zal zijn) maar ik voel voorlopig geen alternatief.
Dat zit me op dit moment nog het meeste dwars.

Moesten meer
mensen met vergelijkbare situaties het lef hebben om zich uit te spreken, dan
zou daar wss een groeiend besef bij (een grote groep) autochtone Vlamingen
ontstaan dat niet alles zomaar te generaliseren valt. De moed om de eerste stem
te zijn is daarom van vitaal belang. De eerste stem krijgt kritiek, meerdere
stemmen krijgen gehoor.

Het hoe en
waarom mensen denken wat ze denken kan ik niet direct beïnvloeden. Sensibiliseren begint bij ieder van ons zelf. Maar
een verhaal bij een gezicht plaatsen of een stem bij een opinie kan nooit geen
kwaad. het geeft het probleem, waarschijnlijk, een meer menselijk gelaat.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!