Schieten in je eigen voet. Kenia’s aanpak van de ‘war on terror’

Schieten in je eigen voet. Kenia’s aanpak van de ‘war on terror’

Dit artikel belicht een aantal aspecten van de conflicten waarin de Kenianen momenteel zijn verwikkeld en de gevolgen ervan voor de relaties tussen de Keniaanse overheid en de moslimbevolking.

dinsdag 18 november 2014 15:23



Schieten in je eigen voet. Kenia’s aanpak van de ‘war on terror’

Toen Kenia vorig
jaar in september in het nieuws kwam met de spectaculaire aanslag van Al
Shabaab op het prestigieuze Westgate winkelcentrum in Nairobi, reageerden velen
met verbazing. “Kenia is toch een stabiel land?”, vroeg een Belgische
journalist me. Die vraag verbaasde me. Ik legde uit dat het land in oktober
2011 het zuiden van Somalië was binnengevallen om Al Shabaab te bevechten en
dat Al Shabaab sindsdien herhaaldelijk aanslagen gepleegd had in Kenia. Ik
vertelde ook dat de Keniaanse president en vice-president terecht staan voor
het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag vanwege hun vermeende betrokkenheid
bij geweld na de verkiezingen van 2007, waarbij meer dan 1.300 mensen omkwamen
en 650.000 Kenianen op de vlucht sloegen. En dat er tijdens de verkiezingen van
2013 ook enkele honderden doden vielen bij politiek geïnspireerd ‘etnisch’
geweld, ondanks de internationale opluchting over de “vreedzame verkiezingen”. 

Kenia’s moeizame relatie met de moslims van
de Kust 

Op 16 december
1963 werd Kenia een onafhankelijke staat, een samenvoeging van Brits
Oost-Afrika en de 10 mijl brede kuststrook die formeel onder het gezag stond
van de sultan van Zanzibar maar sinds 1895 door de Britten werd bestuurd. Aan
deze Kust liggen onder meer Mombasa (de belangrijkste havenstad in de regio) en
kleinere steden als Kilifi, Malindi en Lamu. De Kust met zijn Swahilicultuur en
witte zandstranden is ook de belangrijkste Keniaanse toeristische attractie en
een belangrijke bron van inkomsten voor het land.

In het
onafhankelijke Kenia raakten de inwoners van de Kust politiek (en daardoor ook
economisch) gemarginaliseerd. Het politieke zwaartepunt lag duidelijk in het
Keniaanse binnenland, vooral bij de etnische Kikuyu-gemeenschap van president
Jomo Kenyatta (die Kenia leidde vanaf de onafhankelijkheid tot aan zijn dood in
1978). De Kikuyu bekleedden de belangrijkste politieke en administratieve
functies en bouwden van daaruit ook een sterke economische positie uit.
Landbezit was daarbij een belangrijke factor, en veel land aan de Kust kwam zo
in handen van politici van ‘upcountry’ (de term voor Kenianen uit het
binnenland). De Swahili’s aan de Kust (een eeuwenoude culturele
Arabisch-Indische-islamitische interactie met de lokale kustgemeenschappen)
raakten zo niet enkel de controle over hun eigen bestaansmiddelen kwijt, maar
werden ook politiek en bestuurlijk onderworpen aan upcountry. Daarbovenop kwam
nog een grote instroom van groepen upcountry-landlozen, vaak zelf ook
slachtoffers van de landhonger van de nieuwe politieke elite. Deze landlozen
werden strategisch aan de Kust ingeplant of werden zelf aangetrokken door de
hoop om rond de haven en het toerisme een nieuw en beter leven op te bouwen. De
instroom van landlozen uit het Keniaanse binnenland zorgde ervoor dat de
islamitische Swahili-bevolking aan de Kust uiteindelijk een minderheid werd.
Deze politieke, economische en culturele marginalisatie en achterstelling
zorgde voor de ontwikkeling/versterking van een eigen Kust-identiteit.
“Pwani si Kenya” – de Kust is niet Kenia – werd een slagzin waarmee
de Kust zich afzet tegen upcountry. Onder invloed van dit groeiend zelfbewustzijn
ontstond een aantal jaar geleden de ‘Mombasa Republican Council’ (MRC), een
verboden beweging die ijvert voor de onafhankelijkheid van de Kust. Hoewel de
naam verwijst naar de stad Mombasa is de MRC een beweging die vooral sterk
staat in de rurale gebieden van de Kust. Daarbij is het ook interessant om op
te merken dat voor de MRC ‘moslim-zijn’ geen deel uitmaakt van een
islamistische agenda. Vandaar dat in de naam van de beweging ook geen
religieuze verwijzingen zijn terug te vinden.

Toch probeerde de
Keniaanse overheid recent nog om de MRC te delegitimeren door de beweging af te
schilderen als een onderdeel van Al Shabaab. De pogingen van de Keniaanse
overheid om de MRC te bestrijden, zijn echter weinig succesvol en de beweging
kan in bepaalde gebieden, zoals Kwale, vrij openlijk opereren en leden werven.
Op enkele incidenten na is de beweging ook geweldloos. Bij acties van de MRC
tegen stembureaus (de MRC vindt dat Keniaanse verkiezingen aan de Kust
illegitiem zijn) kwam het in het verleden al eens tot schermutselingen tussen
jongeren en ordediensten, en in oktober 2012 vielen er enkele doden bij de
arrestatie van Omar Hamisi Mwamnuadz, de leider van de beweging.

Kenia’s moeizame relatie met Somaliërs 

Een andere
gemarginaliseerde groep Keniaanse moslims zijn de Somaliërs. Door de koloniale
grenzen die in 1885 werden getrokken door de Westerse grootmachten op de
Congo-conferentie in Berlijn, kwam een deel van de Somaliërs opeens in de
Britse Oost-Afrikaanse kolonie te wonen, in het gebied dat de huidige oostelijke
districten van Kenia (Mandera, Wajir, Garissa tot aan Isiolo) omvat. Volgens de
laatste demografische telling in het land zouden etnische Somali’s nu een goede
6% van de Keniaanse bevolking uitmaken. De Somalische clans in Kenia hebben
nauwe linken met de clans aan de overkant van de Somalische grens, in de
Juba-regio.

Bij de
onafhankelijkheid was de Keniaanse regering (de mensen van ‘upcountry’) wel
geïnteresseerd in het voormalige Brits Oost-Afrikaanse grondgebied van de
Somaliërs maar eigenlijk niet zo in de mensen die er woonden, vooral uit angst
voor een eventuele Groot-Somalische afscheidingsbeweging. Na de Keniaanse
onafhankelijkheid braken er dan ook onlusten uit in het gebied, met
schermutselingen tussen Keniaanse troepen en opstandelingen van de ‘Northern
Frontier District Liberation Movement’. Zij zochten aansluiting bij de
Somalische Republiek (die in 1960 zijn onafhankelijkheid verworven had). In
deze Shifta Oorlogen (de Kenianen noemden de opstandelingen bandieten, ‘shifta’
in Somali), werd de Somalische bevolking massaal in speciale
“beschermingsdorpen” (anderen noemen het concentratiekampen) gedreven
om zo de Somalische guerrilla de kop in te drukken (een tactiek die was
afgekeken van de Britse repressie van de Keniaanse Mau Mau opstand uit de jaren
1950). Veel etnische Somali’s werden gedood of kwamen om van ontbering. Ook na
het ondertekenen van een vredesakkoord met Somalië in 1967 (dat een einde
maakte aan de Shifta Oorlogen) zijn Keniaanse Somaliërs nog het slachtoffer
geweest van diverse moordpartijen en plunderingen door het Keniaanse leger. Zo
was er bijvoorbeeld de ‘Garissa Massacre’in 1980, waarbij onder het voorwendsel van het uitdrijven van een lokale
gangster een hele wijk in brand gestoken werd. De inwoners werden bijeengedreven
in een school waar ze drie dagen opgesloten werden zonder water en voedsel. De
hele episode kostte volgens getuigen het leven aan 300 tot 3000 Somali’s. In
1984 was er de ‘Wagalla Massacre’ in Wajir. Keniaanse troepen waren naar de
noordoostelijke Wajir-regio afgezakt zogenaamd om clan-gerelateerde conflicten
over graasland te helpen ontmijnen. Het Keniaanse leger pakte honderden
Somalische mannen op, die vijf dagen zonder water en voedsel werden
vastgehouden op een vliegveldje. Officieel kwamen er daarbij 57 mensen om,
vooral door ontbering. Getuigen van de acties van de ordediensten in de
Wajir-regio hebben het over enkele honderden tot 5000 slachtoffers, her en der
neergeschoten door het leger en de politie. Dorpen werden door het leger
aangevallen, huizen platgebrand en vrouwen en meisjes verkracht. Deze
gebeurtenissen werden gedocumenteerd door de Keniaanse onderzoekscommissie die
tussen 2010 en 2013 diverse misdaden en mensenrechtenschendingen onderzocht die
voor en na de onafhankelijkheid werden begaan. Tot op vandaag heeft de
Keniaanse overheid niets ondernomen om de verantwoordelijken, die in het
rapport worden genoemd, te vervolgen.  

Operatie Linda Nchi 

Sinds het begin
van de Somalische burgeroorlog en de val van het regime van de Somalische
dictator Siad Barre in 1991 (die omvergeworpen werd door verschillende op
clan-gebaseerde gewapende oppositiegroepen), is Somalië het strijdtoneel van
rivaliserende krijgsheren die met wisselend succes verschillende stukken
grondgebied pogen te controleren. Al Shabaab -sinds 2012 onder de vlag van Al
Qaeda- is een van de vele spelers in die oorlog en slaagde er in om geleidelijk
aan steeds meer territorium in het centrum en het zuiden van Somalië te
bemachtigen, inclusief het grootste deel van de hoofdstad Mogadishu en de
strategische zuidelijke havenstad Kismayo. Dat Al Shabaab in de loop van de
zomer van 2011 daarbij ook het grensgebied met Kenia kon innemen, maakte de
regering in Nairobi bijzonder ongerust. Er werd gevreesd dat de oorlog zou
kunnen overslaan op de Somalische bevolking aan de Keniaanse kant. De lange
grens met Somalië is moeilijk te controleren en door de grootschalige corruptie
van de douane en de politie kunnen wapens en andere smokkelwaar makkelijk de
grens over. Deze situatie, gecombineerd met een groeiend aantal
geradicaliseerde Keniaanse jongeren die wel iets zagen in de jihad van Al
Shabaab in Somalië, zorgde voor een toenemende zenuwachtigheid in Nairobi. 

De ontvoeringen
in Kenia van een aantal toeristen uit hun vakantieoord in Lamu in september
2011 en van twee hulpverleners van Artsen zonder Grenzen uit het
vluchtelingenkamp van Dadaab, waren voor de Keniaanse regering de
spreekwoordelijke druppels – hoewel deze ontvoeringen waarschijnlijk eerder het
werk waren van criminele benden dan van Al Shabaab. Op 16 oktober 2011 staken
de troepen van de ‘Kenya Defence Forces’ de grens met Somalië over om onder de
codenaam ‘Linda Nchi’ (Kiswahili voor ‘Bescherm het land’) de strijd aan te
binden met Al Shabaab. Tot ieders verbazing, want er was geen sprake van enige
coördinatie met de internationale troepenmacht van de Afrikaanse Unie (AMISOM)
of de Ethiopische troepen die al in Somalië actief waren in de strijd tegen Al
Shabaab. Ook de Somalische regering leek niet op de hoogte, en liet duidelijk
blijken dat ze niet opgezet was met wat ze “een invasie” noemde. In Kenia zelf
was het toen ook nog niet erg duidelijk welk doel Linda Nchi precies voor ogen
had. De verschillende Keniaanse woordvoerders hadden het over het beveiligen
van de grens, over het instellen van een bufferzone, en zelfs over het verslaan
van Al Shabaab. Het duurde daarna verscheidene weken voordat de Somalische
regering zich bij de Keniaanse actie neerlegde en pas in februari 2012 werden
de Kenya Defence Forces formeel opgenomen in de AMISOM-troepenmacht.

Intussen verliep
de militaire opmars moeizaam. De start van operatie Linda Nchi viel samen met
het begin van het regenseizoen en de modder speelde de onervaren Kenyan Defence
Forces parten. Het duurde tot eind mei 2012 voor de Zuid-Somalische stad
Afmadow -op 218 km afstand van de Keniaanse grens en het eerste Al
Shabaab-bolwerk die naam waardig- was ingenomen. Intussen was ook de bestemming
van de Keniaanse strijdkrachten bekend: Kismayo. Deze Zuid-Somalische havenstad
vormde een draaischijf voor de smokkel van houtskool naar de Golfstaten, een
belangrijke bron van inkomsten voor Al Shabaab. Ahmed Mohamed Islam (bijgenaamd
Madobe), een lokale krijgsheer die eerst zijn strepen had verdiend als
bondgenoot van Al Shabaab maar nadien voor eigen rekening was begonnen, had
grootse plannen met Kismayo. Met zijn troepen van de Ras Kamboni Brigade had
hij zich geallieerd met de Kenyan Defence Forces en samen trokken ze op
richting de havenstad. Nadat de coalitie van Ras Kamboni Brigades en Keniaanse
troepen begin oktober 2012 de stad innam, riep Madobe zich in Kismayo uit tot
president van de autonome staat Jubaland, waar de Somalische regering niets te
vertellen heeft. Hoewel Kenia nu in principe over een strategische buffer tegen
Al Shabaab leek te beschikken, bleek al gauw dat het in de praktijk helemaal
niet zo werkte. De Kenyan Defence Forces worden in Jubaland gezien als niet
meer dan een militie van de Somalische Darood-clan, een van de vele pionnen in
de burgeroorlog van Somalië. Zorgwekkend is dat de Keniaanse soldaten zich daar
ook naar gedragen. De VN Monitoring Group die de toestand in Somalië in de
gaten houdt, stelde onder meer vast dat Keniaanse strijdkrachten de illegale
houtskoolexport in Kismayo hebben overgenomen en daarvoor zelfs met Al Shabaab
samenwerken. De vraag is dan ook wie binnen de Kenyan Defence Forces of de Keniaanse
overheid daar vet aan verdient.

Al Shabaab brengt de strijd naar Kenia 

De ironie is dat
na Linda Nchi de binnenlandse onveiligheid in Kenia sterk is toegenomen.
Voordien had Kenia betrekkelijk weinig last van Al Shabaab. Er bestond een
soort van modus vivendi, waarbij Kenia en Al Shabaab elkaar met rust lieten.
Kenia was een soort vrijhaven voor allerlei Somalische krijgsheren, zakenmannen
en politici, die ergens in een winkelcentrum in Nairobi gezellig met elkaar
koffie gingen drinken, en ook Al Shabaab werd betrekkelijk weinig in de weg
gelegd. Dat veranderde in oktober 2011, na de lancering van Operatie Linda
Nchi. Al Shabaab beschouwde Kenia nu als een legitiem doelwit voor aanslagen en
haalde de banden aan met Keniaanse radicale groepen, zoals het ‘Muslim Youth
Center’ (nu Al-Hijra), dat voor Al Shabaab rekruteerde in Mombasa en Nairobi,
en opriep om de jihad te voeren tegen de Keniaanse invallers. In de maanden na
de militaire inval in Somalië volgde een hele reeks gewelddadige incidenten in
Kenia, van overvallen op politiebureaus in de grensdistricten tot
granaataanvallen op bushaltes in Nairobi. Deze aanslagen vonden plaats in de
periferie -de Somalische regio in het land en de volksbuurten van de hoofdstad-
maar met de aanslag op het prestigieuze Westgate winkelcentrum op 21 september
2013 haalde Al Shabaab ook uit naar de Keniaanse elite en de expat-gemeenschap.
Vier aanvallers vielen op die drukke zaterdagmiddag het winkelcentrum binnen en
schoten koelbloedig meer dan 60 mensen dood. De reactie van de Keniaanse
ordediensten was chaotisch en pas na 4 dagen was de crisis voorbij. (Toen bleek
trouwens dat het Keniaanse leger ondertussen ook uitgebreid de tijd had genomen
om het winkelcentrum grondig te plunderen). President Uhuru Kenyatta zwoer
vergelding voor de aanslag en beloofde een onderzoek – dat er nooit kwam. Een
parlementscommissie vond dat niemand verantwoordelijk was voor de aanpak van de
Westgate-crisis of het negeren van eerdere waarschuwingen voor een aanslag,
maar stelde wel voor om de Somalische vluchtelingen het land uit te werken. De
opperbevelhebber van het Keniaanse leger kreeg een uitzonderlijke verlenging
van zijn mandaat.

De inherente
zwakheid van de overheid maakte van Kenia een makkelijke prooi voor Al Shabaab.
Intern is het land zwaar verdeeld door het etnisch-geïnspireerde machtsspel van
de elite dat gericht is op de exploitatie van de middelen van de staat voor
privé-doeleinden en op de politieke uitsluiting van het overgrote deel van de
bevolking. Het is een systeem waarin het onmogelijk is om een aantal
historische onrechtvaardigheden recht te zetten en een gevoel van nationale
samenhorigheid te creëren. Door de enorme corruptie, de slepende ziekte van
Kenia, is de overheid bovendien de controle kwijt over de publieke veiligheid.
Corruptie maakt het onder andere mogelijk om onder een valse naam echte
identiteitsdocumenten te verkrijgen of om ongezien de grens over te komen met
wapens. Immigratiediensten, politie en leger nemen actief deel aan dit systeem
en de politieke klasse kan of wil hierin niet ingrijpen. Al Shabaab maakt daar
handig gebruik van om zich tegen Kenia te keren.

Geen harten en geesten 

Na Westgate verslechterde
de veiligheidssituatie in Kenia nog meer en in het voorjaar van 2014 besloten
diverse landen om negatieve reisadviezen uit te vaardigen. Het Keniaanse
kusttoerisme, de derde belangrijkste economische sector, kreeg zware klappen.
De regering besloot daarop om alsnog hard op te treden tegen Al Shabaab en haar
sympathisanten in Kenia. Na een mislukte bomaanslag op de internationale
luchthaven in februari 2014, een schietpartij in een kerk bij Mombasa in maart
en diverse aanslagen in Nairobi, lanceerde de Keniaanse regering een
anti-terreurcampagne die specifiek gericht was tegen de Somalische bevolking in
het land. Volgens de overheid liggen illegale Somalische vluchtelingen immers
mee aan de basis van de onveiligheid. Tijdens Operatie ‘Usalama Watch’
(‘Vredeswake’) werden er gedurende een tiental dagen razzia’s gehouden in
Eastleigh en andere wijken in Nairobi waar veel Somaliërs wonen. Een enorme
politiemacht zette overdag straten af om mensen te controleren en ‘s nachts
werden stelselmatig,  blok per blok,
huizen binnengevallen. Duizenden Somaliërs werden gearresteerd omdat ze niet
over de nodige papieren beschikten – of omdat ze het smeergeld niet wilden
betalen dat de politie hen afperste (“levende geldautomaten” werden
ze door politieagenten genoemd). Vierduizend mensen werden dagenlang in
erbarmelijke omstandigheden opgesloten in kooien in een voetbalstadion in de
woonwijk Kasarani in het Oosten van Nairobi (de Twitter-hashtag
#kasaraniconcentrationcamp was een veelbetekenende verwijzing naar de vervolging
van de Somaliërs in de jaren 1960). Veel leverde Operatie Usalama Watch niet
op: er werden wat wapens en explosieven gevonden, en enkele duizenden illegale
vluchtelingen werden teruggestuurd naar het vluchtelingenkamp van Dadaab nabij
de Somalische grens.

In de Kust-regio
werd er ook hard opgetreden. Een aantal moskeeën waar radicale predikers
rekruteerden voor de jihad in Somalië, werden bestormd en ontruimd. Tientallen
arrestaties werden verricht, maar uiteindelijk kon de meeste arrestanten niets
ten laste worden gelegd. Er werd een ‘shoot to kill’-bevel uitgevaardigd,
waarbij de politie eventuele verdachten meteen zou mogen neerschieten. Een
aantal radicale predikers en hun sympathisanten werden door onbekenden op een
professionele manier geëxecuteerd op straat. Dat deze aanpak van de overheid
weinig ‘hearts and minds’ heeft opgeleverd bij de getroffen gemeenschappen,
behoeft niet veel uitleg. De officiële organisatie van Keniaanse imams en
predikers nam afstand van het politiegeweld. Keniaanse mensenrechtenorganisaties
beschuldigden de regering van het uitvoeren van buitengerechtelijke
executies en van het criminaliseren van de moslimbevolking in het algemeen en
de Somalische vluchtelingen in het bijzonder. Op een bepaald moment weerklonk
er zelfs protest op de meerderheidsbanken van het Keniaans parlement bij
volksvertegenwoordigers met een islamitische achtergrond. 

De harde aanpak
veranderde weinig aan de veiligheidssituatie. In juni en juli 2014 voerde Al
Shabaab een reeks aanvallen uit in het Lamu District aan de Kust, in een gebied
dat in de jaren 1960 door Jomo Kenyatta werd gekoloniseerd met landloze Kikuyu
uit het binnenland. Met de aanvallen op deze Kikuyu-nederzettingen, waarbij
meer dan 90 mannen werden vermoord, speelde Al Shabaab in op de heersende
lokale sentimenten van onrecht die ontstonden in de context van een gevoelige
landproblematiek. Ook hier reageerde de Keniaanse regering bijzonder onhandig
op. Eerst werd er ontkend dat Al Shabaab er iets mee te maken had en werd de
schuld in de schoenen geschoven van de Keniaanse politieke oppositie die het op
de Kikuyu gemunt zou hebben. Toen er herhaaldelijke aanvallen volgden -ondanks
de grote aanwezigheid van politie en leger in het gebied- moest de regering
schoorvoetend toegeven dat de aanvallers toch uit Somalië afkomstig waren. Nog
steeds vinden er geregeld gewelddadige incidenten plaats, en ook in Nairobi
blijft de alarmfase hoog. 

Conclusie 

Hoewel de
islamistische groep Al Shabaab momenteel terrein aan het verliezen is in
Somalië zelf, kan het blijven opereren in de grensgebieden van Somalië en Kenia
en in de Keniaanse hoofdstad Nairobi. Met de botte bijl te werk gaan en de
volledige moslimgemeenschap en Somalische bevolking als dusdanig
criminaliseren, helpt de Keniaanse overheid niet om het nodige draagvlak te
creëren voor de strijd tegen radicalisering en terreur, en om preventief – op
basis van goede inlichtingen – eerder dan repressief op te kunnen treden tegen
de dreiging van Al Shabaab. Zolang er ten gronde niets aan de Keniaanse ziekte
wordt gedaan -de corruptie, de plundering van de middelen van de staat en de
etnische verdeel-en-heerspolitiek- zal Al-Shabaab de mogelijkheden van het
systeem blijven benutten om de oorlog op Keniaans grondgebied verder te zetten.
Het ziet er niet naar uit dat er snel genezing op komst is. (Victor Vasiliev)

Dit artikel is ook verschenen in het tijdschrift Vrede nov – dec 2014.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!