Opinie -

Terug naar school: de toekomst komt eraan

De eerste dag van een nieuw schooljaar. Sommigen kijken ernaar uit, anderen net niet, maar niemand ontkomt eraan. Doorgaans raakt onderwijs in de schijnwerpers wanneer er weinig heuglijks te melden valt: dalende prestaties, hoofddoekendebatten, spijbelaars en schoolverlaters zonder diploma, lege boterhammendozen, discussies over toegangsexamens en inschrijvingsgeld. Maar wat mogen we eigenlijk verwachten van ons onderwijs? Waar dient het voor?

maandag 1 september 2014 11:14

In
tijden van verandering zullen de lerenden de aarde erven; terwijl de
geleerden zichzelf prachtig uitgerust vinden om met een wereld om te
gaan die niet meer bestaat” (Eric Hoffer)

Op
het eerste zicht lijkt het alsof ons onderwijssysteem doorheen de
geschiedenis voortdurend is veranderd en bijgestuurd. Onze
samenleving ziet er
totaal anders uit dan die van een eeuw geleden. Ze is divers, in al
haar aspecten, en hoogtechnologisch. In die context opgroeien vraagt
andere vaardigheden dan destijds.

Toch
is de klaspraktijk, het lesgeven zelf,
weinig geëvolueerd. In onderwijs en
pedagogie blijken hardnekkige basismechanismen aan het werk, waarop
vernieuwing weinig vat heeft. Het uitgangspunt blijft bevoogdend. De
omgang met kinderen blijft beheerst door autoriteit en
eenrichtingsverkeer. Scholen moeten abstracte kennis
(feiten en weetjes) overbrengen aan
de onwetende leerling, die braaf noteert en reproduceert.

Heel
wat jongeren vinden hun plaats niet meer in dit systeem. Ze zijn niet
te motiveren, willen zelf ontdekken, al doende leren. Daar biedt het
systeem weinig ruimte voor. Intussen nemen schoolmoeheid,
medicalisering bij kinderen en jongeren en schooluitval gestaag toe.
6500 Vlaamse kinderen slikken rilatine, 14 procent
van de scholieren verlaat de
middelbare school zonder diploma.

Het tweedekansonderwijs is nooit
eerder zo populair geweest.

Return
on investment

De
focus van ons onderwijs ligt al een hele tijd op het klaarstomen van
productieve werknemers die onze economie aanzwengelen en economische
groei garanderen. Belastinggeld dat in het onderwijs wordt gepompt,
moet terugvloeien naar de economie. Een logica die op het eerste
zicht als een paal boven water lijkt te staan.

Aan
die logica schort echter iets fundamenteels. Een ‘return on
investment’-visie op onderwijs houdt namelijk in dat jongeren
moeten kiezen voor ‘nuttige’ studierichtingen. Vertaald:
‘een studierichting die een degelijke job garandeert’. Dat
betekent ook dat er zoiets bestaat als ‘nutteloze’
studierichtingen.

Het
recente debat over de verhoging van het inschrijvingsgeld voor het
hoger onderwijs legde de vinger op de wonde: wie kiest voor een
studierichting die weinig arbeidskansen biedt, moet meer betalen voor
die studies en moet achteraf niet zeuren als hij geen job vindt,
klonk het her en der. Filosofie, geschiedenis, psychologie,
sociologie, cultuurwetenschap, maatschappelijk werk worden in die
logica niet beschouwd als productief, of als een meerwaarde voor de
samenleving. De
vraag is of er wel zoiets bestaat als ‘nuttige’ en ‘nutteloze’
studierichtingen. Of dat
studeren überhaupt
een rechtstreeks en aanwijsbaar ‘nut’ dient te hebben.

De
sociaal-culturele sector en de welzijnssector zijn net zo onmisbaar
in een gezonde democratische samenleving als de IT en de economie. De
CEO met een burn-out mag zich gelukkig prijzen dat hij terecht kan
bij een goede therapeut. De hardwerkende ondernemer kan zijn schaarse vrije tijd zinvol en verrijkend doorbrengen in het theater
of de opera. De hartchirurg heeft net zo goed degelijke kinderopvang
nodig als de onderwijzeres. Ook de zorgbehoevende bejaarde ouders van
de bankier hebben nood aan zorg. Iedereen die min of meer op de
hoogte wil blijven van wat er gebeurt in de wereld, is aangewezen op
journalisten, fotografen en cameramensen.

Tegenwicht

Een
samenleving is maar
zo democratisch als haar burgers kritisch en mondig (kunnen) zijn. En
om die bewuste burgers voort te brengen, moeten we kinderen leren wie
ze zijn, welke rol ze willen en kunnen spelen in hun samenleving,
welke rol de anderen spelen. Met andere woorden: we moeten hun
leren denken, begrijpen, analyseren, maar ook leren verwoorden en
vertalen wat ze denken en begrijpen.

Heel
wat denkers (Martha Nussbaum, Noam Chomsky,…) pleiten net voor meer
in plaats van minder aandacht voor de letteren, de filosofie, de
moraal, de sociologie in ons onderwijs. Die ‘zachte’
wetenschappen zijn broodnodig als tegenwicht tegen zuiver
marktdenken. Geen wetenschap zonder ethiek. Geen democratie zonder
menswetenschappen. Het ene kan maar bestaan en in evenwicht blijven
dankzij het andere.

Onderwijs
zou meer mogen zijn dan het afleveren van gehoorzame en
produktieve werknemers. Scholen moeten burgers vormen die hun
democratische plaats in de samenleving kunnen opnemen. Die visie
druist in tegen het
populaire idee
dat onderwijs naadloos moet aansluiten bij de noden van de
arbeidsmarkt, een idee dat
meer en meer aanhang vindt en in het huidige regeerakkoord wordt
benadrukt. Wie een leefbare en solidaire
samenleving nastreeft, zou naar onderwijs moeten kijken met in het
achterhoofd andere doelstellingen dan louter economische.

Van
wie is het onderwijs?

De visie dat
belastinggeld moet terugvloeien naar de economie, vertrekt vanuit de
vooronderstelling dat
het onderwijs iets schuldig is aan de economie. Het onderwijs wordt
echter voor het overgrote deel gefinancierd met publieke middelen,
met name door de belastingbetaler. Maar
de private sector draagt slechts
in beperkte mate bij aan ons onderwijssysteem. Waarom zou ze dan
aanspraak kunnen maken op het ‘rendement’ van dat onderwijs?

Waarom
kunnen private bedrijven zich als stakeholders van ons onderwijs
opwerpen zonder erin te investeren? Tot nader order behoort ons
onderwijssysteem toe aan de samenleving in haar geheel, en dient het
dan ook die samenleving en het algemeen belang. Een samenleving met
heel wat andere noden dan enkel economische.

We
zouden net moeten pleiten voor een brede vorming die niet enkel
vakmensen aflevert, maar ook vrije, sociale en kritische burgers
die onze samenleving in de toekomst vorm kunnen geven op een manier
die het algemeen belang dient. Dat algemeen belang valt niet samen
met het belang van de economie of de bedrijfswereld.

Onderwijs
als hefboom

Welk
soort onderwijs hebben we dan nodig? Menig hervorming ten spijt werd
er nooit structureel geraakt aan de basis van de klaspraktijk: het
lesgeven dat
doorgaans neerkomt op het overdragen van kennis. Mensen leren
reproduceren wat al bestaat en bedacht werd, in de beperkte ruimte
van een vakgebied, creëert prima vakmensen, maar geen burgerzin,
geen creativiteit en geen algemene kennis.

Ons
onderwijs besteedt 90 procent van
de lestijd aan inhoud, met name het overbrengen van kennis en feiten.
Van de overige procent
gaat het grootste deel naar praktische vaardigheden: rekenen,
schrijven, grammatica,… Voor een
levenshouding (hoe kijk ik naar het
leven en de samenleving? wat is mijn rol en plaats in die
samenleving?) en hogere vaardigheden (leren analyseren, reflecteren,
logisch en probleemoplossend denken) resten
er nauwelijks tijd en ruimte.

Door
studenten niet te leren nadenken over de samenleving, verzwakken we
onze democratische kracht. Bovendien is er geen vruchtbaarder
voedingsbodem voor antipolitiek en onverschilligheid dan onwetendheid
en onbegrip. Burgers blijven niet overeind in deze kennismaatschappij
als ze geen onderscheid leren maken tussen goede en foute informatie,
tussen informatie en manipulatie. Wie onwetend is, is manipuleerbaar
omdat hij kennis en feiten niet
kritisch en zelfstandig kan
beoordelen.

Vroeg
oriënteren en presteren

Als
het onderwijs kritische en sociale burgers moet voortbrengen, dan
moeten we ons ook vragen stellen bij de vroege oriëntering waar men
het zo vaak over heeft. Kinderen worden
al in de kleuterklas, zacht maar kordaat, in de ‘juiste’ richting
gestuurd. Ze
moeten al in de derde kleuterklas beginnen rekenen en lezen en
ontdekken waar ze goed in zijn. Nochtans is er geen enkel bewijs,
noch wetenschappelijk, noch uit de praktijk, dat die aanpak werkt.

Bewijzen
voor de omgekeerde aanpak zijn er wel. In Finland worden kinderen
breed gevormd. Kinderen hoeven er pas vanaf zeven jaar officieel naar
school. Specifieke studierichtingen en beroepskeuzes worden laat in
het schooltraject gekozen. Finse leerlingen hebben heel wat minder
uren les dan in de meeste andere Europese landen. Men doet er niet of
nauwelijks aan toetsen en meten. Huiswerk is beperkt. Autonomie en
vertrouwen staan centraal. Scholen zijn niet gebonden aan nationaal
voorgeschreven leerprogramma’s en de onderwijsinspectie werd in de
jaren zeventig afgeschaft. Scholen en leerkrachten genieten opvallend
veel vrijheid. Wel worden leerkrachten er aan een strenge selectie
onderworpen.

Toch
scoort Finland uitstekende resultaten en gaat het land niet gebukt
onder onbekwaam personeel en een gebrek aan vorming. Wel ligt de
schooluitval er veel
lager, is er sprake van veel minder sociale ongelijkheid in het
onderwijs en tonen leerlingen zich er veel gemotiveerder en
tevredener dan bij ons.

Sluimermodus

Het
contrast met de nieuwbakken toppers in de PISA-ranking is groot. De
ranglijst van het Programme for International Student Assessment legt
bloot welke landen het best scoren inzake onderwijsresultaten. Heel
wat Aziatische landen wisten zich de voorbije jaren tot in de toptien
van die PISA-testen op te werken.

Shangai,
Zuid-Korea en Japan, om er maar een paar te noemen, legden zich de
afgelopen jaren toe op het intensief begeleiden van leerlingen om
topscores te kunnen voorleggen. Volgens heel wat wetenschappers
betalen ze daar een hoge prijs voor: leerlingen worden van ‘s
ochtends vroeg tot ‘s avonds laat gedrild om een
eenvormig curriculum af te werken. Competitie, controle en veel
toetsing staan er centraal.

Intussen
staan creativiteit en ondernemingszin in sluimermodus. Daarnaast zijn
de ongelijkheid en de ontevredenheid onder
leerlingen groot. Vroeg oriënteren
en inzetten op presteren heeft een prijs. De vraag is hoe hoog die
prijs mag zijn en wie hem betaalt.

Gebrek
aan visie doodt de geest

Naast
financiële middelen en goed geschoold, gemotiveerd personeel heeft
ons onderwijssysteem fundamenteel
nood aan visie. Een visie op leren en leven die zowel het individu
als de samenleving versterkt, die aansluit bij een duurzame
maatschappijvisie.

Kinderen
en jongeren maken keuzes en zetten stappen in hun leven vanuit hun
dromen en idealen, niet om onze economische groei te garanderen. Ze
hebben dan ook recht op een onderwijs dat hen en die dromen en
idealen ernstig neemt en er de ruimte voor biedt.

Dat
vraagt om veel meer dan technisch gemorrel met tussenschotten en
richtingen. Het vraagt om
een onderwijssysteem dat zichzelf kan en durft in vraag te stellen.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!