Kleine revoluties en hun verdergaande gevolgen? Een reflectie.
Opinie -

Kleine revoluties en hun verdergaande gevolgen? Een reflectie.

De inleiding van Rik Pinxten: "Maken veel “kleine revoluties” toch een grote revolutie?" op het debat van zondag 20 juli in NTG tijdens de gentsefeestendebatten.

dinsdag 22 juli 2014 11:06
Spread the love

Ik constateer dat een vreemd virus zich
verspreidt doorheen onze maatschappij en dat het vlug de hele
westerse cultuur aantast. Dat virus poseert als een progressieve
ideologie, meet zich een realisme aan in economie en politiek dat
anderen zouden missen, en produceert goud voor een heel kleine
minderheid en miserie voor een overdonderende meerderheid. Het
wordt door de weinige diagnosten aangeduid met de naam
neoliberalisme. Ik beweer dat het voorvoegsel “neo-” minstens
kritisch moet bekeken worden.

Om van het woord “liberalisme” nog
maar te zwijgen. Neoliberalisme refereert naar het liberalisme in die
zin dat het “negatieve vrijheidsbegrip” een zeer grote plaats
wordt gegeven: negatief in de zin van “vrij van…bindingen”
(Berlin, 1958). In het neoliberalisme wordt dit principe losgemaakt
van de andere twee Verlichtingsprincipes –gelijkheid en
solidariteit- en in een wereld van ongelijkheid tot de hoogste waarde
verheven. Praktisch betekent dit: alle vrijheid aan de bezittende
elite.

Dit is een ethisch en politiek virus. Tegelijk leven we
volgens mij in een tijd waarin ethiek en politiek in de nobele zin
nagenoeg verdampt zijn. In de praktijk bemerk ik dat laatste doordat
ongeveer iedereen, behalve de kleine economische elite, onderworpen
is aan eindeloze controle en dreiging van criminalisering
(GAS-boetes, gsm/PC/I-pad overal traceerbaar). Daardoor is waarderend
nadenken en kiezen weggetrokken bij de gewone mensen, behalve voor
futiliteiten zoals de kleur van je broek, of het hoesje van je gsm.
Dit boek gaat daar tegenin.

De politieke antropoloog en pleitbezorger voor
OWS (Occupy Wall Street) David Graeber geeft een paar aanzetten voor
een analyse in deze zin in zijn boek over het “project democratie”
(Graeber, 2013): is de financialisering van het kapitalisme nog wel
een vorm van wat in een vroegere tijd (die van de industriële
maatschappij: grofweg 1850-1960) het kapitalisme werd genoemd?

Inderdaad, samengaand met die enorme rol van geld-maakt-geld in de
hedendaagse economie zien we een geweldige concentratie van macht in
handen van steeds minder, maar ook een de-industrialisering. De
industrie, in haar kapitalistische vorm van productie en verkoop,
wordt vrij systematisch verplaatst naar lageloon landen.

In de rijke
westerse gebieden zien we een economie ontstaan die toenemend op
geld, en voor de staten en de meerderheid van hun bevolking op schuld
draait: ook industriële producenten en natuurlijk op grotere schaal
de banken verkopen met krediet –en dus met schuldconstructies voor
de koper- wat elders geproduceerd wordt. Graeber geeft bijvoorbeeld
aan dat General Motors in het laatste decennium al de helft van de
winst haalde uit schuldinningen (met interesten die nu tot 300%
gaan).

In het geval van studieleningen in de VS lopen interesten op
tot 800%, wat mensen in een “nieuwe feodaliteit” duwt (Graeber,
2013). Uit informele gesprekken met verschillende bedrijfsleiders
leerde ik dat de wurgende werking van de financiële wereld op de
industriële wereld een soort publiek geheim aan het worden is.

Het gaat echter niet enkel meer over schuld die
gevorderd wordt van particulieren, maar ook van bedrijven en van
staten (Mertens, 2012). Multinationale ondernemingen starten
juridische procedures tegen staten, die vaak trachten om toch nog
voor hun bevolking op te komen door beschermende maatregelen te nemen
–wat een kerntaak van de staat en van de politiek was en is- omdat
die staten zogenaamd de wereldwijde vrije markt zouden belemmeren
door een beleid te voeren dat niet strookt met de visie van de
multinational.

Heel dicht bij huis: wanneer een (door mij bewust
anoniem gehouden) stad tracht een autonome energiewinning via
geothermie in lokale en coöperatieve structuren te onderzoeken, dan
komt meteen een internationale energieproducent langs om te dreigen
met een miljardenclaim, “omdat de vrije concurrentie op Europees en
mondiaal niveau” door dergelijke gedecentraliseerde aanpak zou
onmogelijk gemaakt worden voor haar. De gevolgen van de bankencrisis
uit 2008 voor de gemeenten, die participeerden aan sommige
banksystemen en daardoor nu klappen krijgen, zijn een ander voorbeeld
in eenzelfde verhouding tussen de financiële corporaties en de
maatschappelijke machten .

Niet alleen is de (financiële) economie nu
oppermachtig, en kan de controlerende rol door de politiek niet meer
adekwaat worden ingevuld, maar bovendien is die economie fundamenteel
van karakter veranderd: heel bescheiden berekend is de financiële
economie van 13% van de gehele economische activiteit in 1965 naar
meer dan 40% in 2008 gegroeid (Graeber, 2014: 75).

Binnen het segment
van de beurseconomie is dit aandeel uiteraard veel hoger. Dat
betekent dat grote corporaties steeds meer geld verdienen door
schulden te innen, niet door risico te nemen met een langere termijn
productie, maar ook dat de aandelenpolitiek van een groot bedrijf
primeert op materieel en sociaal kapitaal van dat bedrijf. Einde mei
2014 laat de voorzitter van de Engelse Nationale Bank weten dat dit
een gevaarlijke ontwikkeling is en dat staten dringend banken aan
banden moeten leggen (en o.a. opsplitsen in kleinere banken in plaats
van de “bigger is better”-ontwikkeling: Leggett, 2013).

Dat is
opmerkelijk wanneer men beseft dat de man spreekt met de Londense
City als naaste buur. In de analyse van Graeber over de
ontwikkelingen in de VS (bevestigd door een reeks analyses samengevat
in Le Monde Diplomatique van juni 2014 over de Transatlantische Vrije
Markt) is feitelijk de politiek op het hoogste niveau het legale
verlengstuk van de belangen van de grote corporaties geworden.
Politici met topcarrières komen uit de 1%, worden gesponsord in hun
loopbaan door de 1 % en op het einde van hun mandaat ook terug
opgenomen in raden van beheer van de 1%. Graeber citeert onderzoeken
van historici waarin een gelijkaardige ontwikkeling beschreven is
voor andere ‘imperia’ uit de geschiedenis.

Het is wel belangrijk
te beseffen dat die fase van financiële economie steeds ook de
eindfase van het imperium inluidde. Voor een westerse traditie die
voorhoudt democratisch te zijn, is dit een bijzonder veeg teken. Voor
de bevolking van de gebieden die onder een dergelijk regime vallen is
het dan tijd om de situatie door te denken, prioriteiten scherp te
stellen en te zoeken wat binnen de bakens van een dergelijk regime en
via verhoogde zelfredzaamheid kan gedaan worden. Het is immers één
ding om de situatie te bekijken en te sturen in functie van de
belangen van de 1%, maar het is vermoedelijk een nogal verschillende
zaak om dat te doen vanuit het perspectief van de 99%.

In het licht van dit en andere dergelijke
ontwikkelingen wil ik even stilstaan en nadenken, eerder dan in
activisme te belanden. Wat is hier aan het gebeuren? Wie beslist? Wat
is er nog gemeenschappelijk belang en hoe verhouden de verschillende
vormen van eigenbelang zich hiertoe? Is dit vooruitgang? Een volgende
fase in het kapitalisme? Of hebben we te maken met een
vreemdsoortige ontsporing, een grote regressie of implosie gevoed
door een verregaande vorm van bijziendheid? Maar vooral ook: hoe
kunnen we vanuit een degelijke reflectie komen tot zelfredzame
antwoorden op die ontwikkeling?

Wat is neoliberalisme?

Om te beginnen: is het neoliberalisme een
nieuwe en dus een moderne of zelfs postmoderne ideologie? Ik heb dit
soort uitspraken langs alle kanten proberen bekijken en ik kan geen
enkel positief antwoord vinden. Natuurlijk zeggen de
beleggingsmaatschappijen dit, want als je niet je spaargeld belegt,
dan ben je niet mee. Dan ligt dat spaargeld zogenaamd te slapen en
brengt de eigenaar enkel verlies. Maar stoelt dit op iets? Of is het
mist, misschien zelfs bewuste leugen?

Natuurlijk willen de 1% graag
de spaarcentjes van de 99% losweken en er een voortgaande piramide
van schuld en afhankelijkheid mee bouwen, precies zoals zij ook
trachten de gelden van de structurele solidariteit (sociale
zekerheid, ziekteverzekering, pensioenen) op hun speeltafel te
brengen.

Met het neoliberalisme zie ik vooral een poging om die trend
te stoppen en terug te keren naar een duidelijk premoderne opvatting
over mens en maatschappij. Men vertrekt daarbij opnieuw vanuit een
elitedenken: niet iedereen heeft dezelfde rechten, en de staat moet
niet langer bewaken dat de optimalisering van de universele rechten
voor alle burgers gegarandeerd wordt.

Integendeel, een elite van
geldbezitters en/of geldspelers (soms ook via kennisbezit) eist
rechten op voor zichzelf, die niet moeten gedeeld worden door alle
anderen. En wat resteert van de staat moet instaan voor de controle
van de 99% (“meer blauw op straat”, “camera’s op pleinen”,
NSA). In die logica is de slogan van de 1% (afkomstig van Stiglitz,
2011) te begrijpen: rechten, eigendom, privilegies van 1%, door 1%
en voor 1%. Dat is de nieuwe boodschap, gaande tot en met het zich
onttrekken aan elke staatscontrole en zelfs een ontsnappen aan
Mensenrechten. Dat laatste zie ik bijvoorbeeld in de ontwikkeling van
eilanden van de “happy few” buiten de territoriale wateren in de
Stille Oceaan, door groepen van kapitaalkrachtigen uit de
financiewereld, de virtuele economie en de biotech-kringen (Simpson,
2013).

Deze nieuwe rijken stichten reële kolonies van superrijken,
die ontsnappen aan elke controle of herverdeling door een staat en
willen ook actief experimenteren met transhumanisme, waardoor ze ook
omgebouwde, deels gerobotiseerde mensen instrumenteel zouden kunnen
“produceren”, die enkel instaan voor hun eigen belangen en
behoeften.

Technologisch is reeds heel wat mogelijk voor een
dergelijke elite vandaag die in transhumanisme gelooft. Dat is een
contrast met hun feodale of eventueel nog Ancien Régime voorgangers,
maar het globale project is een terugkeer en aanval op de
moderniteit. Het neoliberalisme is dus volgens mijn beste inzichten
geen vooruitgang van menselijk denken, maar een krachtig en machtig
terugkeermodel naar het feodale of hoogstens het Ancien Régimedenken
over mens en maatschappij. De nieuwe “haves” zijn minder
gepriviligieerden vanuit geboorterecht, maar wel op basis van
welstand. Maar hetzelfde kasten- of standendenken ligt aan de basis.
Daarom alleen al is het een reactionair denken in de technische zin
van die term en geen progressief of vooruitziend denken.

In de loop van het boek ( “Schoon Protest”,
in druk) zal ik regelmatig de mentaliteitsvormende en ook
waardenfocus van de boekgodsdiensten ter sprake brengen. In mijn
overtuiging is de fundamentele mentale houding die via deze
godsdiensten aangeleerd werd aan vele generaties in het Westen en in
de Islamgebieden perfect terug te vinden in de neoliberale
mentaliteitstructuur.

Vooral de protestantse versie, ook terug te
vinden bij sommige Islamitische strekkingen (vooral in het
principiële, leerstellige van beide): dat verklaart tendele ook de
strijd in Europa tussen het Duitse protestantse Europa tegen het
katholieke Zuid-Europa, denk ik. De inhouden zijn meer of minder
veranderd, maar de basishouding van exclusief denken, van
missionering ook, is gebleven. Dit is een fundamenteel uitgangspunt
van mijn analyse. Omwille van die structuurgelijkheid tussen het
godsdienstige denken van de boekgodsdiensten en het huidige
neoliberalisme kan bij die laatste ook de koppeling met het (oude)
nationalisme als aanvaardbaar voorgesteld worden, meen ik. Ik kan
dergelijke visie niet “bewijzen”, maar enkel de lezer uitnodigen
om mee te denken. Het is de ervaring met heel andere culturele
tradities die me tot deze visie bracht.

Wanneer ik tot een dergelijk besluit kom, dan
zeg ik daarmee ook dat het belangrijk is om aannames, zogenaamd
wetenschappelijke en ook TINA-uitspraken grondig kritisch te
bekijken. Niet de eruit voortvloeiende actiestrategieën en
zogenaamde oplossingen voor de crisis moeten onze eerste aandacht
krijgen (een begrotingstekort, een schuldlogica, laat staan een
“cultuur van luiheid” tegenover een “cultuur van hardwerkende
mensen”), maar de aannames en zogenaamde feiten zelf die worden
opgedrongen.

Dat kan enkel wanneer rustig over de visie van dit
aanbod en van mogelijke alternatieven wordt nagedacht en dat
impliceert brede, maar noodzakelijke discussies en keuzen rond mens-
en maatschappijbeeld. En daarmee komen we op het terein van de
antropologie, als visie op de mens en op wat menselijk haalbaar en
aanvaardbaar is (eventueel uitgebreid met de natuur of de aarde) en
dus op het terrein van ethiek en politiek in de nobele zin van het
woord. Daarover moet het gaan, vandaag en in de toekomst. Dit zijn
geen bijkomstige of luxethema’s, maar fundamentele onderwerpen:
wat is waardevol? Hoe kunnen we kwaliteit van leven en duurzaam
waardevolle keuzen maken? En is de neoliberale golf van vandaag
een zinvolle optie, of slechts een kortzichtig zijspoor dat enkel het
eigenbelang van een absolute minderheid dient? En vermoedelijk
slechts een zoveelste vorm van gevaarlijke kramptoestand van een
imperium op retour?

Daarom, en op het diepere niveau van de ethiek
en politiek als menselijke faculteit, wil ik proberen nadenken: ik
meen dat we heden veel te oppervlakkig meehollen met sensatie- en
oppervlakkige duiding, waarbij die reactionaire ideologie van
vandaag de toon zet, zonder dat de enorme verschraling van het
mensbeeld daarbij nog gezien wordt. Ik stel voor om ook in de taal
duidelijkheid te scheppen en zal dus het neoliberalisme vanaf nu vaak
aanduiden als het neobarbarisme. Ik wil hiermee de lezer voorhouden
dat die ideologie opgekomen is in een tijd dat het imperium (Westen
na vijf eeuwen kolonialisme, of Noordatlantische Verbond na een halve
eeuw dominantie) in de fase van afgang komt en dat dan het
terugplooien op zichzelf en het vergroten van interne en externe
ongelijkheid de norm wordt van de heersende groep. Niets nieuws onder
de zon.

Kleine revoluties en hun verdergaande gevolgen? Een reflectie.Uit: “Schoon Protest’, EPO, 2014.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!