Born Free and Equal? Samenvatting doctoraat moraalfilosofie

Born Free and Equal? Samenvatting doctoraat moraalfilosofie

Wat is gelijkwaardigheid? Welke vormen van (on)gelijkwaardigheid bestaan er? Wie is er gelijkwaardig, en in welke zin?

zondag 29 juni 2014 22:43

In hoeverre is een ethiek van
gelijkwaardigheid tussen mensen en dieren consistent (in overeenstemming met onze
morele intuïties en ethische principes)? En wat zijn de praktische gevolgen van
een ethiek van gelijkwaardigheid? 

Dat zijn de vragen die
onderzocht werden in het doctoraatsproefschrift “Born Free and Equal? On the
Ethical Consistency of Animal Equality” (Stijn Bruers, Universiteit Gent,
3-4-2014) Hier volgt een samenvatting van het doctoraatsonderzoek.

De metafoor van de meta-ethische hand

Het doel van het
doctoraat is een coherent (samenhangend) ethisch systeem te construeren waar
gelijkwaardigheid een centrale rol in speelt. Een ethisch systeem bestaat uit
ethische principes die voorwaarden leggen op ons gedrag en antwoorden bieden op
de vraag welke handelingen verplicht, toegelaten of verboden zijn in concrete
situaties.

De vraag is welke
ethische principes een goed, coherent ethisch systeem vormen. Zijn er regels om
na te gaan welke ethische systemen goed zijn? Dat is een meta-ethische vraag,
want het gaat over regels over regels: meta-ethische grondregels die bepalen
welke morele gedragsregels goed zijn. Net zoals een hand bestaat uit vijf
vingers, is de meta-ethische hand een metafoor voor vijf meta-ethische
grondregels of richtlijnen voor het construeren van een goed ethisch systeem.
Er kunnen talrijke ethische systemen geconstrueerd worden. Een voorbeeld van
een concreet ethisch systeem dat met de meta-ethische hand geconstrueerd werd,
is het systeem van de morele hand (zie verder). Om zoveel mogelijk ethisch
relativisme (anything goes) te vermijden, legt de meta-ethische hand strenge
eisen op voor het construeren van een systeem. Daarbij is antiwillekeur (regelmaat)
een overkoepelend thema: elk van de vijf richtlijnen van de meta-ethische hand
genereert een antiwillekeurprincipe.

De duim: het
principe van regel universalisme
.
Je moet bij het construeren van jouw ethisch systeem die regels volgen die
iedereen moet volgen bij het construeren van hun ethische systemen. Je mag bij
het construeren van jouw ethisch systeem die regels volgen die iedereen mag
volgen bij het construeren van hun ethische systemen. Bijvoorbeeld: als jij je
mag baseren op jouw morele intuïties, dan mag iedereen zich baseren op hun
eigen morele intuïties. Als niemand naar willekeur ad hoc principes of
vergezochte regels mag invoeren, dan mag jij dat ook niet.

De duim genereerteen
eerste principe van antiwillekeur, namelijk een vorm van democratie van
ethische systemen. Alle even coherente ethische systemen zijn gelijkwaardig
vanuit meta-ethisch oogpunt. Indien verschillende personen verschillende gelijkwaardige
ethische systemen aanhangen, moeten die personen trachten via een democratische
beslissingsprocedure tot een aanvaardbaar compromis te komen. Want niemand kan
beweren dat het eigen ethische systeem en de eigen morele intuïties
belangrijker zijn dan die van anderen. Deze democratie van morele systemen is
geen moreel relativisme, want alle willekeurige, incoherente ethische systemen
(en dat zijn er heel veel) hoeven niet meegenomen te worden in de democratische
afweging.

Het duimprincipe is
een erg abstract principe dat nog niet bepaalt welke regels men dan moet volgen
bij het construeren van een ethisch systeem. Net zoals men de duim tegen de
andere vingers moet plaatsen om iets te kunnen grijpen, zo moet men de
meta-ethische duim tegen de andere meta-ethische vingers plaatsen om een
ethisch systeem te kunnen construeren.

De wijsvinger:
verenigbaarheid en overeenkomst met basisinformatie
. Morele basisoordelen vormen de
basisinformatie in de constructie van een ethisch systeem. Basisoordelen zijn bv.
morele intuïties over wat mag en niet mag, die vaak spontaan opduiken in
concrete situaties of gedachtenexperimenten. Het wijsvingerprincipe zegt dat de
ethische principes zo goed mogelijk moeten verwijzen naar de morele
basisoordelen, en dat we daarbij een sterke prioriteit moeten geven aan de
sterkste en meest gedeelde morele basisoordelen. De sterkte van een
basisoordeel wordt bepaald door onze bereidheid om een basisoordeel op te
geven: als we het niet zo erg vinden dat een basisoordeel niet past in het
ethische systeem, dan is dat een zwak basisoordeel.

Het corresponderende antiwillekeurprincipe van de wijsvinger zegt dat men niet naar willekeur zwakkere morele
intuïties een sterkere prioriteit mag geven; en men mag niet naar willekeur
morele basisoordelen veranderen of uitsluiten.

Enkel een correspondentie
met basisinformatie is echter niet voldoende, want sommige morele intuïties
zijn onbetrouwbaar en inconsistent met andere intuïties. Zo kan men morele
intuïties hebben (bv. een verbod op homoseksualiteit, evenals vele religieuze
oordelen) die botsen met andere morele basisoordelen. De middelvinger helpt bij
het uitfilteren van onbetrouwbare intuïties.

De middelvinger:
volledigheid en interne consistentie
. Elke situatie mag één en slechts één moreel eindoordeel opleveren. Een
moreel eindoordeel wordt gegenereerd door de ethische principes waarbij alles
in rekening werd gebracht. Consistentie wil zeggen: “niet tegelijk p en niet-p”,
waarbij “p” staat voor een “verboden”, “toegelaten” of “verplicht”. Zo mag een
handeling in een specifieke situatie niet tegelijk toegelaten en verboden zijn.
Als “p gelijk is aan niet(niet-p)”, dan volgt uit consistentie ook
volledigheid: “p of niet-p”. Dus in elke situatie is een handeling ofwel
toegelaten ofwel niet. Het ethisch systeem moet in staat zijn om in elke
denkbare situatie een uniek antwoord te bieden op de vraag welke handelingen
toegelaten, verboden en verplicht zijn.

De middelvinger genereert
een derde principe van antiwillekeur: men mag niet naar willekeur
inconsistenties en hiaten toelaten in het ethische systeem.

De middelvinger is de
langste vinger, dus deze consistentievoorwaarde is de belangrijkste grondregel
in de constructie van een ethisch systeem. Inconsistente systemen zijn niet
geldig.

De ringvinger: helderheid. De ethische principes in
het ethische systeem moeten helder geformuleerd kunnen worden, zodat ze voor
iedereen (met een begripsvermogen) begrepen kunnen worden en ze zonder
dubbelzinnigheden altijd kunnen worden toegepast. De betekenis of interpretatie
van morele termen zou dus duidelijk moeten zijn. Vage morele termen zoals
“zuiverheid” of “natuurlijkheid” zouden goed gedefinieerd moeten worden als men
ze gebruikt.

Het overeenkomende antiwillekeurprincipe zegt dat men niet naar willekeur een vaag ethisch
principe mag introduceren dat men naar willekeur kan interpreteren en toepassen
in concrete situaties.

De pink: zuinigheid
en eenvoud
. Net zoals de
kleine pink een klein beetje kan afwijken van de andere vingers, mag men in een
ethisch systeem in beperkte mate extra ethische basisprincipes toevoegen. Men
moet dan wel zoveel mogelijk artificiële ad hoc aanpassingen (bv.
uitzonderingen op uitzonderingen op regels, of regels die slechts in één
specifieke situatie gelden) trachten te vermijden. Men mag dus een beetje
complexiteit of kunstmatigheid invoeren in het eigen ethische systeem, op
voorwaarde dat men bereid is te tolereren dat iedereen dat mag in de
constructie van hun ethische systemen (iedereen, want men moet de duim tegen de
pink plaatsen).

Volgens de pink mag men niet
naar willekeur te veel artificiële, complexe, ad hoc constructies toevoegen in
het ethische systeem.

Als een ethisch systeem deze richtlijnen
respecteert, wordt het een krachtig, coherent (samenhangend) systeem, net zoals
een opgelost kruiswoordraadsel. Het ethisch systeem van de morele hand
(hieronder beschreven) is een kandidaat voor een dergelijk coherent systeem.

De metafoor
van het kruiswoordraadsel

Het construeren van
een coherent ethisch systeem is te vergelijken met het oplossen van een
kruiswoordraadsel. Een wit vakje van een kruiswoordraadsel staat symbool voor
een specifieke situatie of een moreel gezichtspunt. Een ingevulde letter komt
dan overeen met een moreel eindoordeel: een antwoord op de vraag wat we
uiteindelijk moeten of mogen doen in die specifieke situatie, of wat – alles
bij elkaar beschouwd – waardevol is vanuit dat moreel gezichtspunt bekeken. Net
zoals bij de meta-ethische hand zijn er hier vijf richtlijnen of spelregels.

De duim: equivalente
oplossingen van een kruiswoordraadsel zijn even correct, op voorwaarde dat ze
de volgende vier regels respecteren.

De wijsvinger: de ingevulde
woorden moeten verwijzen naar de opgegeven beschrijvingen.

De middelvinger: men moet
één en slechts één letter per wit vakje invullen. Consistentie wil zeggen: niet
tegelijk een letter en een andere letter. Volledigheid wil zeggen: ofwel een
letter ofwel een andere letter (dus geen leeg vakje).

De ringvinger: de woorden
moeten bestaande, heldere woorden vormen.

De pink: men moet zoveel
mogelijk nieuwe woorden, vergezochte woorden of ad hoc aanpassingen aan woorden
trachten te vermijden, en een voorkeur geven aan de meest courante woorden.

Deze spelregels sluiten willekeur uit. Zo mag men niet naar willekeur wat letters invullen
in aangrenzende witte vakjes, en mag men niet naar willekeur opgegeven
beschrijvingen veranderen.

Het construeren van
een ethisch systeem is ook te vergelijken met de manier waarop men aan
wetenschap behoort te doen: heldere en onderling consistente principes (bv.
natuurwetten) afleiden uit basisinformatie (experimentele gegevens), en daarbij
zo weinig mogelijk ad hoc constructies toevoegen aan de theorie. Een
wetenschappelijke theorie moet dus zo zuinig mogelijk zijn (de pink) en bestaan
uit duidelijk geformuleerde wetten (de ringvinger) die consistent zijn met
elkaar (de middelvinger) en zo dicht mogelijk aansluiten bij de meest
betrouwbare empirische gegevens (de wijsvinger).

De metafoor van de optische illusie

Vertrekken van
basisinformatie (zoals de morele intuïties) is niet altijd zonder risico, want
soms kan de basisinformatie onbetrouwbaar zijn. Denk aan een optische illusie,
zoals de bekende Müller-Lyer illusie waarbij twee even lange lijnstukken
pijlpunten hebben aan de uiteinden. Velen hebben het automatische oordeel (de perceptuele
intuïtie) dat het lijnstuk waarvan de pijlpunten naar buiten wijzen korter
lijkt dan het lijnstuk met de naar binnen wijzende pijlpunten.

Deze intuïtie is een
illusie, want het botst met twee andere, sterkere, coherente basisintuïties: dat
de lengte van een meetlat niet verandert als men ze verschuift, en dat de
lengte van een lijnstuk onafhankelijk is van pijlpunten en andere figuren. Zo
hebben we twee coherente methoden om de optische illusie te ontdekken: 1) de
verplaatsingsmethode, waarbij we een meetlat verplaatsen van het ene naar het
andere lijnstuk, en 2) de weggommethode, waarbij we de pijlpunten weggommen of
afdekken. Deze twee methoden tonen aan dat de lijnstukken even lang zijn. Het
is dus één tegen twee: onze eerste, perceptuele intuïtie moet het onderspit
delven.  

Ook in de ethiek
kunnen we op gelijkaardige wijze morele illusies opsporen. Een morele illusie
is een hardnekkig, spontaan moreel oordeel dat botst met andere, sterkere en
samenhangende morele oordelen. Zo kunnen we nagaan of discriminatie (bv. speciesisme
– het spontane oordeel dat een mens meer morele waarde heeft dan een
niet-menselijk dier) een morele illusie is. Net zoals in de optische illusie
het ene lijnstuk langer lijkt dan het andere, zo lijkt voor een speciesist de
waarde van een mens groter dan die van een dier, en zo lijkt voor een racist de
waarde van een blanke groter dan die van een niet-blanke.

De pijlpunten in de
Müller-Lyer figuur staan symbool voor moreel irrelevante eigenschappen, zoals
het uiterlijk van een wezen (bv. huidskleur bij racisme). Een meetkundige regel
die zegt dat lengtes verkleinen als pijlpunten op de hoekpunten naar buiten
wijzen, zou een erg willekeurige regel zijn. Zo is ook een waardeoordeel
gebaseerd op bv. uiterlijke kenmerken erg willekeurig. Vandaar dat speciesisme
net zoals racisme en seksisme een vorm van willekeurige discriminatie is.

De
verplaatsingsmethode bestaat erin ons in te leven in een mens en een dier. We
verplaatsen ons in de ander door middel van medeleven. Medeleven is de meetlat.
Een nuttige gedachteoefening hierbij is de sluier van onwetendheid: stel dat je
straks geboren wordt, maar je weet niet wie of wat je zult worden. Welke morele
regels zou je dan verkiezen? Je zult vaststellen dat gevoel, welzijn en wil
belangrijk zijn, want als je een niet-voelend wezen zou worden, maakt het niet
uit wat er met je gebeurt, want je hebt niet het vermogen iets te voelen of te
willen. Er is dan niets dat je erg vindt. Maar veel dieren zijn wel voelende
wezens die dingen wel en niet graag hebben en wiens welzijn beïnvloedt kan
worden.      

De weggommethode
bestaat erin de moreel irrelevante kenmerken (bv. het hebben van een bepaald uiterlijk,
genetische configuratie of afstamming) weg te gommen, en te kijken wat er dan
van waarde overblijft. Volgens de evolutionaire biologie is er geen essentie
verbonden aan de soort mens: er is niet iets dat alle en alleen mensen hebben
(sommige mentaal gehandicapte mensen hebben bv. geen zelfbewustzijn of moreel
denkvermogen), en er zijn talrijke vage grenzen tussen mensen en dieren (denk
aan onze voorouders en alle tussenvormen tussen mensen en dieren die ooit daadwerkelijk
bestaan hebben, denk aan het mogelijke bestaan van mens-dier hybriden,
chimera’s en genetisch gewijzigde wezens). Bovendien is het willekeurig om de
classificatie in soorten als de meest relevante te beschouwen terwijl er zoveel
andere (biologische) classificaties zijn, in bv. ondersoorten, genera,
families, orden, klassen, enzovoort. Wij zijn net zo goed mensen als dat we chordadieren,
primaten of smalneusapen zijn. Er is niets heiligs aan de soortopdeling en er
is geen magische essentie bij de soort Homo
sapiens
.

Een laatste aanwijzing
dat speciesisme gebaseerd is op een morele illusie, is dat zowel de Müller-Lyer
optische illusie als de speciesistische morele illusie een psychologische
verklaring hebben: ze zijn beiden het gevolg van een door de omgeving beïnvloedde,
verworven heuristiek (een automatische, onbewuste vuistregel).

De metafoor van de morele hand

De morele hand is een
bondige samenvatting van vijf ethische basisprincipes die een coherent ethisch
systeem vormen. Het is een mogelijke oplossing van een moreel kruiswoordraadsel
dat vertrekt van morele basisoordelen die vele personen delen. Het werd
geconstrueerd aan de hand van de richtlijnen van de meta-ethische hand, en net
zoals de vijf vingers van de meta-ethische hand vijf principes van
antiwillekeur (regelmaat) genereren, zo genereren de vijf vingers van de morele
hand vijf principes van antidiscriminatie (gelijkwaardigheid). Meta-ethische antiwillekeur
is dus analoog aan morele antidiscriminatie.

De duim (het
principe van regel universalisme):
men moet de regels volgen die iedereen (die ertoe in staat is)
in alle gelijkaardige situaties moet volgen. Men mag enkel de regels
volgen die iedereen (die ertoe in staat is) in alle gelijkaardige
situaties
mag volgen. De duim genereert een eerste, formeel principe van
gelijkwaardigheid, in de vorm van onpartijdigheid, en zegt dat we bv. het goede
voorbeeld moeten geven (doen wat iedereen zou moeten doen).

Het duimprincipe
verwijst naar een deontologische ethiek van regels en plichten. Het is een formeel
of abstract principe: het zegt nog niet hoe we gelijken dan precies moeten
behandelen. Net zoals we de duim tegenover de andere vingers moeten plaatsen om
een voorwerp te kunnen grijpen, zo moeten we het basisprincipe van regel universalisme
toepassen op de andere vier basisprincipes om een moreel probleem te grijpen en
verdere inhoud te geven aan het begrip gelijkwaardigheid.

De wijsvinger (rechtvaardigheid
en de waarde van levenswelzijn):

verhoog het levenswelzijn van alle voelende wezens die nu en in de toekomst
leven, waarbij het verhogen van het levenswelzijn van de laagste posities (de
ergste lijders, de wezens die het ergste leven leiden) een sterke prioriteit
krijgt. Levenswelzijn is de waarde die je zou toekennen aan het leiden van een
volledig leven (alle bewuste ervaringen) van een voelend wezen, en bestaat uit
alle positieve en negatieve gevoelens die het gevolg zijn van het al dan niet
vervullen van alles wat men wil, van alle behoeften.

Wiskundig uitgedrukt
zegt dit basisprincipe dat we een veralgemeend gemiddelde van het concaaf
gewogen levenswelzijn van alle voelende wezens (inclusief de toekomstige
generaties) moeten maximaliseren.

Het wijsvingerprincipe
kent twee verschillende, coherente onderbouwingen. 1) De sluier van
onwetendheid (je kunt als eender wie of wat geboren worden, dus je wil ieders
levenswelzijn zo hoog mogelijk krijgen), waarbij je een hoge (maar niet
maximale) risicoaversie hebt (je wil het
risico verminderen om in één van de
ergste posities te komen, door een hoge prioriteit te geven aan het levenswelzijn van de laagste posities). 2) Empathie (medelijden voor de ergste
lijders), met een kleine (maar niet nul) voorkeur voor efficiëntie (het
levenswelzijn maximaliseren van de individuen die het
slechtst af zijn, tenzij dat ten koste gaat van veel meer levenswelzijn van
anderen).

Het wijsvingerprincipe
genereert een tweede vorm van gelijkwaardigheid: als het totale levenswelzijn
van alle individuen constant is tussen verschillende situaties, dan moeten we
die situatie verkiezen die de meest gelijke verdeling van levenswelzijn
oplevert. Uit dit wijsvingerprincipe volgt ook dat iedereen een gelijk recht op
levenswelzijn heeft. Het gaat dus niet om een recht op een biologisch leven,
maar een recht op een bewust leven. In een permanente coma belanden is even erg
als sterven. Dat recht op een bewust leven en levenswelzijn geldt voor alles en
iedereen, maar is natuurlijk enkel relevant voor de bewuste, voelende wezens.
Wat we ook doen, we schaden nooit het levenswelzijn van de bewusteloze,
niet-voelende wezens, we doen nooit iets tegen hun wil in, want die wezens
hebben geen wil. We respecteren dus automatisch de rechten van niet-voelende
wezens.

Het wijsvingerprincipe
komt overeen met een consequentialistische welzijnsethiek (een vorm van
utilitarisme), en is coherent met vele morele intuïties, maar niet met alle.
Neem bijvoorbeeld het tramdilemma (we mogen niet een zware meneer voor een
aanstormende tram duwen om vijf personen op het spoor te redden) of het
transplantatieprobleem (we mogen niet iemand tegen diens wil in opofferen voor
orgaantransplantaties om vijf patiënten te redden bij een orgaantekort). Ook
verkrachting en slavernij zijn immoreel, zelfs al bevorderen ze heel sterk het
levenswelzijn van anderen. Het volgende principe unificeert dergelijke
intuïties.

De middelvinger (het
louter-middel principe en het basisrecht op lichamelijke zelfbeschikking):
gebruik nooit iemands lichaam tegen diens wil in
als middel voor iemand anders zijn doelen, want dat schendt het basisrecht op
lichamelijke zelfbeschikking. Om willekeur te vermijden, moet alles en iedereen
dit basisrecht krijgen. Maar voor niet-voelende wezens wordt het basisrecht
vanzelf gerespecteerd. Immers, enkel een voelend wezen
(bv. een gewerveld dier of mentaal gehandicapte mens met een voldoende complex
functioneel zenuwstelsel) heeft een gevoel van een eigen lichaam en heeft de
mogelijkheid ontwikkeld om iets te kunnen willen. Dus enkel voor voelende
wezens is het basisrecht relevant.

De twee woorden
“louter middel” duiden op twee voorwaarden, respectievelijk: 1) als je een
voelend wezen aanzet (dwingt) iets te doen of ondergaan tegen diens wil in om
een doel te bereiken (dat niet gedeeld wordt door het wezen zelf), en 2) als
het lichaam van dat voelend wezen noodzakelijk aanwezig moet zijn als middel
voor dat doel, dan gebruik je dat wezen als louter middel. De lichamen van
anderen zijn van henzelf, niet van ons.

De middelvinger genereert een derde principe van gelijkwaardigheid: alle voelende wezens die dezelfde moreel
relevante mentale vermogens hebben, krijgen een gelijke claim op het
basisrecht.

Het
middelvingerprincipe komt overeen met een deontologische, libertaire
autonomie-ethiek, waarbij de focus ligt op het lichaam als absoluut eigendom.
Het is beperkt libertair, omdat enkel iemands lichaam telt als absoluut
eigendom van dat individu.

De middelvinger is iets
langer dan de wijsvinger. Zo ook weegt het basisrecht iets sterker door dan het
recht op levenswelzijn (bv. de vijf patiëntenlevens in transplantatiedilemma wegen
niet op tegen het basisrecht van het slachtoffer). De middelvinger is echter
niet oneindig lang, dus mag het basisrecht nog wel geschonden worden in extreme
gevallen, om heel ernstige schendingen van het wijsvinger-welzijnsprincipe te
voorkomen.

De vorige twee vingers
passen nog niet met een aantal morele intuïties, zoals bij de problemen van predatie
(dolfijnen mogen nog voelende vissen bejagen, zelfs al hebben dolfijnen een
moreel bewustzijn), beweging (grote dieren mogen nog bewegen, zelfs al zouden
insecten kunnen voelen en geschaad worden) en voortplanting (dieren mogen zich
nog voortplanten, zelfs al dragen ze niet voldoende bij aan het geaggregeerde
levenswelzijn volgens het wijsvingerprincipe). De vierde vinger unificeert dergelijke
intuïties. 

De ringvinger (natuurlijkheid
en de waarde van biodiversiteit)
:
als een gedrag tegelijk natuurlijk (een direct gevolg van spontane evolutie),
normaal (vaak voorkomend) én noodzakelijk (belangrijk voor het leven en
voortbestaan van voelende wezens) is, is het toegelaten (maar niet verplicht),
zelfs al worden de wijsvinger- en middelvingerprincipes geschonden. Als het
gedrag verschillende mogelijke opties heeft, moet de minst schadelijke gekozen
worden (bv. voeding is natuurlijk en noodzakelijk, maar men moet de minst
schadelijke voedingsoptie kiezen).

Net zoals
levenswelzijn de waarde is van een voelend wezen, zo ook is biodiversiteit de
waarde van een ecosysteem: zowel levenswelzijn als biodiversiteit hebben de
neiging om te verhogen (mits ze niet beperkt worden door bv. competitie om
schaarse middelen), en beiden zijn functies van verschillende waardevolle
dingen (gevoelens; variatie aan levensvormen) die het direct gevolg zijn van
een drijvende kracht (behoeftevervulling; natuurlijke evolutie). Biodiversiteit
is gedefinieerd als de variatie aan levensvormen die het gevolg is van
evolutie, net zoals levenswelzijn bepaald wordt door de variatie aan positieve
gevoelens die het gevolg is van behoeftevervulling. Natuurlijkheid komt dan
overeen met bewustzijn: een normaal, noodzakelijk en natuurlijk gedrag is voor
de biodiversiteit te vergelijken met wat een intense, positieve en bewuste ervaring
is voor het levenswelzijn. De waardevolle biodiversiteit zou ernstig dalen als
een bepaald gedrag dat natuurlijk, normaal en noodzakelijk is, universeel
verboden zou worden (universeel, want je moet de duim plaatsen tegen de
ringvinger). Als bv. een dolfijn niet zou mogen jagen om te overleven, dan mag
niemand dat, en dan sterven alle roofdieren uit, met als gevolg een veel te
groot verlies aan biodiversiteit.

De ringvinger genereert een vierde principe van gelijkwaardigheid: elk wezen mag in gelijke mate natuurlijk,
normaal en noodzakelijk gedrag vertonen (maar moet wel telkens de minst
schadelijke optie kiezen). Bv. als een prooi mag eten om te overleven, dan mag
een roofdier dat ook.

Het ringvingerprincipe
komt overeen met een ecologische, niet-individualistische ethiek, waarbij we
intrinsieke (niet-instrumentele) waarde toekennen aan een eigenschap
(biodiversiteit) van een holistisch geheel (een ecosysteem).

Naast het
roofdierprobleem is er nog een prooiprobleem: we mogen prooien redden, maar mogen
we ook partijdig zijn (en een voorkeur geven van het redden van ons kind dat
aangevallen wordt)? Dit probleem is gelijkaardig aan het bekende brandend-huis
dilemma, waarbij je slechts één iemand kunt redden: jouw kind, of iemand anders
(bv. een ander kind of een hond). Het is geen discriminatie als je je eigen
kind redt (het is bv. geen racisme als je je eigen kind redt in plaats van een
kind met een andere huidskleur), zolang het volgende, vijfde principe
gerespecteerd wordt.

De pink (getolereerde
partijdigheid en de waarde van persoonlijke relaties)
: bij het helpen van anderen mag je een beetje
partijdig zijn ten voordele van je dierbaren (met wie je een persoonlijke
relatie voelt), als je tenminste bereid bent gelijkaardige niveaus van
partijdigheid van iedereen te tolereren (iedereen, want je moet de duim
plaatsen tegen de pink). Als jij jouw dierbare mag redden, dan mag ik mijn
dierbare redden en mag jij dat niet moreel veroordelen.

Net zoals de kleine
pink een klein beetje kan afwijken van de andere vingers, mag je dus een klein
beetje afwijken van het maximaliseren van levenswelzijn.

De pink genereert een
vijfde principe van gelijkwaardigheid: iedereen mag een gelijkaardig niveau van
partijdigheid vertonen. Als je ervoor kiest om wezen X te helpen in plaats van
wezen Y, en als je moet tolereren dat iemand anders de keuze maakt om wezen Y
te helpen, dan is er een getolereerde keuzegelijkwaardigheid tussen X en Y
(zelfs al is wezen X gevoelsmatig belangrijker voor jou dan wezen Y).

Het pinkprincipe komt
overeen met een feministische zorgethiek die focust op persoonlijke (zorg)relaties.

Zonder de pink zou ons
ethisch systeem erg veeleisend worden: we zouden dan bereid moeten zijn elke
vorm van emotionele ongelijkwaardigheid te onderdrukken, en we zouden dan
bereid moeten zijn om even goed voor anderen te kiezen als voor onze eigen
dierbaren.

De pink is coherent
met verschillende intuïties en houdt ook verband met het middelvingerprincipe:
als ik jouw keuze om jouw dierbare in plaats van mijn kind te redden niet zou
tolereren, dan zou ik jou niet letterlijk gebruiken,
maar nog wel beschouwen als louter
middel (jouw aanwezigheid is noodzakelijk om mijn kind te redden, en je zou
iets moeten doen dat je liever niet wil, want je zou liever je eigen kind
redden). We moeten bepaalde vormen van partijdigheid tolereren willen we niet
iemand beschouwen als louter middel.

De vijf morele vingers
kunnen we toepassen op de productie en consumptie van dierlijke producten. Het
welzijns-wijsvingerprincipe is geschonden omdat veedieren qua welzijn in een
veel lagere positie zitten dan mensen die dierlijke producten eten en omdat het
verlies aan welzijn bij dieren door opsluiting en vroegtijdige dood groter is
dan het verlies van welzijn wanneer wij geen dierlijke producten meer kunnen
eten. Het middelvingerprincipe is geschonden omdat vissen en veedieren gebruikt
worden als louter middel: het lichaam van de dieren wordt gebruikt op een manier
dat die dieren niet willen. Noch het ringvingerprincipe noch het pinkprincipe
kunnen ingeroepen worden om veeteelt te rechtvaardigen, want dierlijke
producten zijn niet noodzakelijk voor ons (de biodiversiteit zal niet dalen als
wij geen dierlijke producten meer zouden eten, omdat we perfect gezond
veganistisch kunnen eten en een mondiale veganistische landbouw
milieuvriendelijker is dan veeteelt), en we zouden nooit de mate van
partijdigheid die nodig is om de veeteelt te rechtvaardigen, tolereren. Hieruit
volgt dat veganisme ethisch consistent is, en dat veeteelt en visserij dat niet
zijn. Volgens het duimprincipe moeten we het goede voorbeeld geven en zou veganisme
dus onze morele plicht zijn.

De metafoor van het standaardmodel
van krachten

Net zoals in de fysica
er verschillende krachten zijn (uitgedrukt in het standaardmodel), zo vormen de
ethische principes verschillende morele krachten die elkaar kunnen tegenwerken.
Het tegenwerken van krachten maakt een systeem nog niet inconsistent. We kunnen
dus nog niet zeggen dat het ethisch systeem van de morele hand inconsistent is.
 

Om een inzicht in de
werking van de ethische principes te krijgen, kunnen we ze wiskundig
uitdrukken: het wijsvingerprincipe genereert een (complexe) functie van het
levenswelzijn van alle huidige en toekomstige voelende wezens, de middelvinger
genereert een extra term die sterk negatief wordt als iemands basisrecht wordt
geschonden, en de ringvinger genereert een derde term voor de morele waarde van
biodiversiteit.

De metafoor van het morele landschap

We kunnen ons dit
alles voorstellen als een (multidimensionaal) moreel landschap met bergen en
dalen, waarbij de bergtoppen de beste situaties zijn. Een regel die ons (bij
universele naleving van die regel – zie het duimprincipe) bergop leidt richting
een bergtop, is een betere regel dan een regel die ons bergaf naar een dal
brengt. Met behulp van het pinkprincipe kunnen we begrijpen welke regels en
handelingen verboden, toegelaten en verplicht zijn.

Het is verboden om in
het morele landschap te dalen door welzijnsverlies of biodiversiteitsverlies te
veroorzaken of door iemands basisrecht te schenden. Het is toegelaten om te
stijgen, maar we hebben niet altijd de plicht om het pad te nemen met de
sterkste stijging richting de top. We mogen stijgen in de richting die we het
liefst willen, we mogen volgens het pinkprincipe partijdig zijn en onze
dierbaren (of onszelf) helpen, zelfs al zouden we nog meer levenswelzijn kunnen
genereren door bijvoorbeeld de wezens met het laagste levenswelzijn te helpen.
Wanneer heb je wel de plicht om te helpen en een steiler pad te nemen? Stel dat
het helpen van de minst bedeelden meer levenswelzijn genereert dan het helpen
van je dierbaren of het opzoeken van eigen genot. Stel dat je daarom gedwongen
wordt om de minst bedeelden te helpen, terwijl je liever een voorkeur geeft
voor je eigen genot of je eigen dierbaren. Dan zou je basisrecht geschonden
worden, waardoor we dalen in het morele landschap. Maar daar tegenover staat
dat de hulp die jij onder dwang toedient extra levenswelzijn genereert,
waardoor er een stijging is in het morele landschap. Als die stijging van
(veralgemeend gemiddeld) levenswelzijn sterker is dan de daling door de
basisrechtschending, dan wil dat zeggen dat je wel de plicht hebt om die minst
bedeelden te helpen, en dat je daartoe zelfs gedwongen mag worden. Zo mag je
dus nog wel gedwongen worden om bv. een redelijke hoeveelheid belastingen te
betalen voor goede doelen.

Conclusie

Het ethisch systeem
van de morele hand is consistent en coherent, net zoals de oplossing van een
kruiswoordraadsel. Wat niet consistent is, is bv. de speciesistische morele
intuïtie dat een mens moreel waardevoller is dan een dier. Dit is inconsistent
met bv. een antiwillekeurprincipe: men mag niet zomaar naar willekeur anderen
minderwaardig beschouwen, en als jij jouw slachtoffers (bv. veedieren) naar
willekeur mag kiezen, dan mag iedereen dat, en dat kunnen we niet willen. De
morele intuïtie van speciesisme is daarom een morele illusie, net zoals een
Müller-Lyer optische illusie.

Een praktisch gevolg
van de ethiek van de morele hand is onder andere een morele plicht om
veganistisch te leven. Deze plicht is een logisch gevolg van de ethische
principes die het dichtste aansluiten bij de sterkste en meest samenhangende
morele waarden en basisoordelen die gedeeld worden door heel veel personen (ook
diegenen die nog dierlijke producten eten). De consumptie van dierlijke
producten botst met onze gedeelde morele waarden.

Het doctoraat van Stijn Bruers werd
gepubliceerd bij Lambert Academic Publishing en is als gratis e-book te vinden
op stijnbruers.wordpress.com/publicaties

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!