De manie van het neoliberalisme
Opinie, Nieuws, Samenleving, Mohamed El Khalfioui, Barack Obama, HOOP OPTIMISME - Bram Ieven

De manie van het neoliberalisme

In zijn pleidooi “geef mensen hoop, maar geen optimisme” vergeet Mohamed El Khalfioui één ding: een werkbare definitie van hoop, die meteen ook duidelijk maakt waarin die hoop verschilt van neoliberaal optimisme. Optimisme neerzetten als een passieve houding en hoop als een actieve houding, is nog niet voldoende volgens mij.

donderdag 9 januari 2014 17:30

El Khalfioui heeft wat mij betreft gelijk in zijn analyse van onze samenleving als een neoliberaal regime waarin de dwang tot optimisme domineert. Maar die dwang (het woord zegt het al) is ingebed in een totale wanhoop: het gevoel dat er niets kan veranderen, dat wij toch niets kunnen beginnen tegen het economische en sociale systeem – ongeacht of ‘wij’ het individu, de stad, de staat of de internationale gemeenschap is. Ik beschrijf dat optimisme daarom liever als de manie van het neoliberalisme: een volstrekt overdreven enthousiasme op een woelige zee van wanhoop en woede.

Kapitalisme: zonder geschiedenis en zonder toekomst

Een stevige stelling om te beginnen: het kapitalisme kent geen geschiedenis en geen toekomst. Het kent geen geschiedenis, omdat het draait in vicieuze cirkels van uitbreiding en intensivering gevolgd door kapitaaldestructie gevolgd door uitbreiding en intensivering gevolgd door… Om die cirkelbeweging vol te kunnen houden, is het noodzakelijk om zonder geschiedenis te leven. Dat wil zeggen: het kapitalisme stelt de cirkel van expansie en destructie voor als ofwel een natuurlijk gegeven (en dus los van de geschiedenis) of als het resultaat van een geschiedenis waar inmiddels een eind aan gekomen is. 

De mythe van het einde van de geschiedenis is één van de beste voorbeelden van de weerzin voor geschiedenis eigen aan het kapitalisme. Aan het begin van het laatste decennium van de twintigste eeuw, zo beweerde de liberale denker Francis Fukuyama destijds in zijn boek The End of History and the Last Man (1992), zijn we politiek-economisch eensgezind: kapitalisme is het enige werkbare economische systeem, democratie is het politieke regime dat dit economische systeem in goede banen moet leiden (of we dit democratie kunnen noemen laat ik gemakshalve even buiten beschouwing). De geschiedenis was volgens hem afgelopen, niet omdat er nooit meer een opstootje zou plaatsvinden of omdat autoritaire regimes voor altijd de wereld uit waren, maar omdat tegenbewegingen nooit meer de slagkracht of bijval zouden krijgen die ze ooit hadden. Ze zijn slechts kiezels in een vijver van kapitalistische consensus.

Maar wie geen geschiedenis meer heeft, heeft ook geen toekomst meer. En daar is het ons neoliberale regime nu juist om te doen: de samenleving doen geloven dat er geen andere toekomst meer mogelijk is; dat werkelijke verandering, hoe graag we die ook willen, nu eenmaal onmogelijk is. Binnen deze context is het neoliberale optimisme in het beste geval ijdele peptalk (‘niet bij de pakken blijven zitten!’, ‘kom op!’) en in het slechtste geval een manie die de samenleving in zijn greep heeft (‘yes we can!’).

Mania betekent in het Grieks en Latijn woede of drift. Wanneer we vandaag spreken over manie, dan doelen we meestal op overdreven enthousiast gedrag dat veroorzaakt wordt door een onderliggende woede of wanhoop. Manie laat ons juist daarom heel makkelijk het tweekoppige monster van het hedendaagse populisme begrijpen: enerzijds ressentiment en woede (de PVV in Nederland, bijvoorbeeld), anderzijds dwangmatig en inhoudsloos enthousiasme (Obama in 2008).

Obama’s manie

De Obama die in 2008 aan de horizon verscheen, was meer dan een dosis Amerikaanse peptalk. Hij gaf gestalte aan de manie. En minstens zo belangrijk, hij was van meet af aan een neoliberaal.

Wie de Obamamanie begreep als een tegenbeweging die een einde wilde maken aan de wildgroei van kapitaal, vergiste zich. Obama was duidelijk over zijn beleidsvisie, hij wilde de VS net als Ronald Reagan (president van de VS van 1981 tot 1989) een nieuwe economische impuls geven. Al in een vroeg stadium in zijn verkiezingscampagne wijst hij Reagan aan als zijn voorbeeld. In een televisie-interview zegt hij:

‘I think Ronald Reagan changed the trajectory of America in a way that Richard Nixon did not and in a way that Bill Clinton did not. He put us on a fundamentally different path because the country was ready for it (…). I think he just tapped into what people were already feeling, which was we want clarity, we want optimism, we want a return to that sense of dynamism and entrepreneurship that had been missing.’ (Overgenomen uit in Tariq Ali, The Obama Syndrom, Verso: London 2010, p. 14)

De slogan en het beleid van Obama staan in het teken van dynamiek en ondernemerschap. Die dynamiek blijft verder zonder inhoud, en is zeker niet gericht op verandering. Geen geschiedenis maar kapitaal, als het u belieft.

Dat was ook opvallend aan Obama’s slogan voor zijn verkiezingscampagne in 2008. Yes we can! Niemand stelde zich de vraag wat het is dat wij kunnen. Veranderen? Het beleid van Obama was van meet af aan niet op echte verandering gericht. Dat zijn slogan gespeend is van enige inhoud, is betekenisvol. Het wijst erop dat Obama geen toekomstbeeld had of heeft, geen idee van waar we werkelijk naartoe moeten, maar enkel energie tracht te verzamelen. Zo creëerde hij vaart, dynamiek, een momentum waarin hij zijn overwinning kon behalen, waarin hij een beleid van hernieuwde economische dynamiek zou kunnen verwezenlijken. Dit was geen politiek, maar een neoliberaal moment.

Optimisme van het antikapitalistische intellect

Wanneer we het neoliberale optimisme als een manie begrijpen, dan wordt iets duidelijk. In tegenstelling tot wat El Khalfioui schrijft over het optimisme, houdt de manie wel rekening met de machtsstructuren en sociaaleconomische verhoudingen in onze maatschappij. Die manie is immers vooral een andere vorm die we geven aan de maatschappelijke en economische wanhoop die we ervaren.

Hier zit dan ook de dubbele angel van het regime waarin we vandaag leven. Het neoliberalisme van vandaag produceert tegelijkertijd de totale wanhoop waarin we verkeren (‘er is geen alternatief voor kapitalisme!’) én het dolgeslagen enthousiasme van het ondernemerschap, van de dynamiek, van de ‘yes we can!’. Beide zijn zonder inhoud, dat wil zeggen, zonder geschiedenis. Wat wij nodig hebben? Juist. Geschiedenis. En dus ook toekomst.

De Italiaanse communist Antonio Gramsci (1891-1937) nam ooit als adagium: pessimisme van het intellect, optimisme van de wil. Misschien is het vandaag tijd om deze uitspraak om te keren: pessimisme van de wil, optimisme van het intellect. Dat zou betekenen dat we optimistisch zijn over onze mogelijkheden om te leren uit de tegenbewegingen van de afgelopen decennia (Seattle 1999, Occupy, …) en dat we optimistisch zijn over de mogelijkheid om een geschiedenis en een toekomst op touw te zetten. Want wanneer wij wel een geschiedenis van verzet hebben, dan hebben we ook een toekomst. Over de wil blijven we dan voorlopig even pessimistisch, want zonder blik op de geschiedenis laat die zich vandaag al te makkelijk omvormen tot een manische beaming van het neoliberale regime.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!