Opinie, Nieuws, Cultuur, België, Bart de wever, Dossier N-VA -

Bart De Wever provoceert cultuurscène

De Wever provoceert opnieuw de cultuurscène, maar tracht het ditmaal in haar jargon te doen. Helaas, zo zet Jan De Zutter zijn argumenten op een rij, doet hij dat door een heleboel begrippen uit de kunsttheorie door elkaar te haspelen.

woensdag 26 december 2012 12:20

Toekomstig burgemeester van Antwerpen Bart De Wever (N-VA) presenteerde ons een vrij ingewikkelde analyse over de rol en functie van kunst (‘Afbreken om op te bouwen’, DS 22 december). Omdat hij wat minder duidelijk is dan gewoonlijk – hij heeft het ditmaal niet over ‘idioten’ – is het wat zoeken naar de pointe. Het komt erop neer dat al die overgesubsidieerde kunstenaars, die leven van de vetpotten van het cultuurbeleid, nu maar eens verantwoording moeten afleggen voor wat ze met ons belastinggeld uitvreten. De Wever provoceert opnieuw de cultuurscène, maar tracht het ditmaal in hun jargon te doen. Hij doet dat helaas door een heleboel begrippen uit de kunsttheorie door elkaar te haspelen.

Volgens De Wever is het nutsdenken – iets moet een sociaal nut hebben – het gevolg van de onttovering van de wereld, die opgang maakte toen het rationele denken de overhand nam op een magisch denken. Alsof kunst voor die periode geen nutsfunctie gehad zou hebben. De retabels die Vlaamse kunstenaars maakten, de ontwerpen voor kerken, abdijen, de grote architecturale bouwwerken, ze hadden allemaal een sociale, economische of politieke functie. Kunstenaars werkten bijna altijd in opdracht van kerkelijke of wereldlijke overheden, of werkten voor private verzamelaars.

Het nieuwe nutsdenken kwam in botsing met de kunst, stelt De Wever. Dat is een merkwaardige conclusie omdat kunst in West-Europa al eeuwenlang doordrongen was van het nutsdenken. De Wever ziet die ‘botsing’ tot uiting komen in l’art pour l’art, een kunsttheoretische visie die hij gelijkstelt met ‘de autonomie van de kunst’. Ook hier weer haspelt hij begrippen uit de kunsttheorie door elkaar. L’art pour l’art en ‘autonomie van de kunst’ zijn geen inwisselbare begrippen. Kunst waarderen om haar intrinsieke esthetische kenmerken, gaat ervan uit dat de kwaliteiten van een kunstwerk in zijn vormeigenschappen zelf te vinden zijn. Maar ook een ‘nuttig kunstwerk’ – zoals het Arnolfiniporttret van Jan van Eyck, dat behalve een schilderij ook een huwelijksakte is – beschikt over vormeigenschappen. Die kunnen ook wegens hun intrinsieke esthetische kwaliteiten gewaardeerd worden. L’art pour l’art staat niet lijnrecht tegenover het nutsdenken.

Ook ‘autonomie’ verwijst als begrip in de kunsttheorie naar iets helemaal anders dan wat De Wever ermee bedoelt. Volgens De Wever heeft autonomie betrekking op de kunstenaar – ‘als onafhankelijke observator, los van elke gemeenschap, met een verheven kijk’. In de kunsttheorie verwijst autonomie echter niet naar de kunstenaar, maar naar het kunstwerk. Een autonoom kunstwerk verwijst alleen naar zichzelf, en niet naar de realiteit daarbuiten. In een heteronoom kunstwerk, zoals de bloemstukken van Jan Breughel of het Arnolfiniportret van Van Eyck, verwijst de picturale inhoud naar échte bloemen of een echte persoon. In een autonoom kunstwerk, zoals het witte vierkant op een witte achtergrond van Kazimir Malevitsj, verwijst het werk naar niets buiten zichzelf. Het suprematisme van Malevitsj – de suprematie van de zuivere ervaring in de beeldende kunst – is het hoogtepunt en wellicht ook het eindpunt van de ‘autonomie van de kunst’.

En dat doet maar zijn goesting

Er is een reden waarom De Wever goochelt met begrippen uit de kunsttheorie. ‘Autonome kunstenaars’ zijn voor hem lieden die ‘hun goesting doen’ en geen verantwoording willen afleggen aan hun ‘opdrachtgevers’, namelijk de subsidiërende overheid. Zij die bijdragen aan kunst en cultuur eisen volgens De Wever verantwoording voor wat er met hun belastinggeld gebeurt, terwijl de ‘autonome’ kunstenaar dat net niet wil geven.

Met l’art pour l’art bedoelt hij net hetzelfde: kunstenaars die geen rekening willen houden met de sociale omgeving, maar in hun ivoren torentje volstrekt onbegrijpelijke dingen produceren. Volgens De Wever heeft kunst bovendien een ‘gevestigde macht nodig die de voorwaarden schept waarbinnen het artistieke zich kan ontwikkelen’. Hij laat ons geloven dat die gevestigde orde – het Belgische bestel – op losse schroeven staat. Dat ‘heeft gevolgen voor de kunstenaars die zich erdoor beschermd weten en bijgevolg in een behoudsgezinde kramp schieten.’ Kunstenaars weten zich helemaal niet beschermd door België. Kunst en cultuur zijn al lang Vlaamse bevoegdheden.

Wat is het nu?

Zo banjert De Wever maar door in de hoop ons te verduidelijken dat kunstenaars maar beter een toontje lager zingen. Daarom verrast zijn slotbetoog ook zo. Daarin besluit hij dat de kunst ‘bij voorbaat verloren heeft’ als zij zich ‘laat rechtvaardigen door het politieke, het sociale of het economische’. Hoe hij dat kan concluderen uit zijn betoog, is een volstrekt raadsel. Wat wil hij nu? Een kunstproductie die zich moet rechtvaardigen tegenover de buitenwereld, in dit geval de belastingbetaler, of een kunstproductie die zichzelf rechtvaardigt? In beide gevallen verliest de kunst en eindigen we in een totaal nihilisme. Want ofwel rechtvaardigt de kunst zichzelf en dan stelt ze zich volgens De Wever buiten de sociale realiteit. Ofwel wordt ze gerechtvaardigd door het politieke, het economische en het sociale, en dan is de kunst bij voorbaat verloren. Dat is inderdaad de totale afbraak, zonder iets op te bouwen. Dan rest ons de leegte.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!