Opinie, Nieuws, Economie, België, Staking -

Eindeloopbanen en belastend werk

Onder druk van de algemene staking wil de regering sleutelen aan de ingrijpende pensioenhervorming. Er zijn best wel een aantal objectieve redenen om de maatregelen te versoepelen, schrijven drie sociale wetenschappers. In België is de levensverwachting in goede gezondheidstoestand voor een man zonder diploma 18 jaar lager dan voor een man met een hogere opleiding.

maandag 6 februari 2012 16:44

Maandag 30 januari legden de vakbonden een deel van het land plat, en daarover circuleerden nogal veel uitingen van verontwaardiging, onbegrip en ongenoegen. De staking was wellicht vervelend voor u, en misschien zijn de eindeloopbaanmaatregelen van de regering voor u persoonlijk geen punt, of ten minste een aanvaardbaar punt.

Was de staking overbodig?

Prima. Maar was deze staking daarom ook overbodig denkt u? Mogen we toch even stilstaan bij de maatschappelijke impact van de maatregelen die aangekondigd werden, desgevallend los van uw persoonlijke situatie?  Zijn er dan echt geen elementen die als aanleiding voor protest en als argument voor bijsturingen kunnen tellen? Misschien zijn er toch enkele elementen die tot nog toe wat onderbelicht zijn gebleven in het eindeloopbaandebat. Misschien geven die elementen zelfs een grond van verklaring, van begrip en – wie weet – zelfs van empathie en steun voor de stakers.

Even recapituleren. De aangekondigde regeringsmaatregelen van eind december 2011 gaan uit van een lineaire verlenging van de loopbanen van alle werknemers, ongeacht hun arbeidsvoorwaarden en gezondheidstoestand. De leeftijds- en loopbaanvoorwaarden om te kunnen genieten van het brugpensioen, ondertussen omgedoopt tot “werkloosheid met bedrijfstoeslag”, worden immers opgetrokken. Vanaf 2015, worden de verschillende stelsels  gelijkgesteld met de regel 60 jaar / 40 jaar loopbaan . Toegang tot het vervroegd pensioen zal ook moeilijker zijn: 62 jaar (i.p.v. 60 jaar) en 40 jaar loopbaan (i.p.v. 35). Het halftijds brugpensioen wordt afgeschaft en in 2015 ondergaan de specifieke brugpensioenstelsels voor zware beroepen hetzelfde lot.

Zijn deze maatregelen rechtvaardig? Een veel gebruikt argument ter verdediging is dat de algemene levensverwachting nu eenmaal is toegenomen en dat we bijgevolg moeten aanvaarden dat we met zijn allen langere loopbanen zullen moeten presteren. Mogen we toch een paar kritische vragen opwerpen? Bijvoorbeeld: die lineaire verlenging van de loopbanen geldt voor zowat iedereen, maar geldt die verhoging van de levensverwachting ook voor iedereen? Wordt iedereen op dezelfde manier geraakt door de aangekondigde maatregelen? Kan er niet terecht gewezen worden op het feit dat er zoiets is als sociale ongelijkheid, zeker wat betreft  arbeidsomstandigheden en arbeidsinhoud? En dat die ongelijkheid maakt dat sommigen véél harder geraakt worden dan anderen door het optrekken van de leeftijd waarop men de arbeidsmarkt verlaat? Dient aan het debat over de eindeloopbanen dan niet ook een debat over arbeidsomstandigheden en arbeidsinhoud gekoppeld te worden? Heeft u eigenlijk al ooit bij deze vragen stilgestaan? Staat u ons even toe?

Over spectaculaire verschillen in levensverwachting en andere sociale ongelijkheid

Eerste puntje. Sociale ongelijkheid komt onder meer tot uiting in kapitaalkracht, arbeidsinhoud, arbeidsomstandigheden, in sociale status maar ook in gezondheid en levensverwachting. Zo zijn er bijvoorbeeld vrij spectaculaire verschillen in de levensverwachting in goede gezondheid tussen de slechtst en de best opgeleide werknemers, en deze verschillen kunnen in ons land oplopen tot 18 jaar. Er zijn dus aanduidbare categorieën van mensen in de samenleving die veel harder geraakt worden dan anderen door lineaire maatregelen ter verlenging van de loopbanen. Het argument van stijgende levensverwachting gaat voor hen in elk geval in veel mindere mate op.

Over de geldigheid van het beeld van de jonggepensioneerde flierefluiters

Een tweede puntje. In het eindeloopbaandebat wordt misschien onbewust al te vaak een beeld opgehangen van kwieke, jonggepensioneerde flierefluiters met een gevulde geldbuidel op kap van de werkende bevolking. Zou het de moeite zijn om na te gaan of  dit beeld eventueel een klein beetje genuanceerd moet worden? Het schijnt met name zo te zijn dat oudere werknemers vaker slachtoffer zijn van arbeidsongevallen en ook vaker kampen met een blijvende arbeidsongeschiktheid, gepaard gaande met zwaardere gevolgen en letsels. Ook het risico op beroepsziekten dreigt te verscherpen bij een verlenging van de beroepsloopbaan ten minste voor bepaalde beroepscategorieën, omdat de kans op beroepsziekte afhangt van het aantal jaren blootstelling aan oorzakelijke factoren. Wordt aan dit soort perverse gevolgen van arbeid en leeftijd wel voldoende aandacht besteed? Er zijn best wel wat mensen die hun brood verdienen ten koste van hun leven of ten minste toch hun levenskwaliteit. Dat beeld van de kwieke levensgenietende jonggepensioneerde wordt wel vaak verondersteld, maar het is wellicht niet zo algemeen geldend als graag wordt aangenomen.

Bij bepaalde categorieën werknemers dreigt men bovendien een verschuiving van kosten naar de sociale zekerheid eerder dan een daadwerkelijke besparing te realiseren. Wat dit betreft, zijn er een paar sprekende statistieken van het RIZIV die onlangs werden meegedeeld door Staatssecretaris Philippe Courard in zijn algemene beleidsnota. Volgens het RIZIV wordt het aantal erkende mindervaliden in 2015 op 300.000 geschat, een toename met 44 procent over tien jaar. Hetzelfde voor het aantal arbeidsongeschikten (minstens een jaar ziekteverlof), dat ook constant is blijven stijgen tot 399.075 in 2010. Als verklaring voor deze cijfers werden aangehaald: de werk- en productiviteitsdruk, slecht aangepaste arbeidsomstandigheden en –duur (vooral voor vrouwen) en de demografische evolutie van vergrijzing.

Is het in dergelijke omstandigheden zo vreemd dat er verzet rijst? Is het zo onaanvaardbaar dat mensen vragen een beter onderscheid te maken tussen de uittredingsstelsels in functie van de specifieke kenmerken van de loopbanen, arbeidsinhoud en arbeidsomstandigheden? Gezondheid en levensverwachting zijn gekoppeld aan arbeidsomstandigheden en aan de inhoud van het werk dat mensen doen. Als hervormingen sociaal rechtvaardig willen zijn, kunnen zij dan wel aan deze simpele vaststelling voorbij gaan? Het debat over de eindeloopbanen moet gevoerd worden, en uit dat debat moeten maatregelen voortkomen, niet alleen op het vlak van verlenging van loopbanen en schrappen van uitstapregelingen, maar ook op het vlak van arbeidsomstandigheden en arbeidsorganisatie. Anders slingert het probleem straks als een versnelde boomerang op ons af.

Tussen haakjes, met ‘ons’ bedoelen we ook de jongeren, want voor hen geldt binnenkort dat periodes van afwezigheid en tijdskrediet niet langer volledig gelijkgesteld worden in de berekening van het wettelijk pensioen. Er is een grote nood aan een breed denkproces over de evolutie van de arbeidsomstandigheden en de arbeidsorganisaties waarbinnen mensen een groot deel van hun leven spenderen. Als de staking van maandag daartoe een aanzet heeft gegeven, dan zal zij niet voor niets zijn geweest.

Estéban Martinez is doctor in de sociale en politieke wetenschappen, professor arbeidssociologie aan de ULB.
Geert Van Hootegem is professor aan de KU Leuven, Centrum voor Sociologisch Onderzoek sociologiques.
Seth Maenen is doctor in de sociologie, KU Leuven, Centrum voor Sociologisch Onderzoek.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!