Nieuws, Europa, Politiek, Nederland, Populisme, Bas Heijne -

Wij moeten niet van elkaar houden

Dat Nederland meer in de ban is van het populisme dan Vlaanderen, hoeft geen betoog. Het land is waarschijnlijk tot zijn eigen spijt gidsland op dit vlak: Pim Fortuyn maakte komaf met paars en nu zet superpopulist Wilders zowat elke zekerheid op de helling. Degelijke analyses van het populisme uit Nederland zijn dan ook meer dan welkom.

dinsdag 14 juni 2011 17:04

Daarbij hoort ook het essay van Bas Heijne Moeten wij van elkaar houden. Het populisme ontleed (De Bezig Bij, 2011).

De titel vat meteen de kijk van de auteur op de gewijzigde tijdsgeest samen. Hij herinnert zich uit zijn jeugd een videoclip bij muziek van Michael Jackson, waar mensen van alle huidskleuren en rassen elkaar de hand geven. Dit beeld toont het naoorlogse Verlichtingsoptimisme: alle mensen zijn gelijk en door deze menselijke verbondenheid zien we elkaar graag. Ondertussen is deze evidentie een vraag geworden: moeten we en kunnen we wel van elkaar houden? Het universele zoals we dat terug vinden in mensenrechtenverklaringen –we zijn allemaal mensen en dus gelijk – blijkt minder evident als je buren zich niet terugvinden in de waarden van gelijkheid of tolerantie.

Met dit laatste voorbeeld maakt Heijne duidelijk dat de vertrouwde wereld van enkele decennia terug bedreigd wordt van alle kanten: door de stijgende zeespiegel, door de wereld (globalisering), door de ander (migratie). De gewaarwording van de nieuwe situatie vereist niet alleen een nieuw bewustzijn, maar ook nieuwe vormen van verbondenheid en identiteit. Anders zal het fundamentele onbehagen niet verdwijnen en behouden populisten vrij spel. Deze laatste weten trouwens het beste op nog een maatschappelijke verschuiving in te spelen: het primaat van de individuele beleving in tijden van massamedia. Door de overvloed aan informatie verdwijnt paradoxaal de objectieve berichtgeving, we pikken er gewoon uit wat ons goed uitkomt. En omgekeerd gaan we ongeremd onze mening verkondigen op de veelheid aan internetfora en dergelijke. Commerciële massacultuur legt nadruk op primaat van de belevingswereld; zo blijft er nog weinig ruimte over voor abstracte begrippen die boven de eigen kleine wereld staan.

Heijne analyseert messcherp het onvermogen van de progressieven om een antwoord te bieden op de rechtspopulisten en neoconservatieven van deze tijd, of ze nu Pahlin, Sarkozy of Sarrazin heten. Het punt is namelijk dat de tegenstanders van het populisme reageren met abstracte principes (Vrijheid, Gelijkheid, …) maar dit geen enkel effect meer heeft.  We hebben te maken met een cultuurkloof: aan de ene kant een groep die algemene principes probeert toe te passen op een steeds ongelijksoortiger samenleving, in de overtuiging dat dit de samenleving bij elkaar kan houden; aan de andere kant bevindt zich een sterk geïndividualiseerde generatie die vanuit de eigen ervaring opkomt voor haar eigen wereld. Maar tegelijk is niemand immuun voor deze culturele verschuiving: ook voor elk van ons is de nadruk meer komen te leggen op onze eigen persoonlijkheid en hoe we de wereld zelf beleven.

Dat maakt dat een visie op de samenleving die stoelt op een abstract begrip als de rechtstaat niet echt populair is. Deze (objectieve) rechtstaat lijkt namelijk ver verwijderd van onze eigen subjectieve belevingswereld. Voor Heijne moeten we op zoek gaan naar nieuwe manieren om een nieuw vertrouwen in de rechtstaat te kweken, en dat doe je alleen maar binnen de dynamiek van de mediacultuur, op basis van herkenbaarheid, nabijheid en dialoog. Een rijdende rechter die in cafés recht gaat spreken voor de televisiecamera is daar voor hem een voorbeeld van.

In een mediacultuur staan beelden centraal. Als iconisch voorbeeld hoe deze werken, analyseert Heijne de video waarop de Amerikaanse neoconservatieve Sarah Palin geënsceneerd een kariboe dood schiet en slacht, en de reacties erop, als show case voor populisten en de onvermogende reacties uit progressieve hoek er op. Zo was er de schrijver Sorkin die Palin bekritiseerde omwille van haar gretigheid om het dier te doden, maar wel toegaf dat hij zelf vlees at. Heijne stelt dat dit argument toch wel ongemakkelijk zit. Wie vlees eet, kan toch moeilijk bekritiseren dat er dieren worden gedood. Voor Heijne zit hier de essentie van het populisme: ze verwijten ‘links’ dat deze nog altijd een morele hoogstaandheid claimt, terwijl het de harde werkelijkheid glashelder ontkent: Dit nieuwe populisme is een product van de mediale belevingscultuur, het baseert zich op de belevingswereld van de gewone man. Tegelijk claimt het brutale wijze het door de idealen van de Verlichting geïnspireerde idealisme van de voorbije generaties. Heijne ziet hetzelfde stramien in de Lage Landen: ook hier kijkt ‘Links’ weg van de echte problemen en is het pijnlijk vervreemd van de gewone man. Concreet: als je zo multicultureel bent, waarom stuur je dan je kinderen naar een witte school, zo vroeg Bosma, de ideoloog van Wilders, in een bijtend opiniestuk.

Hoe moeten we nu het succes van de populisten verklaren? Heijne zoekt een cultuurhistorische verklaring. Al in de 19de eeuw verschijnt in heel wat romans en opera’s (Wagner) een buitenstaander die de belofte in zich draagt om een moreel verworden gemeenschap nieuw leven in te blazen. Dit zou verwijzen naar een eenvoudige menselijke waarheid: een groep raakt op een gegeven moment altijd opgesloten in zichzelf en heeft een gedreven (zo niet, hoogdravende) buitenstaander nodig om vernieuwing te bewerkstelligen. Tegelijkertijd is het vrije indivividu altijd op zoek naar iets wat groter is dan hijzelf: een gemeenschap. Garantie op succes is er echter niet, zeker niet voor het individu dat de orde verstoort. Voor Heijne past Pim Fortuyn perfect in dit schema. Hij schreef boeken als De verweesde samenleving en vergeleek zichzelf met Mozes die zijn volk naar het beloofde land zou leiden. Na de dood van Fortuyn dacht men het antwoord te vinden in ‘bestuurlijke vernieuwing’, en werd net de essentie van Fortuyn -zijn grotere belofte aan het volk- lacherig weggezet. Of verworpen omdat het enkel kon verwijzen naar volksnationalisme en fascisme.

Voor Heijne wordt zo het kind met badwater weggegooid. Het huidig populisme laat zich nu net niet rationeel verklaren, omdat het heel weinig met redelijkheid te maken heeft. Integendeel: de populistische revoltes zijn in de kern juist tegen de in hun ogen versleten begrippen van de Verlichting gericht: gelijkheid, tolerantie, solidariteit: mensen die dit verdedigen worden keer op keer ontmaskerd als hypocrieten. Daartegenover staan nu menselijke behoeftes: verwantschap, eigenheid, trots; dat gaat gepaard met een groot verlangen naar een zuivere gemeenschap. Of samengevat in één zin: “wat onder vuur ligt is het naoorlogse humanisme zelf”.

Dit humanisme is volgens Heijne blind geweest voor de belangrijkste maatschappelijke evoluties van de voorbije decennia: globalisering en migratie. Terwijl –volgens het zwartwit beeld dat de auteur schetst- het naoorlogse humanisme vasthield aan abstracte begrippen als tolerantie en gelijkheid, werd het concrete leven veel meer onzeker en groeide vormen van angst. Het andere is geen verrijking als die mensen uit die andere cultuur bij je om de hoek komen wonen. Het is een bedreiging. Dit leidde bij de bevolking tot krachten waarvan men dacht dat ze verdwenen waren na 1945: Identiteit, het verlangen naar gemeenschap, de behoefte aan controle … hier staat de progressieveling met de mond open naar te kijken. Of zoals Heijne schrijft: De naoorlogse idealen van sociale gelijkheid en rechtvaardigheid blijken niet langer in staat een natie te binden; in een tijd van vergaande individualisering en migratie zijn die begrippen tot een sleetse mantra geworden.” Alleen vanuit het populisme kwam een luid verhaal, dat de verlichtingsidealen op straat zette: wat moet je met tolerantie als de ander de boel wil opblazen? Overal waar het nieuwe populisme bloeit, richt het zijn pijlen op vreemde elementen die het sociale en culturele weefsel van de samenleving aantasten, maar het keert zich vooral tegen degenen die het laten gebeuren: de zelfgenoegzame progressieve elite (dixit Heijne) die de gewone man altijd aan zijn lot overlaat.

Hier komen we tot de vruchtbare kern van het essay: het nieuwe populisme gaat over identiteit en gemeenschap in tijden van globalisering en immigratie. Twee zaken die de progressieve politiek nooit goed heeft weten te vatten. Om dit verklaren baseert Heijne zich op de auteur Zeev Sternhell die in zijn boek Les anti-Lumières het klassieke beeld van de Verlichting en de tegenbeweging van de Romantiek anders duidt: deze laatste is niet domweg een reactie, maar een volwaardige, tegengestelde denkrichting. Het gaat niet om modernen en antimodernen, maar om twee volwaardige moderniteiten die naast elkaar bestaan. De tweede stroming van de antiverlichtingsdenkers, zag het licht met denkers als Burke en Herder en uit zich nu in de neoconservatieve beweging. Deze vertelt een consistent verhaal: collectief boven individu, gevoel boven rede, volk en cultuur boven een besef van gedeelde menselijkheid. Anders dan het verlichtingsdenken voorstaat, verbindt volgens hen de mensen onderling niet hun menszijn, maar de cultuur waaruit ze afkomstig zijn. Sternhell beschouwt de tweede als een uiting van het kwaad (dat leidt tot de Holocaust). Heijne pleit echter voor een andere houding: de twee opvattingen zijn de uiting van een bij uitstek menselijke worsteling: “Individu en ratio aan de ene kant, gemeenschap en gevoel aan de andere: … ieder wereldbeeld dat de nadruk legt op het een, zal op een gegeven moment geconfronteerd worden met zijn tegenbeeld.” Je moet dus beide stromingen kritisch benaderen en naar waarde schatten.

Dit kader van de twee moderniteiten laat Heijne toe om de hedendaagse situatie te duiden: het naoorlogse idealisme was een ‘mooi weer’ versie van de eerste moderniteit: mensenrechten tegenover cultureel bepaalde leefregels, allemaal abstract geformuleerd en blind voor de concrete realiteit. Zaken die het populisme aanbracht (moeilijke leefsituaties in gekleurde wijken) werden als onredelijk van de hand gedaan. Door alles enkel rationeel te willen duiden, kon het populisme niet worden gevat. Hier voegt Heijne een relevante nieuwe dimensie toe, dat in zijn betoog echter wat uit de lucht komt vallen, en waar hij jammer genoeg verder ook niets mee doet. Het nieuwe populisme is met name niet alleen een reactie op de versnippering die de globalisering met zich meebrengt, het is ook een reactie op de ontkerstende wereld, waarin alles nog maar in economische termen wordt gezien. Globalisering leidt tot zowel naar een verlangen naar eigenheid in een vreemde wereld (reactie op migratie), als tot een reactie tegen de kille, cijfermatige benadering van alles wat een individu bindt aan zijn omgeving (flexibilisering, doelmatigheid, efficiency, …). Met kennis van auteurs als Sennett, die in het boek geciteerd wordt, had dit thema beter in de verf gezet kunnen worden.

Als we onze ogen openen voor de reële onvrede bij mensen, kunnen we ook met een andere blik naar fenomenen kijken als de internetsites (van kranten bv.) . Het is dan niet louter een plek van plat populisme, maar tegelijk de verzamelplaats van ongebonden individuen die om binding schreeuwen. Ze richten zich tegen iedereen die anders is, hun mondigheid verwoordt een woede waarachter een groot gevoel van onmacht schuilt. Deze moet je begrijpen, maar daarom niet vergoelijken.

Voor Heijne is het fout gegaan toen, na de val van het communisme ook het ideologische denken zelf was verdwenen. Zo verdween ook de zelfkritische ingesteldheid, de principes van de Verlichting werden dogma’s waar een gevoel van superioriteit aan werd verleend, zo werd men blind voor de grote blinde vlek van het hernieuwde verlangen naar gemeenschap en identiteit in een versnipperde wereld. Heijne schuwt hier de grote woorden niet: “Je kunt het nieuwe, mediabewuste populisme zien als enkel een broodnodige correctie op het gestolde idealisme van een progressieve elite – maar dan ga je voorbij aan de ware aard ervan. Daarachter gaat een heftig verlangen schuil, het verlangen naar oerkrachten in een al te geciviliseerde wereld, het verlangen om af te rekenen … met het verlichtingsdenken zelf.“ Elke algemeen geldend principe wordt afgedaan, het enige wat telt is nog je eigen belevingswereld. Of preciezer: deze principes worden niet meer als zinnig beschouwd, ze gelden alleen nog voor de eigen gemeenschap. Vrijheid en gelijkheid zijn voor iemand als Wilders relatieve begrippen geworden: het gaat om onze vrijheid, onze cultuur, onze manier van leven, tegenover bv. een achterlijke islam. Ze zwalpen steeds tussen de twee moderniteiten.

Hier ligt voor Heijne een opdracht: we moeten de Verlichtingsbegrippen opnieuw betekenis geven. De twee uitersten (moderniteiten) zijn beide in hun extreem gevaarlijk: “Tussen die twee smadelijke uitersten moet hij nu ferm positie kiezen.” Jammer genoeg eindigt hier het boek inhoudelijk. Wat volgt is een prozaïsch slothoofdstuk, waar eigen ervaringen van de auteur verweven worden met literaire en bijbelteksten. Zeer mooi om te lezen, maar sterk verwijderd van elke structurele analyse; laat staan dat het een antwoord geeft op de uitdagingen die de populisten ons stellen….

Hebben we iets aan dit esay van Heijne? Zeer zeker, het geeft op weinig pagina’s een heldere analyse die ons inzicht in de huidige samenleving aardig opkrikt. Zo wordt duidelijk waarom iemand als de liberale politicus Karel De Gucht zo weinig impact heeft. Van tijd tot tijd haalt hij de grote Verlichtingsprincipes boven om eens goed uit te halen naar populisten en volksnationalisten. Maar zijn hyperrationeel betoog is totaal vervreemd van de reële maatschappelijke discussie waar het gaat over culturele verbondenheid en verlangen naar identiteit en zekerheid.
En ook het verzet van de groene partij, bij monde van Kamerlid en mensenrechtenspecialiste Eva Brems, tegen de nieuwe wet op de gezinshereniging krijgt zo een helder kader. Brems stelt terecht aan de kaak dat de centrumpartijen (van rechts tot de sociaaldemocraten!) die de wet stemde, de mensenrechtenverklaringen naast zich neer leggen. Iets wat ten andere ook de Orde van Advocaten voor waarschuwde. Deze centrumpartijen doen dat omdat ze, in feite net als Wilders, de Verlichtingsidealen privatiseren: ze worden naar eigen goeddunken gehanteerd (voor de eigen groep) of genegeerd (om andere groepen buiten te houden). Zo wordt het universele karakter – trouwens vreemd dat Heijne die term nooit hanteert – van mensenrechten opzij geschoven om een flink antwoord te kunnen geven op de ‘signalen van volk’. Een helaas sterke illustratie van hoe het populisme alle centrumpartijen grondig heeft besmet.

Toch bevat de analyse van Heijne ook structurele manco’s die misschien ook verklaart waarom het boek stopt bij de analyse. Het is alsof de auteur schrikt heeft zich te verbranden aan welk constructief voorstel dan ook. Sterker nog: hij schrijft over de existentiële onvrede – de voedingsbodem van het populisme- dat de politiek ze niet kan oplossen maar ze wel kan exploiteren (wat het populisme doet). Valt er dan niets te doen? Waarom zou de politiek geen gestalte kunnen geven aan een samenleving die mensen meer beschutting biedt en kansen biedt op zin en betekenisgeving, brood en rozen? Als de nood ligt bij nieuwe vormen van verbondenheid, het heropbouwen van sociaal en cultureel weefsel, dan kunnen we toch een constructieve dialoog over ontwikkelen? Maar Heijne kan het hier niet over hebben, omdat zijn analyse het kader van de populisten zelf overneemt! ‘De linkse ‘elite’ wordt als een homogene groep gehanteerd, er was daar blijkbaar, decennialang,  geen enkele denker, vereniging of politieke groep die inzag dat globalisering en migratie heel wat nieuwe uitdagingen stelt aan onze samenleving. Noch was er blijkbaar eender welke progressieve vereniging die er in slaagt om culturele diversiteit op vruchtbare wijze gestalte te geven en nieuwe vormen van identiteit te creëren. En is er dan niemand die protesteert tegen de cijfermatige efficiency benadering? Alsof er geen bewegingen ter linkerzijde zijn die de globalisering in vraag stellen (andersglobaliseringsbeweging), denkers die het economisch model in vraag stellen (bv. Tim Jackson met zijn boek Welvaart zonder Groei), sociaalartistieke organisaties die werken aan nieuw stedelijk weefsel, of de ecologische bewegingen en partijen die een nieuw emancipatorisch verhaal brengen. Niet dat ze dominant zijn in onze neoliberale wereldorde (een gegeven wat Heijne ook niet duidt en ontleedt), maar er leeft meer dan je denkt onder aan de samenleving, van klimaatwijken tot transition towns. We moeten inderdaad niet allemaal van elkaar houden, dat werd trouwens nooit gevraagd van burgers, maar nieuwe projecten voor een gemeenschappelijke toekomst zijn meer dan noodzakelijk.

Dirk Holemans is coördinator van Oikos – denktank voor sociaal-ecologische verandering
 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!