Opinie, Samenleving, België, Opinie, Holocaustmuseum -

Holocausthype in Vlaanderen

Het is zo ver, Vlaanderen krijgt zijn holocaustmuseum. Ware de historische aanleiding niet zo vreselijk tragisch, dan zou je dit bijna hilarisch kunnen noemen. Historici en politici die een beetje bij de tijd en de pinken zijn, beseffen immers dat de collectieve herinnering beter niet exclusief opgehangen wordt aan de Jodenuitroeiing of Holocaust, zoals hij ondertussen religieus benoemd werd.

zondag 24 oktober 2010 18:18

De uit het niets opgedoken curator van het in Mechelen op te richten museum, Herman Van Goethem, verkondigde vorige week bij het officiële startschot voor de bouw van het Vlaamse holocaustmuseum nogal wat onjuist- en onwaarheden over de voorgeschiedenis van dit museum.

Anders dan hij bijvoorbeeld in De Standaard van 23 oktober verkondigt, is er helemaal geen consensus gegroeid over wat nu het ‘Memoriaal, museum en documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten’  moet heten. Aan dit in 2001 geplande museum ging veel discussie vooraf, veel politiek gesjoemel, touwgetrek en vriendjespolitiek.

Toenmalig Vlaams minister-president Patrick Dewael had aanvankelijk twee musea in gedachten: een Vlaams Holocaustmuseum en een Museum over de Vlaamse ontvoogding. Zeg maar het inruilen van de vroegere collectieve herinnering – verzet, collaboratie, repressie, amnestie – voor het vrij recent uit de Verenigde Staten overgewaaide holocaustverhaal.

Dat alles in het kader van een op een Europese conferentie in Stockholm afgesproken strijd tegen extreemrechts (de dreiging van Haider in Oostenrijk, het Vlaams Blok in Vlaanderen…). Tolerantie, antiracisme en mensenrechten, met de Jodenuitroeiing als stichtende kern, moesten een menselijke muur opwerpen tegen de extreemrechtse dreiging.

Voor het Museum over de Vlaamse ontvoogding zou een comité van specialisten worden aangesteld. Dat is er bij mijn weten nooit van gekomen. Dit museum en die collectieve herinnering stierven een stille dood (al worden ze nu door Herman Van Goethem, specialist administratieve collaboratie, heropgevist in zijn conceptnota).

Voor het tweede museum, het Vlaams holocaustmuseum, werd inderhaast een ad hoc comité opgericht met enkele bekende, maar op vlak van holocaust en genocide niet bepaald gespecialiseerde figuren. Die kat bond ik, daarin aangemoedigd door enkele historici, de bel aan. Er kwam een fel onderhoud met de Vlaamse minister-president en een fel opiniestuk in De Standaard.

Hieruit kwam een door de Vlaamse regering aangesteld wetenschappelijk comité van acht historici voort; een comité waaraan ik heb meegewerkt, ondanks zware Joodse druk om de auteur van De uitbuiting van de Holocaust (waarin ook de holocaustontkenning wordt weerlegd) er niet bij te betrekken.

Dit wetenschappelijk comité heeft na hard zwoegen een conceptnota uitgewerkt en aan de Vlaamse regering voorgelegd. Anders dan Van Goethem beweert, werd daarin geenszins voorgesteld de huidige politiek van Israël in het museum te betrekken, gingen we niet “dansen op het graf van de Belgische Holocaustslachtoffers”. Die kwaadaardige roddel moet Van Goethem opgevangen hebben bij de Joodse betrokkenen wier vertrouwen hij, “door het verfijnen van het basisconcept, heeft teruggewonnen”. Zoveel is duidelijk.

Wat stond er dan in het voorstel van het oorspronkelijke wetenschappelijke comité dat die bepaalde Joodse betrokkenen zo voor het hoofd stootte dat de druk op de Vlaamse regering zo werd opgevoerd, zodat het voorstel van dit comité zonder commentaar in de vuilnismand werd gedeponeerd?

Wel, een analyse van de relatief recente opkomst, de evolutie en het succes van ‘de Holocaust’ als plaatsvervangende collectieve herinnering. En een pleidooi om breder te gaan dan het vreselijke lot van de Joden van België tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat ging voor bepaalde belangengroepen te ver. En dat is de bitse, maar eenzijdige polemiek waar Van Goethem het over heeft.

Ik schrijf ‘bepaalde belangengroepen’, omdat het gelobby en ‘netwerken’, zoals ook de aanstelling van Herman Van Goethem en zijn medewerkers, zich achter de schermen heeft afgespeeld en geenszins het resultaat is van bevraging of consensus. Tot daar wat de huidige curator “een woelige voorgeschiedenis” noemt. Wie daar meer wil over weten vindt hierover een tiental artikels op www.serendib.be (zoek op ‘holocaustmuseum’).

Een laatste woord wat die consensus betreft. Een maand geleden kondigde het Studiecentrum Oorlog en Maatschappij (SOMA) de conceptnota van Van Goethem aan, alsook een studiedag op 20 oktober over zijn ‘gefinaliseerd concept’, dat amper anderhalve dag later aan de pers zou worden voorgesteld.

De eerste dertig personen die per mail voor die studiedag intekenden, mochten eraan deelnemen en werden in een schrijven van Van Goethem zowaar bevorderd tot ‘het Belgische wetenschappelijke veld’. Niks consensus dus, maar voldongen feiten, waar enkele gegadigden die aan deze buitenkans willen meewerken op de valreep hun goedkeuring mochten aan hechten.

Over de conceptnota valt veel te zeggen. Maar dat haalt niets meer uit. De Vlaamse regering is het eens geworden met de belangengroepen en wordt in haar gebruik van het verleden door enkele historici bijgetreden. Er valt best ook wel veel positiefs over te zeggen. Het is een modieus en dus tijdgebonden concept.

Maar het is en blijft een zelfverheerlijkend verhaal over de zogenaamd radicale tegenstelling tussen democratie en dictatuur, een discours dat voorbijgaat aan de dictatuur van consumptie, individualisme en egocentrische vrijheid waarin wij goedschiks en kwaadschiks leven.

Een verhaal én een regering die voorbijgaan aan de ontstellende armoede en ellende in binnen- en buitenland; hardnekkig wegkijkend van, en minstens indirect meewerkend aan de door ‘ons’ imperialisme aangerichte ellende in Irak, Afghanistan, het Midden-Oosten, Afrika en ander minder bedeelde gebieden en mensen.

Hopelijk worden de vele duizenden jongeren die vanaf 2012 door het museum geloodst zullen worden niet alleen toleranter en minder racistisch, maar ook dwarser en (zelf)kritischer. Dat kan bijvoorbeeld door de Jodenuitroeiing in zijn historische context te plaatsen. De nationaalsocialistische overtuiging dat Joden ‘raciaal gehandicapt’ waren, een biologische bedreiging voor het ‘Arische ras’, en dus verdreven moesten worden van het Arische territorium en – toen dat niet lukte omdat de beschaafde wereld de Joden niet wou opnemen – dan maar uitgeroeid moesten worden.

Hieraan ging in Duitsland dwangsterilisatie en uitroeiing van mentaal en fysiek gehandicapten vooraf. Dergelijke dwangsterilisatie gebeurde toen al meer dan een decennium in de Verenigde Staten, en zat er ook in verscheidene andere democratische landen aan te komen. De wereld keek er niet echt van op toen nazi-Duitsland tot uitroeiing overging. Bij die uitroeiing deed Duitsland de ervaring en technische kennis op die vanaf eind 1941 werd toegepast op Joden.

Wil men hier werkelijk iets uit leren dan moet dit in een breder, algemeen menselijk perspectief geplaatst worden. Bijvoorbeeld door in dat museum veel aandacht te besteden aan psychologische experimenten zoals die van Stanley Milgram en Philip Zimbardo.

In 1961 toonde Milgram aan dat alle deelnemers aan een experiment waarin stroomstoten moesten toegediend worden aan een andere deelnemer wanneer die fout antwoordde op een eenvoudige vraag, tot 315 volt gingen, ook al protesteerde de persoon die de schokken (zogenaamd) kreeg. Liefst vijfenzestig procent van alle deelnemers ging tot het levensbedreigend niveau van 450 volt, en allen dienden dat voltage twee keer toe en moesten tegengehouden worden. Dat alles op simpel verzoek van de proefleider of een van diens medewerkers.

Tien jaar later toonde Zimbardo met een ‘gevangenisexperiment’ aan dat mensen ook zonder legitieme autoriteit in een mum van tijd tot vreselijk gedrag kunnen overgaan, gewoon door de situatie waarin ze zich bevinden en de rol die ze verondersteld worden te spelen. Zimbardo deelde door lottrekking een twintigtal vrijwilligers, universiteitsstudenten, in bij bewakers en gevangenen.

Bedoeling was hun gedrag als bewakers en gevangenen in een nepgevangenis te bestuderen. Het experiment moest na vier dagen stopgezet worden wegens psychische wreedheid van de bewakers. Beide experimenten werden verscheidene keren herhaald met allerhande proefpersonen, steeds weer met dezelfde ontstellende resultaten.

Die bevindingen kunnen moeiteloos verbonden worden aan historisch onderzoek naar het gedrag van genocidaire daders, zoals bijvoorbeeld Christopher Browning deed in zijn ‘Doodgewone mannen’, honderden politiemannen die op eenvoudig verzoek van hun overste, zonder enige verplichting, massaal Joden afslachtten.

Gie van den Berghe is moraalwetenschapper en historicus en gastprofessor aan de UGent

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!