Een nieuwssite die

reclamevrij
onafhankelijk
kritisch
en gratis is?

Dat kan!

Maar enkel dankzij jouw steun

Steun ons nu!

Ja, ik doe een gift

about
Toon menu
Opinie

De Coca-Cola-cultuur van Creative Europe

Ons cultuurbeleid is met het nieuwe Kunstendecreet in commercieel vaarwater terecht gekomen. Een eerste analyse van het probleem: Europa als de nieuwe pooier van kunst en cultuur.
donderdag 12 september 2013

In een nieuwsbrief van het steunpunt BAM (3 juli) lezen we dat Vlaams Cultuurminister Joke Schauvliege (CD&V) ‘op basis van onderzoek’ van mening is dat de sector geen behoefte heeft aan meer middelen, maar aan meer ondernemerschap.

Welk onderzoek? Via een nieuwsbericht op Deredactie.be vernemen we dat het volgens onze minister tot de taak van de overheid behoort om kunstenaars te leren denken als ‘ondernemers’.

Het nieuwe Kunstenloket (één van de nieuwigheden van het nieuwe decreet) moet hen daarbij helpen. Waar dit Kunstenloket voorheen enkel juridische begeleiding gaf, kunnen kunstenaars en andere ‘creatievelingen’, zoals reclamejongens, er nu ook terecht voor individuele ‘zakelijke coaching’.

De boodschap is duidelijk: de sector wordt doorverwezen naar de markt. Daarmee rolt Schauvliege nu al de rode loper al uit voor het EU-cultuurprogramma (2014-2020) dat voluit op vermarkting inzet.

Wie dus dacht dat onze cultuurambtenaren, die zo druk in de weer waren collectief het hoofd te buigen over het nieuwe Kunstendecreet, bijvoorbeeld om meer diversiteit mogelijk te maken, totaal niet bezig zijn met de verankering van de vermarkting waar de EU op aanstuurt, in tegendeel zelfs, komt nu niet een beetje bedrogen uit.

Vorige week werd dat nieuwe decreet voorgesteld: als een dief in de nacht smokkelde men de marktconforme logica van Creative Europe al binnen (zie hier). Nu wil men dit decreet onder deze vorm snel nog tijdens deze regeerperiode goedgekeurd krijgen. Daarmee botst de sector op een muur van voldongen feiten.

Voor alle duidelijkheid: het gaat hier niet zozeer over de vermarkting in het algemeen, die sowieso overal in opmars is, maar wel om het feit dat die vermarkting nu vanuit onze cultuurpolitiek intensief aangemoedigd wordt. Het gaat met andere woorden om de opstart van een inhoudelijke kaalslag, een hersenspoeling, en dat is erger dan een louter saneringsbeleid.

Immers, wanneer een liberaal beleid aanstuurt op een minimale staat, en een socialistisch beleid strijdt voor een sterke publieke sector in het belang van de mensen, speelt een neoliberaal beleid het spel veel sluwer: men is plots ook voorstander van een overheid, maar dan met het oog op onze consumptie-economie gericht op winstbejag.

Erger nog: als steunbeleid voor beurs en banken. De straat moet zo vaststellen dat zijn volksvertegenwoordiging aan de kant van de zakenelite staat, met de verzorgingsstaat als pineut en prooi.

Catch 22

Creative Europe (1) is een probleem omdat het unisono de nieuwe religie van de creatieve industrie predikt. Europe 2020 stelt immers een innovatiebeleid centraal en dat zet maximaal in op de ‘creatieve economie’. De radeloze kunstensector die de klappen van het Europese en bijgevolg ook het nationale besparingsbeleid vreest, krijgt plots een wortel van 1,8 miljard euro voorgehouden.

Heel wat cultuurmanagers outen zich reeds: zij hopen op de financiële verlossing via privaat-publieke samenwerking, net datgene waar de EU vanaf 2014 nadrukkelijk op aanstuurt. Aan surrealisme vandaag dus geen gebrek, nu de kunstensector zelf de vermarkting van kunst en cultuur organiseert, ondersteund met subsidies.

Creative Europe belooft dan wel werk te maken van een ondersteuningsprogramma, maar de kunstenaars betalen daar een opmerkelijk hoge prijs voor. Ten eerste impliceert dit programma een paradigmawissel in elk nationaal kunstenbeleid: met de idee van de creatieve industrie als rolmodel, wordt het vanaf nu een evidentie dat een ‘creatief ondernemer’ die om ondersteuning vraagt, een return of investment in de aanbieding heeft. De instrumentalisering van de kunsten wordt daarmee hegemonisch.

Ten tweede blijkt dat innovatiefondsen voor creatieve industrie vooral bij multinatio­nals zoals Janssens Pharmaceutica of Philips terechtkomen. Bij het Vlaamse innovatiefonds IWT ging de voorbije tien jaar bijna zestig pro­cent van de subsidies naar slechts een tiental multinationals. (2) Ook bij het Nederlandse fonds CLICKNL waren de grote bedrijven de grote winnaar. (3)

Wie toch hoopt nog wat kruimels mee te pikken, mag zich vanwege de crisis die ons zogezegd tot een permanente uitzonderingstoestand dwingt, bovendien verwachten aan een korting van dat beloofde EU-budget van 1,8 miljard euro. Intussen is dat bedrag nu al, voor de opstart van dit programma, al met 20 procent ingekort.

Ten derde beoogt Creative Europe een getrapt beleid waarbij op termijn ook de bestaande cultuursubsidies bij deze marktfilosofie moeten intekenen. Een driest besparingsbeleid op cultuur is electoraal niet bepaald ideaal, vandaar dat men de hervorming van de kunstensector onder het mom van een investeringspolitiek doordrukt.

Het EU-cultuurprogramma dient zich dus als matroesjka aan: na de subsidies nieuwe stijl, worden de oude ‘passieve’ subsidies ‘geoormerkt’: je krijgt ze nog wel, op voorwaarde dat je kunt aantonen dat deze investeringen de heropleving van de economie stimuleren of dat jouw organisatie bijvoorbeeld een quotum aan crowdfunding realiseert, etcetera.

Door de verdeel-en-heersmentaliteit, die de kunstensector zelf mee in stand houdt, is er amper enige tegenkracht die kan vermijden dat kunst en cultuur in deze catch 22 terechtkomt.

Als kunst de voorhoede van de samenleving is, dan is het niet zo overdreven te stellen dat de beslissende strijd met de huidige neoliberale tijdsgeest ook en misschien vooral in het denken over het cultuurbeleid begint.

Slimme hervorming?

"Europa en zijn deelstaten moeten — dringend — beter leren presteren als we effectief willen meedingen op de wereldmarkten." Dit vat zowat de bezorgdheid samen van José Manuel Barroso, voorzitter van de Europese Commissie, tijdens zijn speech met de veelzeggende titel: Europe 2020: A Blueprint for a Post-Crisis World, gebracht op 7 maart 2013 in Brussel.

Om uit de crisis te raken, zo stelt hij, moet de competitiviteit omhoog en dat moeten we doen met ‘slimme’ hervormingen met het oog op innovatie en groei.

Het vorige EU-cultuurprogamma (2007-2013) was opgevat als een charmeoffensief van circa 400 miljoen euro dat de neoliberale politiek in andere beleidsdomeinen wat moest camoufleren. Heel wat cinema’s kregen een EU-ondersteuning voor digitale projectieapparatuur. Weliswaar op voorwaarde dat ze gedurende een aanzienlijke periode promotiefilmpjes over de goednieuwsshow van het Europese steunbeleid vertonen: ‘in verscheidenheid verenigd’, te beginnen bij een ééngemaakte vrijhandelszone.

Verder kregen vooral bekende kunstinstellingen een ondersteuning van hun internationale werking. Opnieuw op voorwaarde dat zij, als cultureel ambassadeur, de EU-logo’s op hun persberichten niet zouden vergeten. Maar niet geklaagd. Ook al was het budget minuscuul naar Europese normen, naar nationaal formaat klonk het niet onaardig. En het kwam doorgaans toch de kunstensector toe.

Dat wordt knap anders met het nieuwe cultuurprogramma, dat is opgevat als een herstelprogramma voor de economie. Plots heeft men het over culturele én ‘creatieve’ sectoren. Of over artiesten én ‘professionals’. De deur staat genereus open naar een ander slag ‘creatievelingen’. Alsof de term ‘cultureel’ nog niet breed genoeg is, moet het toch nog ruimer: semantische vervuiling opdat niemand er nog iets van begrijpt, tenzij het iets met ondernemen te maken heeft?

Niet alleen zijn de begrote budgetten vanaf 2014 vooral voorzien voor organisaties die geen uitstaans hebben met wat men doorgaans onder de ‘kunstensector’ verstaat, de hele opzet heeft ook tot doel de kunstensector in te kapselen in de ‘creatieve industrie’: mooipraterij voor ‘postindustriële consumptie-economie’.

Kortom, kunst moet vanaf nu helpen verkopen. Het grote budget lijkt aan te geven dat men flink meer investeert, weliswaar over veel meer sectoren en landen. Toch is die budgetverhoging alvast betwistbaar voor wat de kunstensector op zich betreft.

Het ‘slim’ hervormen komt neer op de heroriëntatie van subsidies op een marktgerichte samenwerking tussen de kunstensector en commerciële bedrijven van verschillende aard. Gaande van entertainment, mediaconcerns, mode, design, horeca, cultuurtoerisme, games, telecom, antiek, productontwikkeling, luxeartikelen (juwelen, gastronomie, cosmetica, sportartikelen, boten, auto’s etc.), en ook nog landbouw, industrie en dienstverlening.

Het verdwijnt allemaal in één zak, met een hip parfum erop dat ruikt naar morgen: aaibare spitstechnologie, lifestyle, gebruiksvriendelijke digitalisering, instant gratification, groene economie, authentieke feel good, een homeopathisch vleugje transitie om het geweten wat te sussen. Wie durft daar bezwaar tegen maken?

"Culture Europe Action"?

Dat Creative Europe uitpakt met deze glossy innovatiestrategie waarbij men de budgetten van kunst, media en het zogenaamde MEDIA Mundus samengooit, getuigt dus vooral van slim volksbedrog. Deze gefabriceerde budgetstijging tot aanvankelijk 1,8 miljard euro lijkt de kritiek van de voorbije jaren te vloeren.

Vanwege het kleine budget kon men immers moeilijk aan de perceptie ontkomen dat het vorige cultuurprogramma vooral een excuus of toch ook een verschoningsoperatie was.

Dat programma werd overigens uitgedacht in een periode voorafgaand aan de huidige crises. Budgettaire paniek kon men toen dus nog niet als verweer inroepen. Misschien was het een testcase: hoe zou de wereld buiten de EU-wijk reageren?

Er kwam inderdaad reactie: het politieke platform Culture Action Europe werd opgericht en dat startte de campagne wearemore.eu met één duidelijke eis: budgetverhoging. Het is de EU-politici natuurlijk niet ontgaan dat de initiatiefnemers van dat platform, naast enkele bekende kunstenaars als uithangbord, vooral filmdistributeurs, uitgevers en andere ondernemers waren.

Creative Europe speelt dat oppositiefront vlot tegen elkaar uit op hun gevoelige plek: het verschil tussen de kunstenaar en de culturele ondernemer. Vooral de laatste wordt nu op zijn wenken bediend. Blijft weeral alleen achter: de kunstenaar.

Culture Action Europe lanceerde in april 2013 trouwens een oproep om een standaardbrief te schrijven naar Barroso met de vraag om niet te besparen op het voorziene Creative Europe-budget. Maar wie deze oproep volgt, spreekt meteen ook zijn steun uit aan dit problematische programma. Met deze actie gooit de kunstensector dus eigenlijk de eigen ruiten in.

Griekse wijsheid?

Op de website van Creative Europe lezen we volgend mission statement: "Europa moet meer investeren in zijn culturele en creatieve sectoren omdat ze een significante bijdrage leveren aan de economische groei, de werkgelegenheid, innovatie en sociale cohesie."

De promotie van linguïstische en culturele diversiteit, en dan vooral de overbrugging ervan, staat in het teken van marktcreatie en competitiviteit. Merk op dat men het hier nog over culturele en creatieve ‘sectoren’ heeft, niet over ‘industrieën’ of ‘economie’, wat elders in de EU-werkdocumenten wel het geval is.

De prioriteiten zijn duidelijk: groei, jobs, innovatie en pas daarna zoiets als ‘sociale cohesie’, als verhoopt epifenomeen. Het belang van kunst en zelfs cultuur op zich komt nergens ter sprake. Kunst en cultuur als tijd voor de ontwikkeling van empathie, diversiteit en identiteit, dus voor zelfontplooiing, reflectie, verbeelding, beleving, experiment, ontdekking, verliezen-om-te-vinden, niet-commerciële productiviteit en speeltijd? Vergeten blijkbaar.

De vrouw in het promofilmpje op de website is de Griekse Androulla Vassiliou, de eurocommissaris van Onderwijs, Cultuur, Meertaligheid en Jeugd. Zij doet haar best om de indruk te wekken dat zij een grote democraat is en het allerbeste voor heeft met kunst en de EU als bakermat van cultuur. Zo beklemtoont ze dat het voor deze sectoren: "Zonder de beloofde steun moeilijk of zelfs onmogelijk wordt in nieuwe markten in te breken".

Kunst en cultuur worden dus als markten opgevat die men via de businessmodellen moet benaderen, die men ‘banking expertise’ moet bijbrengen en waarvoor men een vereenvoudigde toegang tot private leningen moet helpen voorzien. Dat zij dergelijk ‘liberalees’ praat, moeten we haar vergeven: zij maakte carrière in het bankwezen alvorens ze bij de EU begon.

Ondemocratische putsch

Ook de meeste leden van het comité Cultuur en Onderwijs in het Europees Parlement hebben hun ‘expertise’ in de economie of rechten. Voor Nederland is de links-liberale Marietje Schaake (D66) op post. België heeft alleen een plaatsvervanger (namelijk Ivo Belet (CD&V), partijgenoot van onze Cultuurminister, bekend van zijn inhoudelijke studie van de stripteasecultuur (zie hier)).

Dat ons land niet vertegenwoordigd wordt door een lid is opmerkelijk, zeker als blijkt dat er maar liefst 3 Roemenen lid zijn op een totaal van 31. Opvallend is bovendien de sterke vertegenwoordiging van Duitsland: de voorzitter, 2 van de 4 vicevoorzitters en 2 leden.

Ook de EU-cultuurpolitiek is dus vormgegeven naar Duits model met de welbekende vierschaar: sociale afbraak, meer ‘flexibiliteit’, een fiscaal gunstenbeleid voor het grootkapitaal en de vermarkting van al wat los en vast zit aan de publieke sector.

Ook de wijze waarop de aanbevelingen van het Creative Europe-programma werden gegenereerd, zijn een democratisch schaamlapje: het groenboek bevat de conclusies van een onderzoek dat zich baseert op slechts 350 vragenlijsten, met vragen waarin de beoogde vooronderstellingen klaar zitten om bevestigd te worden.

Naast een hoog aantal ‘publieke autoriteiten’ blijkt slechts 48 procent van de enquêteurs lid van een ‘culturele of creatieve organisatie’ te zijn. Welgeteld 24 van de 350 vragenlijsten werden ingevuld door mensen uit de beeldende kunstensector. Dat kan dan een medewerker van een veilinghuis, museum, galerij, beurs, collectioneur … of zelfs een kunstenaar zijn. Representatief voor de ‘kunstensector’ is dit fameuze groenboek dus niet.

Waarom heeft men bijvoorbeeld niet eerst alleen de kunstensector bevraagd over het beleid dat men zou willen? Vindt men de uitbreiding richting ‘creatieve industrie’ bijvoorbeeld wel een goed idee? Omdat men dan naast een ‘njet’ ook nog eens op allerhande aanbevelingen zou botsen die moeilijk verticaal te klasseren zijn? 

Misbruikte horizontalisering

Beleidsdocumenten die een hervorming beogen, beginnen tegenwoordig graag met de lezer er attent op te maken dat we in uitzonderlijke tijden leven: alles staat op losse schroeven, we moeten daarom met een open geest out of the box durven denken. Dat masseert bij voorbaat alvast wat argwaan weg.

Inzake cultuurbeleid is dat nog simpeler omdat culturo’s zelf goed weten dat kunst een hyperdynamische en trendgevoelige flux is. Conform het dictum van Joseph Beuys, ‘iedereen is een kunstenaar’, is de horizontalisering al enkele decennia geleden ingezet. Het verlaten van de vaste paden, het loskomen van het ‘instituut kunst’, het lijkt wel het sine qua non van de vernieuwing. Maar dat betekent uiteraard niet dat men de kunstensector dan maar meteen moet ontmantelen.

Ook cultuurmanagers zijn bijzonder vatbaar voor een aangeboden nieuwe koers. De onderlinge competitie tussen kunstinstituten gaat gepaard met een kwaliteitsoordeel — wie is de koploper? — en die krachtmeting ontwijkt men liever door voor een andere inzet te opteren. Ook het verwijt dat men zich als een klerk op het eigen veilige eilandje zou ingraven, ligt opvallend gevoelig.

Nochtans is een ‘eilandje’ net essentieel om van een ‘kunsteninstituut’ te kunnen spreken. Cultuurmanagers, die naar het voorbeeld van de kunstenaar ook graag inventief uit de hoek willen komen, doen dus sowieso hun best om nieuwe formules te ontwikkelen, op maat van hun organisatie.

Om kritiek van nieuwrechtse politici zoals Geert Wilders (PVV) en Bart De Wever (N-VA) te ‘slim’ af te zijn (wanneer er weer eens goedkoop gefoeterd wordt op de kloof met de burger, terwijl kunstparticipatie net jaar na jaar toeneemt) wordt de eigen organisatie alvast zelf geherorganiseerd, zodat een zogezegd gebrek aan maatschappelijke relevantie opgevangen wordt door samenwerking met de lokale handel, het gemeenschapsleven, toerisme, etcetera.

Plots heet een museum een ‘belevingscentrum’. Sterke tentoonstellingen en een degelijk collectiebeleid volstaan niet meer, dat is zo last century.  

Innovatiefabriekjes

De EU weet dus maar al te goed dat trefwoorden als cross-over, transsectoraal, synergie, interactie en sharen aanslaan. Daarom praat men graag over het creëren van creative communities die als een cluster, hub of netwerk functioneren. Ook een beleidsterm als ‘schottenloos’ scoort. Men heeft het echter niet over die uitgewoonde hokjes in de kunsten, maar over kunst en markteconomie. Om bruggen te bouwen tussen kunst, wetenschap, filosofie en … handel.

De EU drukt de kunstensector op het hart dat "traditionele instellingen wel belangrijk zullen blijven", waarmee men toch vooral benadrukt dat zij heel wat minder belangrijk worden, "maar een 'holistische' benadering zou vanaf nu wel absoluut noodzakelijk zijn". We moeten natuurlijk die afwisselende consumentensmaak kunnen bijbenen.

Daarom stuurt de EU aan op het opstarten van ‘innovatielaboratoria’ in en rond kunstateliers en kunstscholen, die startende creatieve ondernemers maximaal ondersteunen. Deze labs schieten in heel Europa als paddenstoelen uit de grond. Cultuurmanagers verkopen deze bedenkelijke switch helaas als een creatief antwoord op de sociaalecologische uitdagingen van de eenentwintigste eeuw.

Cosmetica en creatieve collaboratie, als blijkt dat deze transitiefabriekjes vlot samenwerken met belangenverenigingen van ondernemers en beleggers (Unizo, VOKA). In allerhande omkaderende verenigingen duiken plots allerlei MBA’s en CEO’s op.

‘Schottenloos’ als hefboom

Ook de ‘schottenloze’ combinatie van politieke mandaten scoort — cultuur én toerisme bijvoorbeeld — en dat niet alleen bij de EU. Zo kan men deze politici nog moeilijk verwijten dat hun beleidsdomeinen verstrengelen. Tevens kan men dit beleid nog amper zuiver beoordelen vanwege het labyrint aan doorkruisende bevoegdheden, en kunnen politici afhankelijk van de eventuele (on)populariteit van een deelbeleid gemakkelijk van mediageniek petje wisselen.

Bonus: door de samenvoeging lijkt het of men een verantwoordelijk, want spaarzaam beleid voert, met een minimum aan administratieve overhead.

Creative Europe zet al deze troeven in om de kunstensector in dat populair bedenksel ‘creatieve industrie’ in te kapselen (4), omdat men weet dat immateriële waarde enorm belangrijk is in de hedendaagse digitale, postindustriële economie. De creativiteit van de kunstenaar is vandaag een bijzonder waardevolle grondstof.

Daarmee krijgt de creatieveling — de kunstenaar, de digitale bohemien, de ondernemer — een quasi-religieus statuut van demiurg of intelligent designer. De ondernemer-kunstenaar als de nieuwe goddelijke schepper of messias treedt aan.

Robrecht Vanderbeeken

Robrecht Vanderbeeken is een hoopvolle filosoof.

noten

(1) Info: www.europa.eu, zoek op ‘creative europe’ of ‘cultural and creative industries’.

(2) 'Innovatiesteun vooral naar tien slokoppen.’ De Standaard, 5 maart 2013.

(3) Jongelen, S. (2012), ‘Een systeemrevolutie ontketenen.’ In: Boekman 93. Winter 2012: 66-73. Rob Huisman, de directeur van de Beroepsorganisatie Nederlandse Ontwerpers schreef een brandbrief aan CLICKNL en het Topteam Creatieve Industrie om aan te klagen dat de huidige programma’s over de hoofden van de beoogde beroepsgroep gaan.

(4) Cf. Ook Zijlstra definieerde de sector veel breder waardoor ook een mobiele telefonieprovider als Vodafoon, een uitgeversconcern als Elsevier en het winkelpersoneel van H&M tot de creatieve massa van Nederland behoren (Cramer, 2011: 36).

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig.