about
Toon menu

Laten we de Gentse Feesten redden van de vrije markt!

Wanneer je kritiek durft leveren op de ontwikkelingen binnen de Gentse Feesten word je algauw in een doos gestopt met nostalgische romantici en conservatieve doemdenkers en sinds kort ook neergezet als “verzuurd” en “egoïstische minderheden”.
maandag 6 mei 2013

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Natuurlijk weten we dat de begintijd van Walter De Buck en de zijnen niet meer terugkomt. Natuurlijk weten we dat de Feesten op Sint-Jacobs niet meer de draaischijf van de feesten zijn.

En wat ik ook weet is dat Sint-Jacobs niet alleen de bakermat maar ook het kloppende hart van de Feesten blijft.

Een hart kan echter alleen blijven kloppen wanneer de aders niet dichtslibben.

Wat ik zeker weet is dat Walter De Buck zijn cultureel monument aangevreten wordt door een overdaad aan commercie.

Natuurlijk zijn er altijd die het licht van de zon ontkennen. Maar zoals meer dan honderd auteurs een manifest ondertekenden met als titel “het vrije woord wordt verstikt door de vrije markt”, zo kunnen we over onze geliefde Gentse Feesten zeggen “de Gentse Feesten worden verstikt door de vrije markt”.

Marktwerking botst altijd met solidariteit

Ik denk dat de voortschrijdende vermarkting, hetgeen leidt tot onverbiddelijke competitie en schaalvergroting (met vervuiling, verloedering, lawaaihinder) een serieuze bedreiging vormt voor de aders en uiteindelijk het hart van het volksfeest.

Dat veel Gentenaars fier zijn op hun Feesten is meer dan terecht. De Gentse Feesten zijn uitgegroeid tot een van de grote culturele volksfeesten in Europa.

Dat sommige elitaire cultuurpessimisten kankeren over een gebrek aan cultuur op de Gentse Feesten is zeker en vast onterecht.

Er is inderdaad nogal wat rotzooi – soms tot aan de rand van de wansmaak.

Maar voor wie wil zoeken en speuren valt er ook heel wat cultuur uit de bomen. Zelfs tot aan “volksverheffing” toe, een ouderwets begrip dat de postmoderne bestuurders (behorende tot de “creatieve stedelijke klassen”) en organisatoren niet meer durven gebruiken op jacht naar de “mondige kiezer en consument”.

Gentse Feesten moeten een cultureel volksfeest blijven voor iedereen!

Laten we dus duidelijk wezen: de Gentse Feesten moeten geen kunstenbastion worden, maar bovenal een cultureel volksfeest zijn en blijven voor iedereen!

En daar wringen de schoentjes. Natuurlijk zijn de stedelijke politieke overheden tevreden over de Gentse Feesten van het voorbije decennium.

Er is nog nooit zoveel volk geweest.

Natuurlijk zijn de pleinorganisatoren en honderden winkeliers, cafébazen, restaurantuitbaters tevreden. Om nog niet te spreken van de legale en illegale “nachtwinkels”. En legale en illegale “handelaars voor tien dagen”.

Want al die feestvierders zijn eerst en vooral consumenten.  

Ook de afvalberg groeit.

De overheid is en blijft eerste verantwoordelijke als het gaat om bewaking van ons cultureel erfgoed en bevordering van de deelname aan cultuur. Een te krap budget kan niet het motief zijn om creativiteit, vernieuwing, emancipatie en kwaliteit af te wijzen. Lucebert schreef: ‘Alles van waarde is weerloos’.

Maar dat betekent niet dat wij ons moeten neerleggen bij de ratrace in de Gentse Feesten die een kaalslag kan teweegbrengen. Het lijkt er sterk op dat binnen het concept van de Gentse Feesten een deel van de organisatoren de ziel van de Feesten verkocht hebben aan de commercie, aan marktdenken, aan het gemakkelijke geld. En vergeten zijn waar het écht om gaat in dit tiendaagse volksfeest. Juist in onzekere tijden, juist in tijden waarin mensen bang zijn voor de toekomst, juist in déze tijd kunnen kunst en cultuur mensen op de been en op weg helpen. Natuurlijk is de Gentse stedelijke overheid doordrongen van het belang van kunst en cultuur voor mens en samenleving. En veel organisatoren weten heel goed waar het allemaal op staat.

Maar de nieuwe roofridders zijn onder ons. Er is dus onder de invloed van de commercialisering van de Feesten geen artistieke verschraling vast te stellen, maar wel een enorme schaalvergroting. Groei is soms noodzakelijk, maar niet elke groei is wenselijk.

Gentse Feesten moeten mensen verleiden, niet overdonderen

Je kunt sommige Gentenaars die de stad ontvluchten tijdens deze periode, of integendeel wel blijven (of soms verplicht zijn om te blijven wegens te ziek, te oud of te arm) maar niet altijd zo opgetogen zijn wegens het steeds uitdijende lawaai en andere overlast, dan wel uitschelden voor verzuurde burgers of azijnpissers. Mensen hebben ook recht op rust. Op stilte. Op vakantie in eigen stad.

Niet iedereen hoeft mee te draaien in de mallemolen van de overconsumptie. Gentse Feesten moeten mensen verleiden, niet overdonderen.

Gentse Feesten duren inderdaad slechts 10 dagen (en nachten), op 365 dagen per jaar.
Hetgeen echter niet uitsluit dat ook die tien dagen en nachten de ongemakken voor minderheden moeten herleid worden tot een minimum.

Want een sociale democratie betekent niet alleen de verwezenlijking van de verlangens van meerderheden, maar krijgt slechts een beschavende meerwaarde door de bescherming van minderheden.

We ijveren steeds meer voor vormen van participatieve democratie op wijkniveau om de steden te democratiseren.
Een van de bijwerkingen van deze democratisering is dat opvattingen over de inrichting en toekomst van een stad en de wijken (waaronder de Gentse Feesten) zullen botsen.
Deze botsing kan niet uitblijven en de minderheden moeten niet weggewuifd worden als idioten en egoïsten. Deze botsing moet tot een democratische dialoog leiden waarbij ook de rechten van de minderheden moeten opgenomen worden in een algemeen debat.

Gunnen wij de Feesten haar groot succes niet? Natuurlijk wel. Maar succes mag niet leiden tot nieuwe uitsluiting, uitsluiting van minderheden, van andere culturele praktijken dan de dominante culturele praktijk.

Gent is sinds enkele jaren ook in de ban van Festivalitis: Polé Polé, Blue Note, Boomtown, Ten Days of Techno,... Mensen zeggen me “dat is toch zeer goed want er is steeds meer keuze”. Neen dus.

Festivalitis en de steeds grotere invloed van sponsoring

Uiteindelijk gaan deze nieuwe ontwikkelingen, die vooral gestuurd zijn door “commerciële overwegingen” en door het liberale principe “laat de vrije markt zijn werk doen” ten koste van de culturele diversiteit aan de onderkant. Omdat eerst en vooral de zelf “gecommercialiseerde media” vooral focussen op deze grote evenementen, grote namen, big events. Je kan in alle kranten interviews lezen met dezelfde artiesten en besprekingen van dezelfde concerten. Omdat het sowieso gemakkelijker is het grote publiek naar de grote evenementen te lokken dan naar kleinere artistieke projecten. Omdat het grote “sponsorgeld” vooral verschuift naar diegenen die er het minst behoefte aan hebben. Bedrijven, banken en verzekeringskantoren sponsoren het liefst grote namen die komen naar de grote pleinen of zalen waar ze hun productreclame kunnen tonen aan de grootste groep consumenten.

Daardoor is er steeds minder commercieel sponsorgeld beschikbaar voor de moeilijkere of meer artistieke projecten die zich afspelen in kleinere zaaltjes en voor een veel kleiner publiek. De invloed van de commercie op de Gentse Feesten dient eerst en vooral teruggedrongen te worden. De overheid moet hiertoe nog meer middelen vrijmaken. Daarmee kan tegengas gegeven worden aan de oprukkende macht van de commercie en de daarmee samenhangende “dreigende” verschraling van het cultuuraanbod. De overheid dient eerstverantwoordelijke te blijven voor de bewaking van ons cultureel erfgoed, de bevordering van cultuurdeelname en de ondersteuning van culturele diversiteit. Kleine en kwetsbare groepen in de cultuursector, zoals het volkstheater, de poëzie, het gesproken woord, avant-garde, verdienen dus veel meer steun. Meer aandacht, geld en ruimte voor de laagdrempelige actieve en passieve amateurkunst en de meer afwijkende cultuurvormen leidt vrijwel automatisch tot meer interesse voor cultuur in het algemeen.

Toegankelijkheid en bereikbaarheid van alle vormen van cultuur dienen gezien te worden als een onvervreemdbaar recht van mensen. Dat betekent dat er ook meer aandacht moet zijn voor sociale en culturele minderheden, voor minderheidsculturen, voor andere en nieuwe culturen. We zien een steeds verder voortschrijdende uitdeining van zowel het culturele aanbod als ook het aantal pleinen, zalen en festivals. Daardoor wordt mobiliteit binnen de Gentse Feestenzone voor bvb mindervaliden ernstig bedreigd. Juist voor de deelname van zwakke groepen moeten we extra gevoelig zijn op een cultureel volksfeest die naam waardig.

De door mij hiervoor genoemde zaken hebben niet alleen, maar natuurlijk óók, te maken met geld. De fixatie op groei, consumptie, groter en meer, gaat uiteindelijk ten koste van de verbreding van de aandacht, de waardering en het respect voor de kleine activiteiten en projecten die het unieke van dit volksfeest uitmaken. 
De tekorten die zijn ontstaan door de aspiraties van organisatoren en theaters aan de ene kant en het gebrek aan middelen aan de andere kant heeft de weg vrij gemaakt voor een toenemende invloed van de commercie. Het mag duidelijk zijn, ik vind dat niet gewenst. Nee, zelfs bedreigend. Zijn nu de fondsen misschien nog marginaal, dat gaat binnen afzienbare tijd veranderen, wanneer de overheid de groeiende geldstroom van de kant van sponsors gaat gebruiken als legitimatie voor een steeds verder terugtredende overheid.

Het is dan aan de organisatoren  van concerten en theatervoorstellingen een balans te vinden tussen avant-garde en brede cultuur, tussen vermaak en kunst, tussen persoonlijke ambitie en de wensen van het publiek, tussen de meerderheid en minderheden.

Veel gemeenten lijden aan een budgettaire anorexia. Zij worden geconfronteerd met steeds grotere tekorten op hun begrotingen waardoor de druk om te kiezen voor het consumptieve karakter van feesten groot wordt.

Onder invloed van de aanhoudende bezuinigingsdrift en een “efficiency”-beleid zijn in veel maatschappelijke instellingen mensen aan de macht gekomen die als echte managers de tent wensen te runnen en eigenlijk weinig affiniteit meer hebben met de essentie van het doel van de instelling. In de besturen van ziekenhuizen werden de artsen gewipt en kwamen mensen aan het roer die nog slechts spreken over efficiency en "output". Hetzelfde hebben we zien gebeuren in de sociale huisvesting, in de thuiszorg, en ook in de wereld van de sport en culturele centra. Gelijk met de opmars van de managers, de vertegenwoordigers van de Nieuwe Zakelijkheid, hebben we ook getuige kunnen zijn van de toename van het fenomeen "sponsoring". Steeds harder wordt de strijd om de grootste sponsors binnen te halen. Sponsors zijn vooral geïnteresseerd in veel publiek. De organisatoren bedienen de sponsors op hun wenken en trekken steeds grotere namen op hun affiches aan om de sponsors te verleiden en het publiek te lokken. En dat proces wordt voorgesteld en verkocht aan de media en door de media als een natuurlijk groeiproces.

Door de nieuwe festivals komt er eigenlijk te veel volk Gent binnen. Op sommige avonden worden pleinorganisatoren verplicht hun pleinen af te sluiten. Enkele jaren geleden vonden we dat met z’n allen een ontoelaatbare inbreuk op de geest van de Gentse Feesten. Vandaag zijn er al politici die vertellen dat afsluitingen in de toekomst aanvaardbaar zijn wanneer we ze artistiek kunnen integreren in de Feesten zelf. Dit is dus wel degelijk onder druk van de vermarkting van de Feesten een sluipende privatisering van de Feesten. Want, wie gaat, wanneer de pleinen eenmaal afgesloten zijn, aan sommige organisatoren nog kunnen verbieden inkom te vragen op hun plein?

Al deze ontwikkelingen kaderen binnen de nieuwe stedelijkheid waarbij de grote steden een liberale culturele politiek voeren. Cultuur wordt “gesubsidieerd” door de stedelijke overheid om vooral de hotels en restaurants te laten vollopen. In naam van de intens beleden “democratisering van de cultuur” spijst de gemeenschap de kassa’s van private ondernemers.

Gentse Feesten en de gevolgen van corporatieve mondialisering

De huidige corporatieve mondialisering laat een overheid zien die zich uit een aantal sociale domeinen terugtrekt. Door die terugtrekkende beweging komen de grote steden die reeds de belangrijkste neveneffecten van de liberale mondialisering moeten opvangen (migratie, werkloosheid, gebrekkige integratie van nieuwkomers, groeiende sociale ongelijkheid) steeds meer in de financiële problemen. Daardoor wordt de strijd, zeg maar economische oorlog (tussen de steden om het grootst aantal toeristen, shoppers, consumenten) een prioriteit. Elke stad wil niet alleen meer haar cultuurtempels en megaprojecten, maar ook haar zomerfeesten en festivals. De steden zijn nu niet alleen meer een marktplaats, maar worden ook meer en meer bestuurd en aangedreven volgens de wetten van de vrije markt, waarbij politieke overheden managers worden of managers aantrekken. Daarom worden de belangen van de moneymakers, met in hun kielzog toeristen en culturele nomaden, langzaam maar zeker belangrijker dan de knellende zorg voor de sociaal-economisch (en cultureel) zwakkeren.

Maar ook het leven zelf in de steden heeft een grote metamorfose ondergaan. De collectieve verbanden zijn grotendeels weggeïndividualiseerd. De vrije markt domineert en doorploegt alle sociale verbanden en relaties. De demografische en etnische samenstelling van wijken en buurten verandert snel en radicaal. Stedelijke parochies zijn uiteengevallen. De sociale cohesie verdampt zienderogen. We leven “in een maatschappij die op alle gebieden onzekerheden produceert” (Anthony Giddens). Een stedelijke samenleving waarin steeds meer traditionele opvangmechanismen (familie, kerk, ideologische zuil) wegvallen waardoor het steeds moeilijker wordt gemeenschappelijke zorgen, angsten, emoties, dromen en idealen te onderkennen of te produceren. Mensen worden vooral met individuele problemen opgezadeld die ook ieder voor zich moet proberen oplossen of verwerken in naam van de “actieve welvaartsstaat”, hetgeen gewoon een ordinaire en brutale “vechtmaatschappij” is.

Natuurlijk verhindert deze ontwikkeling de politieke integratie van de zwakste groepen. In de jaren zestig en zeventig van vorige eeuw werden deze groepen beschimpt als “klootjesvolk”. Vandaag wijzen leden van het journalistieke, culturele en politieke establishment deze mensen met de vinger na als “verzuurde samenleving”. Weer anderen gebruiken en misbruiken de angsten en onzekerheden van deze mensen om nieuwe vormen van populistische politiek te bedrijven. Intussen hebben nogal wat leden van het politieke en journalistieke establishment de aloude “verheffing van het volk” of “de emancipatie van de mens” – zonder slag of stoot - te grabbel gegooid en overgeleverd en uitgeleverd aan de grillen van de vrije markt. De nieuwe populisten gebruiken de revanchistische emoties van grote groepen sociaal-cultureel uitgeslotenen voor een moderne contra-reformatie: een stormloop tegen het open, multiculturele, emancipatorische en kosmopolitische karakter van stedelijke cultuur.

Zonder het te beseffen is daarom de oprukkende vermarkting van de Gentse Feesten, de commercialisering van de culturele volksfeesten, een geschenk aan het populisme. Omdat de commercialisering (met schaalvergroting en festivalitis) langzaam maar zeker de emancipatorische fundamenten van het volksfeest wegsaneert.

Kunnen de Gentse Feesten de onzekerheid en angsten van mensen bezweren? Misschien wel, maar dat is een werk van lange adem. Kunnen de Gentse Feesten een project worden dat democratische participatie aan de stedelijke cultuur bevordert? Zeker en vast. Daarvoor is een beetje verbeelding en vooral politieke moed nodig. Burgers moeten de kansen krijgen zich te ontwikkelen tot participatieve – en dus verantwoordelijke burgers. We moeten niet de strijd tegen het wildplassen opvoeren maar de verantwoordelijkheid van burgers naar boven halen. Dat kan echter niet op een meedogenloze markt. Zonder het streven naar meer sociale gelijkheid blijven onze steden een slagveld. Met een pak winnaars, maar ook veel te veel verliezers.

Kijk maar naar hoe mensen leven in onze steden vandaag en kijk maar goed rondom u tijdens de Gentse Feesten: het doet niet alleen soms pijn aan de oren maar vooral aan de ogen. De woestijn van banaliteit en radeloosheid rukt op en drijft de emancipatorische oase naar de rand van de markt.

Wat kan de politieke overheid doen om dit proces te stoppen?

Te snel wordt gedacht dat de culturele sector het zelf kan redden op de markt. Maar daardoor gaat veel talent, sociaal kapitaal en creativiteit ten onder. De Gentse Feesten kunnen niet zelfregulerend werken zonder te verworden tot een afvalrace. Het is onzin om van de organisatoren te verwachten dat ze de Gentse Feesten volledig zelf kunnen sturen. De politiek kan wel, meer dan nu het geval is, samen met de organisatoren de verschraling tegengaan door meer ruimte te creëren voor het culturele volkskarakter van de Feesten. Niet alleen door kleine en soms zeer grote initiatieven voldoende te subsidiëren maar vooral door ze niet te laten verstikken in de sociale jungle van de Festivalitis. Dus de overheid moet zelf een visie op haar Feesten blijven uitdragen – wars van vermarkting en commercialisering.

Dat achteraf UNIZO tevreden is en dat honderden handelaars, restaurants en café’s gouden zaken hebben gedaan is mooi meegenomen, maar kan nooit het fundament van de Feesten worden.

Van de overheid mag verwacht, nee, geëist worden dat zij actieve en passieve deelname aan cultuur bevordert, dat zij mensen helpt open te staan voor nieuwe, niet vermoede zaken.
Maar ook dat zij oog en oor heeft voor de herhaalde klachten van minderheden die overlast ervaren.

Feesten behoort niet tot de sociale mensenrechten.
Indien een meerderheid in een stad tien dagen wil feesten, moet ze dat in democratisch overleg doen met alle minderheden.

Wij verwachten dus van de stedelijke overheid een democratische langetermijnvisie op de Feesten. Een visie die de schaalvergroting onverbiddelijk stopt. Die het volksfeest promoot en niet de overconsumptie. Die de festivalitis een halt toeroept. Gentse Feesten ingebed in een stedelijk sociaal-ecologisch verhaal.

Die natuurlijk openstaat voor nieuwe culturele ontwikkelingen, maar zonder het bijzondere karakter van het culturele volksfeest schade te berokkenen. Die meer pogingen onderneemt om de openbare feestruimte zo te organiseren dat mindervalide mensen veel gemakkelijker toegang krijgen tot de Feesten. Die zich meer moeite getroost om culturele minderheden, maar ook kinderen en senioren, en de nieuwe etnische groepen in de stad te betrekken bij het grootste volksfeest van de stad.
Dan pas zullen alle Gentenaars deze stedelijke feesten erkennen als hun stadsfeesten. Nu ontglippen die Feesten hem of haar in meerdere of mindere mate.

Marktwerking botst altijd met solidariteit.

Velen hebben in deze tijd de mond vol over het opnieuw verlangen naar een “gemeenschapsgevoel”. Intussen laten we de vrije markt de gemeenschap vooral fragmenteren: mensen en gemeenschappen uit elkaar drijven.

Marktwerking botst altijd met solidariteit.
Niet alleen in de gezondheidszorg, onderwijs, cultuur, maar dus ook bij de organisatie van stedelijke feesten, want feesten zijn belangrijk om niet alleen de culturele diversiteit van het stedelijke weefsel te laten open bloeien, maar ook om de solidariteit onder de bewoners, tussen meerderheden en minderheden te versterken.

Dan moet de politieke overheid ook een luisterend oor lenen aan de minderheden en “verzet” niet direct marginaliseren.

Er is natuurlijk verzuring in de samenleving, maar die verzuring heeft oorzaken en nogal wat mensen hebben terechte redenen om verzuurd te zijn.

“Het is weer tijd om te bepalen waar het allemaal op staat” zingt Freek De Jonge nog steeds. Laten we het samen bepalen vooraleer het te laat is.
Laten we de openbare ruimte nemen die ons toekomt.

Laten we de Gentse Feesten redden van de vrije markt.

reacties

Eén reactie

  • door Robrecht Vanderbeeken op maandag 6 mei 2013

    Op de Gentse feesten wordt zelden gevochten, behalve dan al het gevecht van de markt. Dat mag inderdaad ook wel eens anders, conform de Gentse Lente (tijdens de zomer).

Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties