Bent u al steungever van DeWereldMorgen.be?

In september lanceerden we een noodcampagne omdat we dreigden dit jaar niet rond te komen. Jullie massale reacties waren hartverwarmend en moedigden ons aan om door te gaan. We haalden zo'n 22.000 euro op en kregen er heel wat steungevers bij die maandelijks aan ons storten.

Daarmee zijn we helaas niet definitief uit de rode cijfers. Eén derde van onze inkomsten komt van subsidies en die staan onder druk. Een ander derde komt van partnerorganisaties uit het brede middenveld, en bijna allemaal moeten ook zij besparen. Onze hoop is dus op onze lezers gevestigd. Maandelijks zijn dat 300.000 mensen en van hen stort 1% een bijdrage.

Wij hebben geen hartverscheurende beelden om onze campagne kracht bij te zetten. Onze belangrijkste kost is namelijk de loonkost. De wereldhonger kunnen we niet oplossen en ook de zeehondjes gaan we niet redden. Wel beloven we met jullie steun ons uiterste best te doen om maatschappelijk relevant nieuws te brengen vanuit een progressief, sociaal en ecologisch standpunt.

Onze maandelijkse loonkost bedraagt afgerond 22.000 euro (netto verdient een voltijdse kracht bij ons een bescheiden 1500 euro per maand). Help je mee om onze job te vrijwaren om zo DeWereldMorgen in de ether te houden?

Steun via paypal

Steun via homebanking

Geef een permanente opdracht ten gunste van DeWereldMorgen.be
op nummer BE20 5230 4277 5156 (BIC: TRIOBEBB)
met vermelding "steun DeWereldMorgen.be"

Giften vanaf 40€ per jaar zijn fiscaal aftrekbaar.

about
Toon menu

Met Napoleon naar Moskou

Tijdens de Franse overheersing (1792-1815) en vooral tijdens de Napoleontische oorlogen, werden vele jongemannen uit de veroverde gebieden opgeroepen voor legerdienst. Eén van de 216.111 'Belgen' was Joseph Abbeel (Vrasene 1786 – Anzegem 1866). Een recensie van een boeiend boek over een woelige tijd.
maandag 14 november 2011

Jef Abbeel kwam uit een welvarend gezin van brouwers, met een traditie sinds de 16de eeuw.

Hij was naar school gegaan en hij kende meerdere talen (Vlaams, Frans, Latijn, Duits, Pools, Russisch, de laatste drie allicht aangeleerd tijdens zijn tocht). Hij was 1m79 groot, terwijl de gemiddelde lengte van mannen bij de keuring 1m62 was. De kleinste mannen vielen af voor de legerdienst.

Omdat hij zo groot en geschoold was, mocht hij toetreden tot het tweede regiment carabiniers à cheval, een elite-eenheid, die haar kazerne had in een voormalig paleis in Lunéville (Lotharingen).

In 1806 werd hij opgeroepen. Rusland had in 1805 aan de zijde van Oostenrijk gevochten tegen Frankrijk en had na afloop van deze oorlog geen vrede gesloten. In 1806-1807 vocht Rusland aan de zijde van Pruisen tegen Frankrijk. Pas de Vrede van Tilsit in de zomer van 1807 beëindigde (voorlopig) de oorlog tussen Rusland en Frankrijk.

In 1815-1817 schreef Joseph Abbeel zijn memoires. In 1969 maakte generaal René Willems ze bekend door ze te vertalen in het Frans, soms weliswaar in verkorte vorm. Joost Welten en Johan De Wilde bezorgen ons nu de volledige tekst, in onze hedendaagse taal, spelling en grammatica. De memoires bestaan uit een voorwoord en vijf hoofdstukken, gevolgd door een grondig historisch onderzoek van Welten en De Wilde.

In het voorwoord richt Jef Abbeel zich tot de lezers en zegt hij hun dat alle beschreven gebeurtenissen ook echt hebben plaatsgevonden.

Hoofdstuk I klinkt weinig opgewekt: 'Het begin van de ellende'. Hij vertelt eerlijk dat hij bij zijn oproeping in eerste instantie vervangers zocht, maar dat beide kandidaten afgewezen werden. De andere conscrits noemt hij zwijnen, omdat ze heel het Augustijnenklooster van Gent vernielden.

Hier maakt de auteur een kleine vergissing: de conscrits zaten in de voormalige kloosters van de Kapucijnen en de Jezuïeten en in de Sint-Pietersabdij. En de vernielers waren waarschijnlijk Franse soldaten in plaats van Vlaamse lotelingen.

Vanuit Gent moeten ze te voet naar Lunéville. De kazerne lag in het 'Petit Versailles' van Stanislas II, de vorige koning van Polen, ook bekend om la Place Stanislas in Nancy. Hij stierf in het kasteel in 1766. In 2003 is het helaas afgebrand. Het is inmiddels gerestaureerd.

Abbeel kreeg daar gezelschap van andere Vlamingen, onder anderen Pierre Vloers uit Turnhout, die in oktober 1812 'verloren ging' in Litouwen.

In 1807 trok het regiment door bekende Duitse steden naar Pruisen en Polen. Bij Friedland (Oost-Pruisen, nu Pravdinsk) vocht zijn regiment de eerste keer tegen de Russen. Het paard van de schrijver werd er gedood door een kanonskogel in het hoofd. Zelf kreeg hij een kogel dwars door zijn arm. Hij en zijn kompanen bevoorraden zich door boeren te beroven. Toch zitten ze soms vijf à zes dagen zonder brood. Hij spreekt over het arme Polen, maar Friedland en Tilsit lagen wel in Oost-Pruisen.

Op de terugweg naar Berlijn wordt hij ernstig ziek, zo erg zelfs dat hij zijn eigen doodsbrief wil schrijven en dat de chirurgijn bevel geeft om hem te begraven. Maar op weg naar het kerkhof komt hij terug tot leven!

In 1809 volgt de oorlog tegen Oostenrijk. Abbeel en co zijn blij dat ze weer mogen vechten, want dat is de enige manier om wat geld te verdienen. Oostenrijk wordt verslagen bij Regensburg (in Beieren) en bij Wagram, ten noordoosten van Wenen. In die buurt slaapt Abbeel met een lijk als hoofdkussen.

Na deze overwinningen sluit Napoleon vrede met Oostenrijk en keert het leger terug naar Frankrijk. In Lunéville krijgt Abbeel in 1811 een verlofpas om voor drie maanden naar huis te gaan, na vier jaar afwezigheid. Over deze periode zegt hij nauwelijks iets: hij is meer gehecht aan het leger dan aan zijn familie.

In september 1811 gaan de soldaten weer op pad. Abbeel beschrijft een aantal baldadigheden die hij en zijn kornuiten begaan tegenover de lokale bevolking, o.a. in Aldekerk (tussen Kempen en Geldern).

Over Münster schrijft hij dat de mensen er arm zijn en hun voeding pover. In Saksen en Polen herhalen de soldaten de wreedheden van Aldekerk.

Over Polen zegt hij: de armoede in dit land is met geen pen of mond te beschrijven. De mensen bewerken hun grond slecht, het zijn luiaards en dieven, die als lijfeigenen de grond van baronnen en prinsen bewerken, die bovendien de mooiste vrouwen misbruiken (p. 41-44).

Op 24 juni 1812 trekken ze de Memel of Njemen over, de toenmalige grens tussen Polen en Rusland. Abbeel vermeldt nooit, dus ook hier niet, waarom Napoleon tegen iemand gaat vechten.

Herhaaldelijk maken ze mee dat de Russen grote voorraden haver en koren in brand steken. Tegelijk doen de Franse militairen niets anders dan het eten uit de huizen plunderen. Smolensk wordt ingenomen ten koste van 40.000 doden en gewonden.

Tsaar Alexander stuurt geregeld onderhandelaars naar Napoleon, maar deze is niet bereid vrede te sluiten. Zo stelt Abbeel het voor. Wellicht hadden Welten en De Wilde beter een voetnoot bij deze opmerking geplaatst, want de tsaar wilde helemaal niet onderhandelen. Hij wilde pas onderhandelen, als Napoleon met al zijn troepen Rusland zou hebben verlaten. Dat was de enige boodschap van de ‘onderhandelaars’ van de tsaar. Napoleon was hiertoe uiteraard niet bereid, omdat Rusland de bepalingen van het vredesverdrag van Tilsit (1807) vanaf 1811 niet langer nakwam. Het stopzetten van de handel met Engeland bracht te veel nadelen met zich mee.

Op 7 september 1812 winnen de Fransen bij Borodino tegen Koutousov. Op 14 september bereiken ze Moskou. Op 17-18 september steken de Russen hun eigen stad en de grote voedselvoorraden in brand. De houten huizen gaan in de vlammen op. Van 14 september tot 23 oktober bivakkeert het leger bij Moskou. Het wordt steeds kouder en kouder, er is geen eten meer behalve het vlees van hun paarden. De generaals en officieren zijn dan al verdwenen bij de eenheid waar Abbeel dient, althans volgens de auteur.

Op 23 oktober vertrekken ook de soldaten richting vaderland. Ze moeten nog 700 uur gaan, door de modder, zonder eten, met te weinig kleren, blootsvoets, want ze hebben hun laarzen vol luizen opgestookt. Op 11 november zijn ze (weer) in Smolensk. Dan hebben ze al één derde van hun manschappen verloren door honger en vrieskou. De sneeuw ligt 60 cm hoog.

Op 26 november dooit het even. Daarom is de Berezina niet dichtgevroren. De oversteek van deze rivier begint op die dag. De overtocht verloopt chaotisch en met grote verliezen.

Het doodslaan van een varken door Charles Minnen leidt bijna tot de dood van Abbeel en zijn kompanen. In Vitebsk kunnen ze weer brood kopen bij de vele Joden die er toen woonden. Onder weg worden ze opgejaagd door de Kozakken en zien ze de ene makker na de andere sterven. Abbeel zelf is bij momenten ook meer dood dan levend. In de buurt van Mariënburg wordt hij drie keer krijgsgevangen gemaakt, maar weet telkens te ontsnappen. In Mölln bezoekt hij het graf van Tijl Uilenspiegel.

In Hamburg treft hem het noodlot: hij wordt gevangen genomen door de Kozakken, “die vervloekte en vermaledijde honden” (p. 122). Duizend  kilometer heeft hij dus tevergeefs afgelegd. Op 2 mei 1813 begint de terugtocht van ca. 1000 krijgsgevangenen richting Moskou. Twaalf Kozakken begeleiden hen.

Twee weken later is Abbeel in Berlijn, voor de 14de keer. Na een woelige zeereis over de Baltische Zee komen de overlevenden op 2 augustus 1813 ziek aan in Narva, nabij Sint-Petersburg. Dan moeten ze te voet verder naar Novgorod, Moskou, een Duitstalige kolonie bij Saratov (aan de Wolga).

Eind december 1813 bereiken ze Novo-Sabacsarski, in Kazan, eveneens aan de Wolga. Het sterftecijfer onder de militairen in Russische krijgsgevangenschap ligt dramatisch hoog: van de 6.000 die zich in juni 1813 hebben ingescheept, zijn er in maart 1814 nog 170 in leven (p. 255).

Na de Vrede van Parijs (30 mei 1814) mogen de niet-Franse krijgsgevangenen begin juni naar huis. Ze zijn zeer verheugd dat ze “dat barbaarse Rusland mogen verlaten en terugkeren naar de beschaafde wereld” (p. 144). In zijn handschrift  verwoordt hij het als volgt: ”zeer verheugde van die wilde en domme natie te mogen verlaeten, om met menschen te gaen leéven” (p. 256). Hij vergeet dat hij en zijn kornuiten zich herhaaldelijk wild, brutaal en hautain hebben gedragen.

Voordat de terugkeer uit Rusland aanvangt, beschrijft hij even hoe het land er uitziet: “uitgestrekt, dun bevolkt, veel bossen, allemaal houten woningen, behalve de kerken met hun koperen daken".

De mensen dan: "dik, plomp, dronkaards, dieven, nietsnutten, zedeloos, ongeletterd, naïeve slaven van baronnen. De kleine boeren hebben paarden en koeien die kleiner zijn dan bij ons. Genezen doen ze met een soort sauna, zonder dokters. Ze zijn zelden ziek en worden heel oud. Trouwen doen ze op 14 à 15 jaar, zonder verkering vooraf. De ouders regelen het huwelijk. Verharde wegen zijn er bijna niet”. Helaas stopt hij zijn beschrijving, omdat zijn papier opraakt. Het oordeel over deze 'onbeschaafde natie' laat hij over aan de lezer (p. 144-152).

Op de terugweg passeren ze een barok paleis in Jelgava, Letland, waar (de latere) koning Lodewijk XVIII in ballingschap zat van 1798 tot 1801 en van 1804 tot 1807. In Oost-Pruisen beledigen Pruisische officieren Napoleon, iets “wat ons meer pijn doet dan alles wat we tot nu toe hebben doorstaan” (p. 154).

Via Het noorden van Polen en Duitsland bereiken ze Deventer, Arnhem, Nijmegen. In maart 1815 vernemen ze dat Napoleon uit Elba onder weg is naar Parijs. In Hoogstraten worden ze het best ontvangen. Nabij Turnhout vragen mensen of Vloers nog leeft. Hij weet dat zijn makker dood is, maar liegt en zegt dat hij op komst is. In Valenciennes wordt zijn groep mishandeld, omdat de inwoners vrezen dat deze militairen Napoleon gaan helpen. In Rijsel verblijven ze enkele maanden  in de citadel.

Over Waterloo (juni 1815) zegt hij geen woord. Na die nederlaag valt het doek over Napoleon. Op 27 augustus neemt Abbeel afscheid van zijn lotgenoten. Een dag later komt hij aan in Kaster (Anzegem, West-Vlaanderen), waar zijn moeder is gaan wonen na het overlijden van haar man (1810) en waar haar broer notaris en burgemeester is.

Jef Abbeel eindigt zijn avontuurlijk verhaal als volgt: “Tien jaar heb ik gediend te paard en tien verwondingen heb ik opgelopen in Oostenrijk, Pruisen, Polen en Rusland, zonder daarvoor maar enige beloning van de Franse staat te ontvangen. Geschreven en nagekeken te Kaster op 17 juli 1817, J. Abbeel, ex-carabinier”. (p. 158).

Dan volgen grondige nabeschouwingen van Welten en De Wilde: hun historische aanpak, de geschiedenis van het manuscript, dat in 1926 voor veel geld aangekocht is door de Gentse universiteit. De authenticiteit: die konden ze controleren in het archief van Vincennes, aan de hand van de gegevens over Abbeel en zijn strijdmakkers. De betrouwbaarheid: soms  maakt Abbeel in zijn chronologie en topografie foutjes, die een historiograaf niet mag maken, maar die foutjes zijn irrelevant en versterken zelfs de authenticiteit. Opmerkelijk is wel dat hij die zo mooi kon schrijven, geen brieven schreef naar zijn familie, iets wat vele gewone soldaten wel deden.

Het manuscript werd pas in 1969 uit de vergetelheid gehaald door generaal Willems. Deze vertaalde het in het Frans. Zo kwam het boek ook in Vincennes terecht en werd het overal bekend. Zamoyski maakte er dankbaar gebruik van in zijn bestseller. Willems kortte de tekst soms in, Welten en De Wilde hebben het handschrift bewust integraal hertaald.

Ze leggen ook uit hoe de militaire dienstplicht functioneerde in Frankrijk en in de veroverde gebieden. In de Zuidelijke Nederlanden werden 216.111 jongemannen opgeroepen op een bevolking van 3 miljoen. De helft keerde levend terug. Ze vermelden dat er even hevig protest tegen was, maar vergeten de naam Boerenkrijg plus de andere oorzaken daarvan (p. 173).

Ze geven ook een korte militaire geschiedenis van 1792 tot 1815. De Franse Revolutie had een ongekend potentieel aan idealisme en daadkracht vrijgemaakt in Frankrijk en kennelijk ook daarbuiten. Lotelingen die aanvankelijk vaak tegen hun zin optrokken, integreerden snel in het Franse leger via een opmerkelijk groeiproces en dankzij de kameraadschappelijke sfeer, ze namen de waarden eer en heldenmoed over en ze werden loyale en trouwe fans van Napoleon. Zijn leger was veruit het grootste van Europa.

Ik twijfel wel aan hun uitspraak dat Napoleon bij zijn inval in Rusland geen duidelijk oorlogsdoel had en zelfs niet tot Moskou of Sint-Petersburg wou oprukken. Volgens Welten en De Wilde wou hij enkel het Russische leger snel verslaan, zodat de tsaar een akkoord met hem zou sluiten en geen handel meer zou drijven met Engeland.

Vervolgens krijgen we  een degelijk en becommentarieerd overzicht van de literatuur over de tocht naar Moskou en een vergelijking van deze memoires met die van vele andere deelnemers aan de tocht. Geen enkele soldaat schreef zo snel na de tocht en zonder beïnvloeding door anderen zulke omvangrijke tekst, met zo’n rijkdom aan expressie en met een gevoel voor taal dat uniek was voor een soldaat.

Zijn kladversies herwerkte hij meerdere keren. Hij toont zich een begenadigd verteller, die in dramatische omstandigheden zijn humor boven haalt en de rauwheid van het primitieve militaire bestaan met zijn luizen, vlooien en 'schijterij' weergeeft zoals het is, zonder waardeoordeel. Hij verzwijgt niet dat hij zelf twee soldaten heeft gedood, soms egoïstisch was in zijn struggle for life of wreed optrad tegen boeren en burgers, van wie hij voedsel, paarden en geld opeiste. In zijn survival speelde zijn optimistische en positieve ingesteldheid een belangrijke rol.

Overdrijven doet hij ook graag. We geven twee voorbeelden: onze laarzen zaten vol luizen en vlooien, omdat we ze zes maanden lang, dag en nacht, aangehouden hadden (p. 66); twee Franse officieren waren door Kozakken tot pasteivlees gehakt (p. 119). De schrijver weet de lezer wel te boeien. 

Vier onderwerpen spelen geen rol in zijn memoires: zijn houding tegenover officieren (hij berust in hun straf en maakt nooit promotie), zijn houding tegenover God, tegenover zijn familie en tegenover vrouwen. Hoewel hij vele malen in levensgevaar is, bidt hij nooit tot God om hulp. Aan het vrijzinnige soldatenmilieu heeft hij zich snel aangepast.

Nergens toont hij dat hij zijn familie mist. Ze ontbreekt compleet in zijn verslag. Hij vermeldt nergens iets over een brief naar of van zijn familie. Het overlijden van zijn vader in 1810 en de verhuizing van zijn moeder van Vrasene naar Kaster, weten we uit andere bronnen. Lotgenoot Willem Kenis uit Loenhout daarentegen is dolblij wanneer hij zijn vader en moeder eindelijk terugziet. Hij had hen al die jaren enorm gemist.

Ook vrouwen interesseren Jef Abbeel niet. Zijn paard en sommige kameraden daarentegen omhelst hij wel eens. Misschien voelde hij zich aangetrokken tot mannen, maar dit was taboe in de 19de eeuw. Hij zegt van zichzelf ook niet dat hij van nature ijzersterk was, evenmin dat hij met een verminkte linkerhand, dus als oorlogsinvalide, terugkwam. Daardoor kon hij enkel nog beroepen zoals gemeentesecretaris, onderwijzer en gemeenteontvanger uitoefenen.

In 1817 kon hij nog niet vermoeden dat hij bijna 80 jaar zou worden, ondanks alle honger, dorst, kou, verwondingen en zware ziektes.

Het boek eindigt met een indrukwekkende lijst van egodocumenten in het Nederlands, Frans en Duits en veel secundaire literatuur. Hierbij mis ik de Nederlandse versie van Dominic Lieven (p. 218) en van Adam Zamoyski (p. 219). (Welten opteert voor de originele taal).

Welten en De Wilde zijn bijzonder zorgvuldig te werk gegaan, zowel in de hertaling van de memoires als in hun opzoekingswerk in Belgische en Franse archieven. Dat resulteert in zeer boeiende noten, met veel informatie over andere soldaten die de tocht meemaakten, niet enkel Vlaamse, maar ook van andere nationaliteiten.

Waalse soldaten komen eigenaardig genoeg maar amper ter sprake: hoop en al één. De noten staan helaas achteraan, wat onhandig is voor de lezer, maar wel bijdraagt aan een mooiere bladspiegel.

Op vele pagina’s staan mooie en functionele reproducties van tekeningen en aquarellen, gemaakt door deelnemers aan de tocht, grotendeels aangeleverd door Welten. Ze tonen geüniformeerde militairen, plaatsen waar het leger doortrok, Russische steden, het leger zelf op weg naar en op de terugtocht van Moskou, krijgsgevangenen die in de vrieskou helemaal uitgekleed werden om ze alles af te pakken. Helaas zijn er geen onderlinge verwijzingen tussen de prenten en de tekst.

Vooraan (p. 8-9, 16-17) staan ook twee kaarten met de voornaamste plaatsnamen die in het boek voorkomen. Ze missen de hedendaagse grenzen. Hannover (p. 32) mag met dubbele n. Pagina’s met kaarten of foto’s zouden ook genummerd mogen zijn. Maar zulke details kunnen de pret niet bederven. Het boek is zijn prijs ruimschoots waard. Elke lezer zal ervan genieten.

Referentie:

Joost Welten en Johan De Wilde, Met Napoleon naar Moskou. De ongelooflijke overlevingstocht van Joseph Abbeel.
Uitgeverij Davidsfonds, Leuven / Omniboek, Kampen, 2011. 263 p.; kaarten, foto’s, tekeningen, grafiek, literatuur, register, noten. ISBN 978-90-77942-51-2

reageer

Eén reactie

  • door P. Koppelman op donderdag 26 april 2012

    Ik heb het boek gelezen en vond het zeer de moeite waard, temeer daar er nauwelijks iets bekend is over het leven van de Napoleontische soldaat. Wel krijg je op school allerlei wetenswaardigheden te horen over dit soort oorlogen maar niet over hoe de soldaat moest overleven. Ik vindt het een boeiend boek en heb het bijna in een keer uitgelezen. Wel heb ik van de persoon Abbeel en vreemde smaak in mijn mond gekregen, hij was niet vies om over anderen te oordelen maar schijnbaar had hij er geen moeite mee om zelf te doen wat hem op dat moment goed dunkte. Paul Koppelman

Lees alle reacties