Bij DeWereldMorgen.be schrijven we niet voor de clicks.

We maken media voor een betere wereld.

Samen met vele vrijwilligers en burgerjournalisten.

Om dit te blijven doen hebben we uw steun meer dan nodig!

Steun onafhankelijke media!

Ja, ik doe een gift

about
Toon menu
Opinie

Er is maar 1 sociale zekerheid en ze is van ons

“Laten we even nageltje klop spelen, maar laten we altijd hetzelfde nageltje gebruiken.” Dat hoor ik werkgeversorganisaties, politici, economen en neoliberale ‘genieën’ (ahum) al tientallen jaren lang fluisteren tegen elkaar. En als ik goed luister, hoor ik dit: “De loonkosten voor werkgevers liggen veel te hoog in België. Deze torenhoge kosten moeten naar beneden.” Maar klopt dat wel? Laat me daar toch wat grondiger op ingaan.
maandag 11 februari 2019

Ik werk en betaal RSZ-bijdrage op mijn maandelijkse loon. Een deel van mijn loon sta ik dus af aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. In ons land wordt de bijdrage voor de RSZ deels betaald door 13,07 procent af te houden op het brutoloon van mijn en uw loon. Daarbovenop wordt nog eens, door mijn werkgever, 32 procent - sinds 1 januari 2018 is dat nog maar 25 procent als gevolg van ‘de tax shift’ - doorgestort naar de RSZ. Dit noemt men in de volksmond – en ook wel ten onrechte – de ‘werkgeversbijdrage’.

Ten onrechte dus. Gaat het wel om een bijdrage van de werkgevers? Néén, in geen geval. De bijdrage die mijn werkgever doorstort naar de RSZ is namelijk een deel van mijn loon. Dat is historisch zo gegroeid. Even herhalen: het is een deel van mijn loon als werknemer. En dat geldt voor alle werknemers.

Zekerheid is een menselijke basisbehoefte. Want, om zich tegen de risico’s van het bestaan te verzekeren, heeft de mens in het verleden allerlei oplossingen gezocht. Om er een paar te noemen: hulpverlening onder families, sparen, georganiseerde liefdadigheid, principes van burgerlijke aansprakelijkheid en onderlinge bijstand of mutualiteit.

Flashback

De RSZ en de sociale zekerheid zoals we die nu kennen, bestaan sinds 1944, sinds de ondertekening van het befaamde ‘Sociaal Pact’. Maar de wortels van het systeem gaan terug tot in de 19de eeuw. Toen ontstond een uitgebreid netwerk van sociale verzekeringskassen. Die initiatieven waren vaak beperkt tot een beroepsgroep (bijvoorbeeld mijnwerkers) of dekten een bepaald risico (bijvoorbeeld arbeidsongevallen). Sommige gingen uit van individuele werkgevers, andere van werknemers. Deelnemen was altijd vrijwillig. Via subsidiëring probeerde de overheid, die naar sociale samenhang streefde, de drempel om aan te sluiten te verlagen.

Vanaf het begin van de 20ste eeuw werden de verzekeringen geleidelijk aan verplicht gemaakt, zodat hele bevolkingsgroepen konden worden gedekt. Het idee voor een verplichte verzekering was overgewaaid vanuit Duitsland, waar de beruchte Bismarck al in 1882 een arbeidsongevallenverzekering op nationale schaal verplicht had gemaakt.

Eerste sociale verzekeringen

Zo’n (r)evolutie veronderstelde diepgaande structurele hervormingen: een bescherming die ten goede komt aan wie ertoe bijdraagt en dit onder het toeziend oog van de overheid. Ondanks de uitbreiding van de verzekeringen was de sociale bescherming in de jaren 1930 zeker nog niet algemeen. Sommige groepen vielen nog altijd uit de boot. Bovendien ontstond de behoefte om te vereenvoudigen en verworven rechten te harmoniseren.

Toen de Tweede Wereldoorlog op zijn laatste benen liep, sloten de vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in het geheim een “overeenkomst tot sociale solidariteit”. Daarin werden de principes afgesproken voor een toekomstig stelsel van sociale zekerheid, gericht op de solidariteit tussen personen onderling.

Heel snel na de Bevrijding, op 28 december 1944, werden die principes overgenomen in de “Besluitwet betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders”. Dat werd het algemene kader van de sociale zekerheid, en had betrekking op:

  • rust- en overlevingspensioenen
  • ziekte- en invaliditeitsverzekering
  • werkloosheid
  • kinderbijslagen
  • jaarlijkse vakantie 

De wet sprak over:

  • een verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering 
  • een verplicht stelsel van werklozensteun
  • een verbetering van de al verplichte regelingen voor ouderdoms- en overlevingspensioenen en kinderbijslagen 

Rijksdienst voor Sociale Zekerheid

De bestaande instellingen, die op initiatief van de werkgevers of werknemers waren opgericht, werden bij de werking van het nieuwe systeem betrokken. De werkloosheidskassen, ziekenfondsen, kinderbijslagfondsen en jaarlijkse vakantiekassen bleven bevoegd om sociale voordelen uit te keren aan de rechthebbenden.

De opdracht om de bijdragen te innen, werd toevertrouwd aan een nieuwe instelling: de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ). Deze op vereenvoudiging gerichte centralisatie was technisch en administratief gezien één van de sterke punten van de hervorming van 1944-1945.

Totaal bruto loon is niet gelijk aan bruto loon

Voor de invoering van de RSZ was het brutoloon (+ werkgeversbijdrage) van de werknemers dus ook het bedrag dat ze daadwerkelijk in handen kregen. De werkgevers werden pas verplicht om een deel van dit totale brutoloon door te storten naar de RSZ toen de overheid en de beheerders van alle sociale kassen zagen dat heel veel werknemers, nadat hun (te laag) loon cash was uitbetaald niets konden sparen voor periodes dat ze ziek, werkloos en pensioengerechtigd waren. Het stuk dat de werkgevers doorstorten naar de RSZ is dus wel degelijk een deel van uw loon. Het is de verzekering, die een uitkering betaalt aan werknemers in periodes van ziekte, werkloosheid, pensioen en de garantie op het krijgen van kinderbijslag en vakantiegeld.

Kijk dus even goed naar je loonbrief om te lezen wat je totale brutoloon is, hoeveel de werkgever doorstort en hoeveel de werknemer rechtstreeks betaalt aan RSZ. Zo krijg je het brutoloon waarop dan nog de bedrijfsvoorheffing wordt afgehouden. Zo wordt mijn loon effectief mijn loon en blijft het dus mijn loon.

Welk soort maatschappij willen wij?

Met de regelmaat van de klok worden wij om de oren geslagen met de stelling dat België de op één na hoogste loonkosten heeft, na Denemarken. Als we opiniemakers, politieke partijen en politici – die dit graag hardop roepen – mogen geloven, zouden de werknemers en de vakbonden zich (bijna) schuldig moeten voelen. En hoe harder en regelmatiger dit discours wordt gebracht, des te meer mensen dit verhaaltje ook nog gaan geloven.

Maar zijn de kritiek en het gejeremieer wel terecht? Mogen wij dan niet trots en fier zijn op ons Belgische sociale verzekeringsmodel?

Heel veel landen, waar ook ter wereld, zijn jaloers op ons sociaal verzekeringsmodel en zouden maar al te graag een gelijkaardig systeem hebben. Uiteraard hangt hier een prijskaartje aan vast, maar het gaat vooral over het maken van de juiste keuzes. Ofwel kiest een maatschappij voor een degelijk herverdelend sociaal zekerheidsmechanisme, ofwel kiest ze ervoor om alles over te laten aan het individu, zeg maar het Amerikaanse model. Wat dat Amerikaanse model – waarbij elk individu een privéverzekering afsluit – teweegbrengt, weten we stilaan allemaal. Wie het geluk heeft een goedbetaalde job te hebben, kan zich beter verzekeren dan wie een onzekere en onderbetaalde job heeft. In de VS word je maar beter niet ziek, werkloos of arbeidsinvalide. 

Het is zeer duidelijk dat de Belgische werknemers en vakbonden niet kiezen voor het individuele, Amerikaanse model dat de kloof tussen arm en rijk alleen nog maar groter maakt en bovendien de groep mensen in armoede vergroot. Het wordt hoog tijd dat werkgevers en politiek luisteren naar wat de werknemers wensen. Wij maken samen de koek, laten we hem dan ook samen eerlijk verdelen.

Lasten, kosten, handicap?

Het valt op dat veel termen en begrippen, die door werkgevers en politici gebruikt worden als het over ‘loon’ gaat, negatief klinken. Zo is er sprake van ‘loonlasten’, zo zwaar alsof ze niet gedragen kunnen worden; ‘torenhoge loonkosten’, zo hoog dat je er niet over kan zien of de ‘loonkostenhandicap’, alsof het een gebrek is.

Het lijkt wel of een loon ontvangen een vreselijke ziekte of handicap is, terwijl werknemers uiteraard hun loon verdienen in ruil voor de arbeid die ze presteren. Elke werknemer heeft recht op een rechtvaardig en welverdiend loon op basis van haar/zijn inzet en ervaring. Ik ben daar trots op. En daar mag elke werknemer best trots op zijn.

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig.