about
Toon menu
Opinie

Het masker van de regering Michel is volledig gevallen

Als over de regering Michel wordt gezegd dat ze regeert voor de rijke klasse, dan ontkent ze dat telkens met een batterij argumenten die de werkelijkheid moet verdoezelen. Maar veel wordt duidelijk als het regeringsbeleid wordt geanalyseerd op de maatregelen die de rijken bevoordelen. Vooral als je gaat kijken naar de belastingverminderingen op de bedrijfswinsten, de subsidies aan de ondernemingen en de privatiseringspolitiek.
woensdag 6 september 2017

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Om de tewerkstelling te bevorderen kregen de bedrijven in 2015 samen een bedrag van 13,8 miljard euro aan subsidies. De belasting op de ondernemingswinsten bedroeg 13,9 miljard euro. Je leest het goed. De subsidies aan de bedrijven zijn zo goed als even groot als de belastingen die de bedrijven betalen. Je kan dus evengoed zeggen dat de ondernemers op hun winst niets bijdragen aan de samenleving, omdat ze bijna alles terugkrijgen via subsidies. Maar hier stopt het niet. 

Ondanks de gulle subsidies heeft de regering Michel beslist om vanaf 1 april 2016 de werkgeversbijdrage te verminderen van 33 procent naar 30 procent en vervolgens in 2018 de werkgeversbijdrage verder te doen dalen naar 25%. In 2016 betekende dit voor de sociale zekerheid 1 miljard euro minder inkomsten. In 2020 zal dat 2,5 miljard zijn. Geld dat dus verdwijnt in de zakken van de patroons en de aandeelhouders. Maar, ga je misschien zeggen, die werkgeversbijdrage is toch geld van de werkgever? Neen, dat is nog steeds een grote misvatting. 

Let op de woorden

‘Werkgeversbijdrage’ is een begrip dat de lading niet dekt. Dat komt omdat de werkgeversbijdrage niet het geld is van de werkgever, maar van de werknemer. Dat zit namelijk zo: werkgevers- en werknemersbijdragen maken deel uit van de totale loonkost voor de werkgever. Onder het begrip totale loonkost moet worden verstaan: nettoloon + bedrijfsvoorheffing + werknemersbijdrage + werkgeversbijdrage. De eerste drie begrippen vormen samen het brutoloon. De ‘werkgeversbijdrage’ is een percentage boven op het brutoloon.

Door een onderscheid te maken tussen het begrip werkgeversbijdrage en werknemersbijdrage, geeft men de indruk dat de werkgever hier een extra inspanning levert. Wat niet waar is, want de werkgever rekent de totale loonkost bij zijn globale onkosten. Wat de werkgever doet, is de optelsom van werknemers- en werkgeversbijdrage doorstorten aan de sociale zekerheid. Ook de fiscus krijgt een deel. Zo stort de werkgever maandelijks een voorafbetaling op de uiteindelijk te betalen belastingen die een werknemer op het einde van het jaar op zijn/haar brutoloon moet betalen. Dit wordt de bedrijfsvoorheffing genoemd. Wat dan overblijft, is het netto loon. Het deel van het globale loon dat de werkgever doorstort naar de sociale zekerheid is een uitgesteld loon van de werknemer, dat terecht komt in een sociale zekerheidskas. Bij ziekte, werkloosheid of bij pensionering wordt het vervangingsinkomen vanuit die sociale zekerheidskas betaald.

Als het zo zit, kan men dan niet zorgen dat de werkgever alle sociale bijdragen doorstort onder de noemer ‘sociale bijdragen’? Dat had gekund, als er in 1944 tijdens de besprekingen van het ‘ontwerp van akkoord van sociale solidariteit’ andere afspraken waren gemaakt. Door de werkgevers en de werknemers samen het beheer toe te vertrouwen van de sociale zekerheid, zouden de sociale spanningen afnemen. De begrippen werkgeversbijdrage en werknemersbijdrage rechtvaardigden de deelneming van beide groepen. Het overleg tussen werkgevers en werknemers werd hierdoor geboren, waardoor sociale vrede werd gewaarborgd en waardoor akkoorden konden gesloten worden die de werknemers een waardiger leven boden.

Maar er zat een adder onder het gras die tijdens de loop der jaren zichtbaar werd. Door een deel van het loon ‘werkgeversbijdrage’ te noemen, kreeg de werkgever meer macht op een deel van het loon. De laatste jaren is dat heel duidelijk geworden. Als werkgevers het hebben over de hoge loonkost, dan hebben ze het altijd over de vermindering van de werkgeversbijdrage. Hun redenering is dat de werknemers daar toch niets van voelen, want een vermindering van de werkgeversbijdrage wijzigt niets aan het brutoloon, en dus ook niet aan het nettoloon dat de werknemer op zijn loonbrief ziet staan. De werkgeversbijdrage staat immers niet op de loonfiche, waardoor het lijkt alsof het geen deel uitmaakt van het loon.

Vennootschapsbelasting in vrije val

Werkgevers en aandeelhouders worden niet alleen in de watten gelegd via subsidies, deze regering heeft ervoor gezorgd dat ze ook nog eens een belastingverlaging op de bedrijfswinst krijgen. Maar, werd gezegd, de inkomsten uit de vennootschapsbelasting moeten stabiel blijven. Om die stabiliteit te behouden, zal een aantal aftrekposten verdwijnen en in ruil gaat het basistarief van de vennootschapsbelasting stapsgewijs omlaag. Het basistarief van de vennootschapsbelasting is nu 33,99 procent. Dat zal in 2018 dalen naar 29 procent. In 2020 wordt dat 25 procent. Specifiek voor kmo's voorziet de regering in een extra verlaging van de vennootschapsbelasting. Een verlaging van 34 procent naar 25 procent kost 4 miljard euro.

Waar gaat men deze miljarden halen? De maatregelen om buitensporige belastingaftrekken door bedrijven onmogelijk te maken, zouden volgens de regering samen 1,84 miljard moeten opleveren. Als dat voor waarheid wordt aangenomen, dan moet er nog steeds 2,16 miljard worden gevonden. Johan Van Overtveldt ( N-VA) gelooft dat door de verlaging van belastingen en sociale bijdragen voldoende terugverdieneffecten zullen komen, omdat de bedrijven dan meer mensen in dienst zullen nemen. Volgens fiscaal expert Michel Maus is de financiering van de verlaging van de vennootschapsbelasting helemaal onzeker en onduidelijk. "Hopen op veel terugverdieneffecten is bedenkelijke politiek", aldus Maus.

Jobs die geen jobs zijn

In 2014-2016 is de werkgelegenheid in België met 120.000 banen gestegen en is de werkloosheid met 45.000 gedaald. Op het eerste zicht zou je kunnen zeggen dat de politiek van loonkostdaling werkt. Als je de cijfers wat naderbij bekijkt, is het beeld niet helemaal wat het lijkt. Ides Nicaise, Armoedespecialist aan KU Leuven, onderzocht de cijfers en stelde vast dat de kwaliteit van de nieuwe banen verre van optimaal is: 40 procent is deeltijds, 52 procent tijdelijk en 47 procent krijgt een loon op het niveau van de 20 procent laagstbetaalde banen. De terugverdieneffecten om de verlaging van de vennootschapsbelasting te betalen, kunnen dus onmogelijk van dit soort tewerkstelling komen aangezien deze mensen een te laag loon verdienen om hieruit voldoende belastingen te innen. En aangezien de regering verder gaat met de creatie van snertjobs, wordt het al helemaal duidelijk.

Zo worden de flexi-jobs, waarmee werknemers vandaag kunnen bijklussen in de horeca, uitgebreid in handelszaken zoals bakkers, slagerijen en kleine winkels. Ook komt er een soepelere regeling voor nachtarbeid en zondagswerk in de sector van de e-commerce. Om de strijd tegen de ongezonde arbeidsomstandigheden te breken en om die flexibiliteit mogelijk te maken, hebben bedrijven niet langer het akkoord van al hun vakbonden nodig, het fiat van één bond volstaat. Dat geeft de werkgever immers de macht om een verdeel- en heersspel te hanteren. En tenslotte, in alle sectoren wordt vanaf volgend jaar interimwerk mogelijk.

De ideologie

De maatregelen die een regering neemt, mogen niet alleen geanalyseerd worden op de techniciteit en op de directe gevolgen, maar ook op de ideologie. Deze regering kiest duidelijk opnieuw voor een eerdere fase in het kapitalisme, waarbij de overheid zo weinig mogelijk functies opneemt. Dat is te merken aan haar privatiseringsvoorstellen. Men wil terug naar een kapitalisme waarbij de overheid nog enkel die diensten verleent die niet kunnen worden ingevuld door privémiddelen.

Privatisering betekent dat de economie grotendeels in handen is van een elite. Die kan geen rijkdom scheppen als de eigendom en de macht over de economie ontbreekt. En om de winst te maximaliseren, zullen de eigenaars van het kapitaal elk product, elke dienstverlening, elke menselijke activiteit en zelfs de natuur omzetten in koopwaar. Het doel wordt dan niet materiële welstand ontwikkelen voor iedereen. Het doel is winst maken. Die wordt gerealiseerd door uitbuiting van arbeid en natuur, wat natuurlijk alleen mogelijk is als je over beide het eigenaarschap bezit.

Je kan er ook niet naast kijken hoe deze regering de belangen van de rijke elite beschermt als je kijkt hoe ze, naast de gulle cadeaus in de vennootschapsbelasting, ook er zorg voor draagt dat de vermogenden zo weinig mogelijk belastingen hoeven te betalen. Het voorstel in het zomerakkoord om een jaarlijkse schijnvermogensbelasting te heffen van 0,15 procent op effectenrekeningen als de effecten een totale waarde van meer dan 500.000 euro hebben, is dan ook een lachertje. De praktische uitwerking creëert problemen en de ontsnappingsroutes liggen voor het grijpen. Daardoor wordt de voorziene 254 miljoen euro door fiscale experts in twijfel getrokken.

Vergelijk hiermee een echte vermogensbelasting op bijvoorbeeld de 10 rijkste Belgische families die samen 72,8 miljard euro bezitten. Met een aanslagvoet van amper 3 procent brengt dit al 2,1 miljard euro op. Met dit bedrag kan je alle lage inkomsten en uitkeringen in België optrekken tot boven de armoedegrens.

Dat de regering Michel, en ook de Vlaamse regering, volop het winststreven steunt dat naar een kleine groep in de samenleving vloeit, is duidelijk als je de maatregelen opsomt die de uitbuiting van de werkende bevolking en de mensen met een uitkering bevorderen: indexsprong en loonmatiging, afbouw pensioenrechten en werken tot 67, geknabbel aan de uitkeringen en de weigering om de laagste inkomens en uitkeringen op te trekken tot de armoedegrens, hogere btw en accijnzen, duurder openbaar vervoer, duurdere kinderopvang, hoger inschrijvingsgeld aan de universiteiten en hogescholen, een hogere factuur voor water, gas en elektriciteit, verhoging van de huurwaarborg van 2 naar 3 maanden, afbouw van stabiele banen die vervangen worden door ongezonde laagbetaalde flexibele banen en interim contracten, afbraak van de sociale zekerheid en afbouw van openbare diensten en bedrijven. En om het protest hiertegen de kop in te drukken, begint men het stakingsrecht aan te vallen, te beginnen met een minimum dienstverlening.

Al deze maatregelen moeten zorgen voor een lagere loonkost en in samenhang hiermee moeten de overheidsuitgaven drastisch worden beperkt. Vooral de sociale uitkeringen zijn voor deze regeringen een doorn in het oog. Het afstoten van openbare dienstverlening en sociale zekerheid maakt het mogelijk het overheidsapparaat ingrijpend in te krimpen en de belastingen te verlagen. Niet voor de gewone mensen, maar voor de rijke klasse die een bedrijf gebruikt als een ‘winstcentrum’. Via de privébedrijven investeren ze hun vermogen om er zo veel mogelijk winst uit te halen, door de werknemers en de overheid uit te buiten.

Wat te doen

Een antwoord stond in de krant De Morgen. Sacha Dierckx van de denktank Minerva schreef in een opiniestuk over de aanvallen op de aangekondigde staking dat het logisch is dat de vakbonden reageren. ‘Met het zomerakkoord toont deze regering opnieuw dat ze België definitief en radicaal in een thatcheriaanse richting wil duwen. Lagere vennootschapsbelasting, verdere flexibilisering van arbeid, minder inkomsten voor de sociale zekerheid, besparingen op pensioenen.’ Maar om de aanvallen te kunnen afwenden, gaf hij de goede raad om te blijven strijden voor offensieve eisen. ‘Misschien moeten de vakbonden maar eens grote stakingen organiseren voor een kortere werkweek, voor meer democratie op de werkvloer, voor een gegarandeerd minimuminkomen of voor een broodnodig Belgisch klimaatactieplan.’ Aldus Sacha Dierckx.

Maar wordt het ook geen tijd om eisen te formuleren die op termijn het kapitalisme doen wankelen? Waarom zouden we niet net zo radicaal mogen zijn als de werkgeversorganisaties, die zich niet schamen om in hun voordeel eisen te stellen die een ganse bevolking verarmen? Wat houdt ons dan tegen om in het belang van iedereen ook te eisen dat de belangrijkste economische hefbomen in handen moeten komen van de samenleving? Niet de winst van enkelen staat dan centraal, maar de mens. 

Bronnen:

  • NBB, jaarverslag 2016, p.258 en p. 143
  • http://statbel.fgov.be/nl/binaries/2_WEB_NL_kerncijfers_2016_tcm325-280618.pdf p.33
  • http://www.openvld.be/?type=nieuws&id=1&pageid=85832
  • http://www.eubelius.com/nl/spotlight/tax-shift-daling-rsz-werkgeversbijdragen
  • De beginjaren van de sociale zekerheid in België, 1944-1963, Guy Vanthemsche.
  • De Tijd, 27/07/2017, p.4
  • Knack, 30/08/2017, p. 46
  • De Tijd, 07/07/2017, p. 10
  • http://derijkstebelgen.be/de-lijst/
  • De Morgen, 01/09/2017, p.2