about
Toon menu
Essay

De mens is nog lang niet af

vrijdag 21 april 2017

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Ooit omschreef Friedrich Nietzsche de mens als een ‘onbepaald dier’. Of een dier dat nog lang niet af is. En hij had gelijk. Want vandaag maakt datzelfde dier serieus werk van de verbetering van zijn soort. En dat gebeurt onder meer door twee Vlamingen – Jan Rabaey van de universiteit van Berkeley (dS 1 april 2017) en Pattie Maes van MIT Media Lab (dS 9 maart 2017) – die elke dag bezig zijn met de vraag: hoe kan de mens zijn mentale prestaties verbeteren? En hoe kan een creatieve symbiose tussen ons brein en de computer dat doel dichterbij brengen? Over de slaagkans van hun missie klinken beiden enthousiast. Maar belangrijker nog, ze zijn ook erg hoopvol als het gaat over een harmonieuze inbedding van hun technieken in de maatschappij.

Die optimistische toon valt op. Want hij staat in schril contrast met het doemdenken dat de historicus Yuval Noah Harari vandaag met veel verve vermag te etaleren in zijn veelbesproken boek ‘Homo Deus’. Stelling van deze auteur: Hoewel we onszelf altijd hebben beschouwd als wezens begiftigd met een uniek zelf en met authentieke wensen, zal met de komst van nieuwe verbetertechnieken ons gevoel van eigenwaarde een enorme knauw krijgen. En wel op twee manieren. In de ijver om onze intelligentie te upgraden met behulp van directe breinstimulatie, zullen we ongemerkt uitkomen bij capaciteiten die het politiek-economische systeem - zeg maar de huidige prestatiemaatschappij - van ons verwacht. En daarnaast zullen slimme apparaten en robotten in onze plaats beslissen, bijvoorbeeld bij de keuze van een studie of job, van de partner waarmee we in zee gaan, op welke politicus we zullen stemmen. Zodat we met zijn allen finaal onze verantwoordelijkheid zullen doorschuiven naar intelligente technische systemen.

Deze wel erg sombere want deterministische kijk op de toekomst van de mens, staat haaks op wat ik van Jan Rabaey onthoud. Namelijk dat we niet bang hoeven te zijn voor een plotse sprong. Je ziet zulke ontwikkelingen jaren op voorhand aankomen. We moeten gewoon nu al beginnen na te denken over hoe we daarmee om kunnen gaan. En dan moet het volgens Pattie Maes vooral gaan over kwesties zoals privacy en controle. Want als een technisch systeem alles in je leven kan opnemen, zelfs wat er in je lichaam en brein gebeurt, dan gaat het om erg gevoelige gegevens. En natuurlijk moet jij dan degene zijn die beslist hoe het systeem je helpt, aldus Maes.

Of met andere woorden, we hebben de tijd om na te denken, om alternatieven te overwegen en om de zaken goed op te volgen.

Maar die tijd moeten we dan ook willen en durven nemen. En daar wringt de schoen. Want ik ontkom niet aan de indruk dat er nogal eens, precies omdat we te snel willen gaan, twee fouten worden gemaakt. In de eerste plaats lijkt het erop dat ingenieurs de biologische complexiteit van ons brein serieus onderschatten. Ze zijn geneigd de enorme variatie aan uiterlijke manifestaties van ons bewustzijn – hoe elk van ons zich anders gedraagt, verschillend denkt en spreekt, heel divers in het leven staat – te reduceren tot simpele patronen van fysische en chemische signalen in de neurale netwerken van een bepaald hersengebied. Waaruit dan al snel de conclusie volgt dat je zulke mechanismen via het principe van stimulus – respons heel gericht kan dicteren en controleren. Mijn vraag aan technologen is dan: moeten we niet behoedzamer omspringen met de inwendige bron – het menselijk brein – waaraan die bonte variëteit aan uitwendig menselijk vertoon ontspringt. Moeten we perse die bron willen blootleggen, de werking van dat brein willen beheersen en er onze logica aan opdringen. Bijvoorbeeld door elektroden in te planten in een brein, met de bedoeling bij een individu gewenst gedrag uit te lokken, zoals verslavend of agressief gedrag tegengaan, iemands rouwproces inkorten, of soldaten in een gevechtssituatie aanzetten tot efficiënte daadkracht. Zullen we in de plaats van zulke directieve ingrepen in het menselijk brein, onze technieken niet veel behoedzamer moeten afstemmen op het natuurlijke ontwikkelingsproces van een brein, op wat dat complexe brein zelf aan eigenzinnige creativiteit in petto houdt. Elk brein is immers anders. Het interpreteert zelf op een unieke manier specifieke ervaringen en slaat die informatie op door voortdurend nieuwe verbindingen tussen hersencellen te leggen. Een brein is - zoals trouwens elk complex systeem in de natuur - voortdurend op zoek naar nieuwe ontplooiingsmogelijkheden. Het wil zichzelf overstijgen. Zodat precies in die soepelheid van het menselijk brein, de kiem schuilt van het improvisatievermogen en het leervermogen van een ganse gemeenschap. Waarom dan niet de lat hoger leggen en op zoek gaan naar een meer omzichtige manier van beïnvloeding, eerder dan met technologie brutaal onze format aan een afzonderlijk brein te willen opdringen. We kunnen evengoed investeren in onderzoek naar technieken die de plasticiteit van veel breinen tegelijk stimuleren en die zo het rijke potentieel aan mentale bekwaamheden in een maatschappij exploreren. Ik denk bijvoorbeeld aan technologie die onze zintuiglijke indrukken kan verrijken, zoals met sensoren het gehoor en het zicht van dieren bij mensen nabootsen. Ook aan nieuwe technische platformen om die indrukken extern op te slaan, ooit vonden we de boekdrukkunst uit, vandaag ontwerpen we virtuele en toegevoegde realiteiten. En aan nieuwe communicatietechnieken om die indrukken heel direct met elkaar te delen, momenteel nog via de sociale media, morgen misschien via het capteren van onze hersengolven om ze aan te sluiten op het wereldwijde web. Men pakt dan niet het brein van een geïsoleerd individu aan in functie van een vooropgezet mensbeeld, maar zet in op een verbetering en diversifiëring van onze collectieve mentale capaciteiten. Dat lijkt me pas het menselijk brein upgraden!

En ingenieurs onderschatten niet alleen de menselijke biologie en waar die zelf toe in staat is. Ze onderschatten ook de complexiteit van de maatschappij waarin die technieken zich zullen moeten bewijzen. Niet voor niets halen Rabaey en Maes het belang aan van niet te snel willen gaan omwille van de broodnodige maatschappelijke acceptatie. We zullen de tijd moeten nemen om artificieel intelligente systemen goed te socialiseren in de maatschappij. Het spreekt voor zich dat zulke systemen slimmer zullen worden dan de mens: ze zullen miljoenen keren sneller kunnen denken en leren, zich grotere hoeveelheden gedetailleerde informatie kunnen herinneren, in staat zijn te denken in vier of meer dimensies en hun sensoren zullen reiken tot op de nanoschaal, een ruimte waar de mens met zelfs zeer gesofisticeerde microscopen geen directe toegang toe heeft. Maar we mogen niet vergeten wat ons mensen uniek maakt. Als zwak dier zijn we op een bepaald moment met onze soortgenoten gaan samenleven en -werken in zelf gecreëerde comfortabele broedkasten. We hebben daar onze hersenen kunnen laten floreren met behulp van almaar meer gesofisticeerde leer- en communicatietechnieken. En net zoals het brein van een kind – dat zich voor het grootste deel buiten de baarmoeder vormt – voortdurend wordt gemasseerd om zich de regels, afspraken en waarden van dat samenleven eigen te maken. Zo ook zullen we de robot op een bepaald moment moeten loslaten in de maatschappij - bijvoorbeeld in een zorginstelling - om daar stap voor stap te leren uit zijn fouten. Hem zo met ons leren samenwerken zal tijd en aandacht vragen, maar dat zal lonen. Waarbij ik de technologen zou suggereren: leg ook eens het oor te luisteren bij gewone mensen. Want hun fantasieën over een toekomst met artificiële intelligentie - zo blijkt uit de burgerpanels die ik mee organiseerde - getuigen van veel gezond verstand. Waarom zouden we het dromen over onze toekomst alleen aan experts zoals een Ray Kurzweil of een Elon Musk overlaten? Maar dit gezegd zijnde - wat Harari ook moge beweren - als we zo te werk gaan zie ik in de verste verte niets veranderen aan de autonome status van de mens op aarde, van oudsher toch zijn thuis in de kosmos.

Lieve Goorden

socioloog en essayist

Recent verscheen haar boek: De sprong in de techniek. Nadenken over wat we doen, bij ISVW Uitgevers

(https://isvw.nl/Shop/sprong-techniek-lieve-goorden/)