about
Toon menu

Minnaar, dichter, communist

In november vorig jaar was het honderdvijftig jaar geleden dat Herman Gorter geboren werd, een van de fascinerendste Nederlandse dichters en een groot strijder voor de arbeidersbeweging. Veel viering of luister kwam daar niet bij te pas, maar er verscheen wel een prachtig brievenboek, 'Geheime geliefden'.
dinsdag 3 maart 2015

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Herman Gorter in 1902

Herman Gorter, die als vijfentwintigjarige in 1889 al roem verwierf met zijn lange gedicht Mei (‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid…’), trouwde in 1890 met Wies Cnoop Koopmans; hij was classicus, en voorzag ten dele in zijn levensonderhoud met privélessen. Een van zijn bijlesleerlingen, Ada Prins, werd in 1900 zijn minnares, en in 1910 begon hij ook een relatie met een andere leerlinge, Jenne Clinge Doorenbos; Ada was vijftien en Jenne tweeëntwintig jaar jonger dan hij.

Geheime geliefden (de titel is misschien wat ál te publieksgericht?) bevat 366 brieven van Gorter aan die twee vrouwen – slechts een fractie van het totale aantal: de meeste werden vernietigd, evenals de brieven die hij aan Wies schreef. Ook alle brieven die hij van zijn geliefdes ontving zijn verloren gegaan. Na de dood van Wies (1916) trouwde Gorter niet met Ada of Jenne, onder meer omdat hij dikwijls een grote behoefte aan alleenzijn had; maar hij bleef hen allebei ontmoeten en vakanties met hen doorbrengen, al kreeg Jenne hem veel vaker en langer te zien dan Ada.

Jenne was op de hoogte van de verhouding met Ada, en moest zich daarmee verzoenen – maar Ada had volstrekt geen weet van Jenne. Pas bij Gorters dood in 1927 constateerde zij verbijsterd dat hij er een andere allerliefste op nahield, en dat hij die bovendien tot zijn literair erfgename had aangesteld. Herman stierf met alleen Jenne bij zich, maar veertien dagen eerder had hij Ada nog een laaiende brief gestuurd (‘mijn Eenige en mijn Alles op de wereld’), nadat zij een week lang met hem samen was geweest.

Ego

Wat moeten we daarvan denken? Gorter had ongetwijfeld wat excuses voor zijn gedrag, en moraliseren moeten we zeker niet doen, maar het is een feit dat vooral vele latere brieven aan Ada nogal gewrongen aandoen – niet alleen omdat we wéten dat de schrijver ‘vals’ speelt, maar ook omdat zijn taal en redeneren onoprecht of gekunsteld aanvoelen. Terwijl het al irriterend is dat hij haar steevast zijn ‘Kind’ of ‘Baby’ (en zichzelf Vader) noemt, zou je hem het liefst een schop verkopen wanneer hij, blijkbaar na gemopper van haar, uitpakt met (1912):

Maar Kind, stel jij je wel altijd genoeg voor in hoe een vreeselijke moeilijke omstandigheden je Herman is. Zulk een verdriet om wat er gebeurt, […] zelf niet geheel gezond meer en dan niet kunnende werken. Vooral dat laatste mijn Vrouw, denk jij je daar wel heelemaal in. […] Dat ik niet evenzeer Baby noodig heb als vroeger, is niet waar. […] Dat dat zoo lijkt komt door de veel moeilijker omstandigheden

– en meer in die trant, veel meer.

Zelfbeklag is nooit aantrekkelijk, maar Gorter kampte vanaf 1911 werkelijk vaak met fysieke gezondheidsproblemen (hart, slijmvliezen, de huidziekte lichen…), oververmoeidheid en depressies, zodat hij zijn politieke activiteiten moest afbouwen en soms niet vooruit raakte met zijn poëzie. Allicht hadden zijn kwalen zelf voor een stuk te maken met zijn scheve situatie, en hij lijkt zich daar ook wel van bewust geweest te zijn.

Maar als lezer van deze hartstochtelijke liefdesbrieven ben je niet voortdurend bezig met wat Gorter misschien verkeerd deed. Ondanks gezeur en betutteling en potsierlijke aanstellerij is hier zoveel interessants te vinden – en zoveel dat gewoon vreselijk mooi is. Neem het volgende, uit een vroege brief aan Ada (1904):

Soms is het net in een stad of er van boven of van buiten een heerlijkheid, een innigheid binnendringt. Dan lijken de gevels zoo fijn blauw, met zoo’n blauwig waas om zich, het is alsof een val van kleuren er langs valt en op de straat lijkt het of je loopen kan in de zachtste lichten van steenen en boomen. Beneden je als je boven uit het raam kijkt lijken de menschen te loopen in een soort vergetelheid van zacht licht. Dat komt, je bent zelf in een zaligheid, je bent gelukkig, je voelt dat je van iemand en iets houdt […]. En dat kleurt je. Dat geeft een bad aan je heele bestaan. […] Ik kan nu weer over den rand van het leven heenzien. Net als op een boot over den rand zien en denken hoe heerlijk, hoe heerlijk. Ik zie het water weer krullen en fonkelen en in de kleinste dingen lees ik weer de grootste heerlijkheid. Het kleinste openbaart mij weer alles, in alles zit weer alles. Niets is meer dor of droog of van hout, maar alles leven.

Herman Gorter heeft van Ada zowel als Jenne echt gehouden, maar het is een feit dat hij erg egocentrisch was. Niet dat hij geen inspanningen overhad voor zijn dierbaren, verre van, maar hij lijkt zijn hele omgeving te organiseren rond zijn persoon, op zo’n manier dat hij er het meeste ‘voordeel’ van heeft. Dat geldt niet alleen voor de verhouding tot vrouwen. Veelzeggend is deze onbedoeld komische zin, van november 1923: ‘Ik heb weer een kleine lichen aanval en de wereldvooruitzichten zijn zwart.’

Hoe is een dergelijke ego-gerichtheid mogelijk bij iemand die zich toch daadwerkelijk en ongeremd inzette voor de anderen, voor de arbeidersbeweging, voor een betere wereld – en die daarvoor grove hoon te slikken kreeg? Misschien is het antwoord eenvoudiger dan het lijkt: ik denk dat het te maken heeft met wederkerigheid. Gorter wilde op bijna mystieke wijze opgaan in de geliefde vrouw en de wereld – en vrouw en wereld moesten er voor hem zijn. Hij zette zich in voor de wereld omdat die wereld hem ter wille moest kunnen zijn. Hoewel, ‘hem’? Het ging uiteindelijk niet om zijn persoon.

Ik probeer dat wat te verduidelijken.

Muze

Soms zegt Gorter dat hij twee gedachtes of liefdes heeft, die min of meer samenvallen: voor de vrouw enerzijds, en anderzijds voor de mensheid, het socialisme, de arbeiders, de revolutie. Aan Ada, 1903:

Het diepste innige gevoel voor de menschheid en het diepe gevoel voor de liefste, daar bestaat een verband tusschen. Het is ook niet zóó’n wonder, want de liefste is het kind van de menschheid, en de liefde in hem die liefheeft komt uit de heele menschheid voort. […] Het gevoel van liefde dat ik voor mijn liefste heb doortintelt mijn gevoel voor de heele wereld, en omgekeerd, ik geloof ook dat ik mijn liefste lief heb met het beste gevoel tot de hoogste macht, tot zijn zuiverheid gebracht, dat ik voor de menschheid heb.

Maar er blijkt een derde in het spel te zijn: de poëzie, de kunst – een poëzie die helemaal zou beantwoorden aan de geliefde en aan het socialisme. Aan Jenne, 1911:

Diep in mij zijn twee gedachten. Die maken mijn eigenlijke leven. Ze zijn aan jou en aan de menschenwereld. En samen vormen ze één gedachte: mijn liefde en hoe ze het mooist en best in een duurzamen vorm te brengen. Liefde en de uiting der liefde dat is de schoonheid, die zijn mijn eigenlijk leven.

Klinkt dat zweverig? In zekere zin is het heel helder: jij, de mensheid, en de vorm. Voor Gorter is de absolute hoofdzaak zijn literaire werk; zowel de vrouwenliefde als het socialisme staan om zo te zeggen in dienst daarvan. De vrouwenkant is wellicht het conventioneelst: de vrouw moet de dichter inspireren. Dat is vooral duidelijk in het geval van Jenne, die haar leven meer en meer naar dat van Gorter richtte: vooral zij werd zijn muze. Dat gaat zo ver dat hij het heeft over ‘ons’ werk, de gedichten die ‘wij samen gemaakt hebben’. Zij wordt voor hem meer dan een vrouw, ‘de Geest der Muziek’: ‘de hoogste belichaming en tegelijk vergeestelijking van al het schoonste, zoetste, liefste, beste, dapperste, wat ik ooit gevoeld heb’; en: ‘Het essentieele van de allerbeste krachten van de menschheid. Hun geest van liefde, samenzijn, orde, macht over de natuur.’ Zo lijkt Jenne, in een aantal brieven althans, een soort allegorische figuur, een ‘prototype’; ik geloof dat ze het wel prettig vond.

Maar het woord mensheid is alweer gevallen: de vrouw moest, als ik het goed zie, ook een inspiratiebron zijn doordat liefde van/voor haar een model zou bieden om te kunnen dichten over liefde voor de toekomstige maatschappij en de strijd ervoor. En dat laatste was toch wel het voornaamste.

Bovenbouw

Na zijn eerste grote werken zocht Gorter een nieuwe, vaste wereldbeschouwelijke grondslag voor zijn werk, en hij vond die in het marxisme. Hij werd in 1897 lid van de Nederlandse sociaaldemocratische partij SDAP (voorloper van de huidige PvdA) en begon vanaf die tijd verzen met een uitdrukkelijk socialistische thematiek te schrijven. Zijn ambitie was enorm, hij had ‘een oneindige taak in de wereld’: aangezien hij toen zowat de enige marxistisch onderlegde dichter was, een dichter die de waarheid gevonden had, wilde hij de basis leggen voor een nieuwe poëzie, en zo mogelijk grote socialistische dichtwerken tot stand brengen, die op het niveau zouden staan van de grootste literaire werken uit de geschiedenis. Dat kon niet gemakkelijk zijn, allereerst door zijn eigen kleinburgerlijke afkomst, maar ook en vooral omdat het socialisme nog te zwak stond. Dus ging hij zelf mee ijveren, met heel zijn ziel en al zijn krachten, om wezenlijke verandering tot stand te brengen – en volgde hij tegelijk met grote aandacht alle buitenlandse ontwikkelingen: het moest allemaal zijn werk ten goede komen; als de maatschappij veranderde, zou hij minder een beroep hoeven te doen op zijn loutere verbeeldingskracht. In maart 1919 schrijft hij aan Ada, terugblikkend:

Met de russische revolutie kwam er eenige hoop dat ik steun zou krijgen van de werkelijkheid en dat ik niet meer zóó eenzaam zou zijn. Dat de werkelijkheid naar het socialisme zou gaan en de heele menschheid mij steun zou geven. Wel was het van het begin af (1916 en 1917) een reusachtige spanning […] of het wel gelukken zou. Want ik zag van het begin af de vreeselijke zwakheid der arbeiders. Ik leefde al die jaren tusschen hoop en vrees en stierf honderdduizend dooden. Voor mij hing alles daarvan af. […] En nu al geruimen tijd (eigenlijk al sinds 1917 en 1918) blijkt het meer en meer dat de arbeidersklasse verslagen zal worden. Op zich zelf al vreeselijk genoeg. […] En het beteekent dat ik alles weer uit mij zelf zal moeten halen, weer voor een groot deel individualistisch en burgerlijk zal moeten blijven.

Hij ‘wist’ het allemaal wel, maar hij kon het onvoldoende ‘voelen’, en het onvoldoende ‘concreet’ uitdrukken, omdat de realiteit achterbleef. In feite zien we hier een niet al te verfijnde visie op de samenhang van politiek-economische verhoudingen en kunst, of op de samenhang van ‘basis’ en ‘bovenbouw’: om een bepaald soort kunst te realiseren is een bepaald soort maatschappij nodig. Die visie vinden we ook terug bij Gorter als lezer, dat wil zeggen als eeuwige hérlezer van Aeschylus, Homerus, Dante, Milton, Goethe, Shelley: bij hen vond hij de overeenstemming met de maatschappij waar hij voor zichzelf naar verlangde. Hij trachtte dat te analyseren in het postuum gepubliceerde boek De groote dichters, waar hij vooral in zijn tien laatste levensjaren aan werkte: een zeldzame poging tot ‘marxistische literatuurbeschouwing’ in het Nederlands. Het resultaat was niet zo denderend, en het is vaak met groot dedain bejegend; maar het was heel verdienstelijk om zoiets op touw te zetten, en je zou willen dat sommige criticasters over evenveel moed beschikt hadden.

Laten we ook niet vergeten dat Gorter zijn ‘overdreven’ hoop op een omwenteling deelde met tijdgenoten. Talloze socialisten van de late negentiende en de vroege twintigste eeuw geloofden rotsvast dat het laatste uur van het kapitalisme naderde. Gorter koesterde die overtuiging op zijn eigen manier, gepassioneerder dan de meesten, en ook ernstiger: hem was elk cynisme vreemd – en zelfs elke ironie.

Lenin

De politieke gebeurtenissen komen in deze brieven niet vaak op de voorgrond, maar ze klinken wel altijd mee. Op dat punt vind ik de annotatie in Geheime geliefden wat al te beperkt; de bezorgster (die overigens diepe dankbaarheid verdient) verwijst de lezer vaak naar de Gorter-biografie van Herman de Liagre Böhl, maar niet iedereen heeft dat boek bij de hand.

Voor de SDAP militeerde Gorter als redenaar en propagandist tot 1909, toen hij samen met een minderheid de partij verliet omdat ze te reformistisch geworden was; hij behoorde tot de oprichters van de SDP (Sociaal-Democratische Partij), die zich na de Russische Revolutie Communistische Partij Holland (CPH) zou noemen. In 1914 gaf hij uiting aan zijn verontwaardiging over de sociaaldemocratische steun voor de oorlog in de brochure Het imperialisme, de wereldoorlog en de sociaal-democratie. Dat is een nog steeds erg lezenswaardig document, zeker in deze dagen en jaren van meestal onnadenkende herdenking. Het boekje kreeg verschillende vertalingen, maar Lenin prees het al nadat hij het in Bern doorworsteld had in het Nederlands, met behulp van een Duits-Nederlands woordenboek.

Zoals velen had Gorter erop gerekend dat de oorlog revoluties in de hand zou werken, en de onverwachte Russische omwentelingen van februari en oktober 1917 vervulden hem met vreugde en hoop; hij sympathiseerde onmiddellijk met de ‘maximalisten’, d.w.z. de bolsjewieken. Op 13 november 1917 schrijft hij:

Gisteren, Maandag, las ik ’s morgens […] den [vredes]oproep van Lenin aan alle volken, aan alle arbeiders. Want zoo was die oproep. In schijn aan de regeeringen, werkelijk aan de arbeiders. […] Ik was er ontzaggelijk door getroffen. Ik kon merken hoe zwak ik in de diepte ben, want ik kreeg erg gezwollen aderen. Maar toch vond ik het zalig. – Eindelijk het juiste.

En in maart 1918:

Geloof de lasterpraatjes over de Maximalisten niet, Kind. Er zijn natuurlijk altijd slechte elementen in zulk een groot volk. Maar dat zijn niet de arbeiders. […] Wie hen belasteren, dat zijn zij die dezen oorlog hebben gemaakt en goedkeuren.

In 1917 en 1918 schreef Gorter verschillende brieven aan Lenin, die hem ook antwoordde (‘Aller hartelijkst en aardig’) en hem vroeg om te zoeken naar iemand die de bolsjewieken kon helpen in financiële kwesties. Maar Rusland volstond natuurlijk niet: er moest een wereldrevolutie komen, de arbeiders van het ontwikkelde westen moesten de macht grijpen, vooreerst in Duitsland. De ontgoocheling kwam snel. Ook Gorters houding tegenover de politiek van Lenin veranderde: hij had het moeilijk met diens pragmatische houding tegenover de boeren en in de nationaliteitenkwestie; bovendien was hij het meest aangesproken (zoals in een ander land Antonio Gramsci) door de raden, de sovjets, en juist dat aspect van de revolutie raakte in de verdrukking.

Gorter verliet de CPH, sloot zich naderhand aan bij de Duitse ‘radencommunistische’ KAPD, en maakte in 1920 in helse omstandigheden een reis naar Rusland om de zaak van dat partijtje te bepleiten; maar hij kreeg amper gehoor, en moest harde kritiek incasseren van Trotski. In brieven naar huis uitte hij zich nochtans monter, en vlak na de terugkeer schreef hij aan Jenne: ‘Het Doel waarvoor ik ging, om een nieuw Geluk te vinden en een nieuwe levensbeschouwing te ontwikkelen en misschien te voltooien, is bereikt.’ In februari 1923 klonk het aanzienlijk somberder: ‘De taktiek van Moskou en de derde Internationale heeft onze zaak niet alleen ontzettend kwaad gedaan, maar ook, over de heele wereld, ontzettend, voor jaren en jaren, vertraagd.’ Gorters bewondering voor Lenin zou echter niet verdwijnen.

Aan de arbeidersraden als weg naar het communisme bleef hij in zijn laatste jaren vasthouden, maar met politieke praktijk had hij bijna niets meer te maken, en zijn geestesgenoten vergingen in sectarisme.

Streven

Gorter denkt altijd weer aan het grote doel. Hij weet even goed als wie ook dat het in socialisme of communisme gaat om strijd tegen onrecht en uitbuiting, en dat daar allerlei kleine en lelijke menselijke kanten bij te pas komen, maar hij tracht zich niettemin, positief, een voorstelling te maken van de goede samenleving van de toekomst. Hij kruipt ’s avonds soms in bed om eens lekker te liggen denken aan zijn geliefde(s) én aan hoe goed het zal zijn in het gerealiseerde socialisme. Nadat hij weer eens in de verwarrende, ontmoedigende wereld geweest is, tracht hij in zijn eentje tot rust te komen (februari 1924):

Dan komt, heel langzaam, in de stilte, het klare ideaal terug, de klare voorstelling van den algemeenen strijd der arbeiders, de algemeene ontwikkeling der menschheid, de klare beelden, ook in detail, daarvan. […] het harmonische, klare beeld van het communisme […].

Dat valt makkelijk af te doen als naïviteit en dweperigheid, of escapisme, zeker na de tamelijk ontzettende eeuw die intussen voorbijgegaan is, maar je kunt het ook anders bekijken. Mensen die een betere maatschappij willen, moeten af en toe denken aan wat dat betere globaal inhoudt, ze moeten zich een voorstelling maken die verder gaat dan het afschaffen van akelige wetten en regelingen, en ze mogen zelfs af en toe wegdromen. Op dit punt valt er vandaag van Gorter iets te leren.

Maar wordt het doel ooit bereikt? Er was zo dikwijls reden om te wanhopen. Uit de Liedjes voor Jenne en de revolutie:

     Nooit zal ik zien

   De schoonheid van een vrouw.

Nooit zal ik mij koestren in haar schoot.

      Nooit zal ik zien,

   Wat ik in droom aanschouw,

Een menschheid puur van goud.

      Eerder vat mij de kou

   Van den eeuwigen dood.

Maar Gorter beklemtoont vaak de waarde van het streven en verlangen op zich, los van de vervulbaarheid. Zo in een vroege brief aan Ada, oktober 1902:

Er ontbreekt natuurlijk ontzaggelijk veel van de verwezenlijking, maar toch kan ik niet anders zeggen: ik ben gelukkig. […] Ja soms, ik zal het eerlijk zeggen, is het mij net of ik voel dat het niet of nog niet verwezenlijken goed is. De toekomst, daar ligt alles in, en of ik het beleven zal of niet, het zich geven aan het oogenblik, aan dat wat nu mogelijk is, vóór de toekomst, dat maakt dat ik mij ondanks alle ontbering, al het derven, gelukkig voel.

Drieëntwintig jaar later, sprekend over nieuwe poëzie die hij gaat maken, ‘het grootste wat ik ooit gemaakt heb, mijn levenswerk’, merkt hij zonder dwaze schaamte op dat zijn ‘reusachtige aspiraties’ vaak ‘grootendeels aspiraties’ blijven: ‘Maar wat is het verlangen, het streven heerlijk!’ Geen toeval dat hij Ada op een ander moment (1912) voorhoudt dat wel werk ook zijn voornaamste waarde vindt in zichzelf – en de rest is een cadeau:

Is het nuttig, schoon, zoodat anderen er ook pleizier van hebben, des te beter, dat verhoogt het, maar het is bijkomstig. Met andere woorden: wij zijn werkende menschen en in het werk zelf, de kracht, de wil, het bezig zijn iets te maken, ligt in de allereerste plaats de heerlijke kracht van het leven.

Het is zinvol daaraan ook te denken als we Gorters socialistische poëzie lezen en ‘beoordelen’. Ze moet beslist niet zo minachtend behandeld worden als vele critici van toen en later gedaan hebben, maar niemand kan ontkennen dat ze van wisselende kwaliteit is, en Gorter besefte dat zelf, hij meende dat ze niet helemaal goed kón zijn. Maar we moeten hem prijzen voor zijn manhaftige pogingen, want hij had moeiteloos succes kunnen hebben met iets anders – met een remake van Mei of zijn Verzen van 1890:

Zoolang ik leef zal ik het zoeken, dat heb ik mezelf jaren geleden beloofd. Midden in al mijn zwakheden is dat mijn sterkte. Ik wil niet de gemakkelijke, schoone natuurverzen blijven schrijven die ze van mij verwachten. Het leven dat bezig is te komen is nieuw. De menschenwereld die bezig is te komen is nieuw. De wereldbeschouwing die aanbreekt is nieuw, en nieuwe gevoelens komen er tusschen de menschen. En ik, die dat zie, weet, voel, zou niet probeeren die te zeggen! Ik zou de minste zijn als ik het niet probeerde.

Hier is nog een voorbeeld van Gorters tastende, trachtende houding: in de jaren twintig bestudeerde hij de theorieën van Einstein, en hij wilde er iets mee doen. In oktober 1921 schreef hij erover aan Jenne – hoe hij begon te zien

Dat het het begin is van de wereldbeschouwing die in het Communisme zal heerschen. Het is [het] hoogste individualisme, (tijd is relatief, elk heeft zijn eigen tijd) en het hoogste gemeenschappelijke: elk bestaat alleen door relatie tot alle anderen of tot het andere, elk bestaat alleen door het systeem waarin hij leeft. Het is ook de meest anti-autoritaire levensbeschouwing. Niets absoluuts is te vinden.

En in zijn postuum gepubliceerde De Arbeidersraad dichtte hij

Welk een gedachte! Welk een nieuw geluk!

Welk een bevrijding van een hoogen druk!

Welke slagen toegebracht aan een God,

De laatste slag, vernietigende God! 

Er is dus in ’t heelal niets absoluut.

Een tirannie van één bestaat er niet.

Van enkelen is ook geen heerschappij –

Allen zijn gelijk, slechts ’t geheel is vrij.

Maar dit is eindeloos in tijd…..

Welk een steun voor het machtig socialisme,

En voor het gouden eeuwig communisme!

Slechte poëzie? Mogelijk. In elk geval poëzie die in de jaren twintig evenmin als nu beantwoordde aan welke verwachtingen of criteria ook. En zouden we ons moeten opwinden over het feit dat Gorter ‘natuurkundige en wiskundige stellingen manipuleerde […] in de richting van zijn eigen, gepolitiseerde waarheid’ (De Liagre Böhl, cursief van mij)? Welnee. Ik voel mee met Gorter, en het is gewoon fantastisch dat hij probeerde wetenschap in poëzie te verwerken; waren er maar meer dichters waren met evenveel vermetelheid.

Maar besluiten doe ik met nog enkele Liedjes. Ook hier moeten we bedenken dat geliefde en revolutie samenvallen:

’s Nachts klem ik mij vast

Aan uw beeld, Geliefde, met de oogen.

Zoo klemt de zeeman aan de mast,

Dat hij niet verdrinken moge.

Maar juist dan verdrink ik, Geliefde,

Met uw beeld in het donker der Liefde.

 *

   O kon ik zijn in u,

O kon ik maar zijn niets,

   Geheel in u, in u.

Dat men mij zocht en niets

Vond, maar een spoor, een iets

   Van mij, in u, in u.

 *

Liefste! hongren, verlangen, niet eten

      Noch drinken. Alles vergeten

      Zijn in een reusachtige ebbe

Van alles. Maar uw beeld te hebben!


Herman Gorter, Geheime geliefden: Brieven aan Ada Prins en Jenne Clinge Doorenbos, ed. Lieneke Frerichs, 608 blz., Van Oorschot, Amsterdam, 2014. (Voor het gemak heb ik in de citaten wat komma’s toegevoegd.)

Gorters Verzamelde werken (1948-1952), en ook een aantal aparte teksten, zijn beschikbaar op http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=gort004; voor de marxistische artikelen en brochures, zie https://www.marxists.org/nederlands/gorter/index.htm.

De biografie van Herman de Liagre Böhl, Met al mijn bloed heb ik voor U ge­leefd: Herman Gorter 1864-1927, Balans, 1996, is alleen nog antiquarisch verkrijgbaar. De auteur staat afwijzend tegenover Gorters politieke keuzes en tegenover diens socialistische poëzie, maar het boek bevat een onmisbare schat aan goed georganiseerde informatie.

Lezenswaard is ook: ‘Gorters brieven aan Lenin’, in: Garmt Stuiveling, Willens en wetens, Querido, Amsterdam, 1967. Ik neem ten slotte de vrijheid te verwijzen naar het essay ‘Een mager big: Gorter het leren’, in mijn boek Wonderlijke wapens, De Bezige Bij, Amsterdam, 2012.