Analyse, Wereld, Samenleving -

Verwar solidariteit niet met empathie

Sommigen van ons ‘waren’ vorige week Charlie. Of we waren juist Ahmet. Of zouden we toch niet beter allemaal Nigerianen zijn, op dit moment? Vorige zomer waren we toch ook ‘allemaal Palestijnen’, en een paar maanden terug nog kregen we allemaal geen lucht.

dinsdag 20 januari 2015 20:54

Nieuw is deze uitingsvorm van betrokkenheid bij de
slachtoffers van geweld of onderdrukking zeker niet – waren de
Parijse studenten in mei ’68 niet allemaal ‘Duitse Joden’? –
maar het heeft er alle schijn van dat de immens populaire ‘je
suis’-slogan deel uitmaakt van een bredere ontwikkeling. Meer dan
tevoren lijken we ons ook met die slachtoffers te willen
vereenzelvigen. Het volstaat niet langer om slechts ‘solidair’ te
zijn met anderen; nee, we zijn
die anderen. We voelen hun pijn en begrijpen hun lijden!

En dus weten we nu allemaal wat het betekent om
een moslimjongere te zijn uit een Franse banlieue, of een
Afro-Amerikaan
uit een Amerikaanse voorstad. We geven uitdrukking aan ons
inlevingsvermogen door lijk te spelen op een ‘die-in’ tegen
racistisch politiegeweld of een bombardement op Gaza. Dat we het
oorlogsgeweld niet uit de eerste hand kennen, of dat we nog nooit in
een banlieue geweest zijn, doet niets af aan onze oprechte gevoelens
van empathie.

Op zichzelf is een beetje gezonde meevoelendheid
natuurlijk alleen maar prijzenswaardig en ik twijfel geen moment aan
de oprechtheid van dit soort uitingen. Maar wat we vandaag meer dan
eens nodig hebben is een sterk gevoel van solidariteit – het
vermogen om ons te verenigen in wederzijdse verbondenheid en
verantwoordelijkheid. En hoewel ze vaak in één adem genoemd worden,
zijn empathie en solidariteit niet helemaal hetzelfde. Sterker nog:
échte solidariteit kan ook beperkt
wordendoor een teveel aan inlevingsvermogen.

Allereerst: feitelijke ongelijkheid is niet
noodzakelijk een belemmering voor solidariteit. Om met elkaar op te
trekken in de strijd tegen onrecht of voor een andere samenleving
hoeven we niet per se hetzelfde vertrekpunt te hebben. Solidair zijn
vooronderstelt helemaal niet dat we hetzelfde zijn of dat we iedere
ervaring delen. Natuurlijk is het zaak om dan vervolgens – juist
als uiting en ter bestendiging van die solidariteit – zoveel als
mogelijk de bestaande ongelijkheid tussen ons uit de wereld te
helpen. Bijvoorbeeld door in onze eigen organisatiestructuren te
compenseren voor de privileges die we op basis van ras, klasse of
gender in deze samenleving genieten. Of door onze middelen te
herverdelen. Of door te accepteren dat de meeste stemmen niet altijd
gelden, en juist minderheden soms het laatste woord moeten hebben.

Maar juist dáárom moeten we eerst erkennen dat
er wel degelijk sprake is van ongelijkheid. Dat jouw ervaringen niet
te mijne zijn. Dat sommigen van ons geprivilegieerd zijn ten opzichte
van anderen, vaak zelfs zonder zich dat ten volle te beseffen. En dus
ook dat een witte
nooit – nooit!
– precies kan weten wat het betekent om in deze samenleving op te
groeien met een andere huidskleur,
dat een man nooit helemaal kan bevatten wat seksisme is, of dat je
als middenklasser maar moeilijk kan begrijpen hoe het leven eruit
ziet zonder de wetenschap dat er uiteindelijk altijd wel een vangnet
zal zijn. Empathie biedt op al die vragen geen antwoord. Het
vooronderstelt dat ‘jouw pijn’ ook door kan gaan voor ‘mijn
pijn’. Dat ik kan voelen wat jij voelt. En dus dat ik erover mee
kan praten: ik ben als jij – ‘Je suis…’ [vult u maar in op de
stippellijntjes]. Maar dit sluit onze ogen voor het feit dat we nooit
weten wat
het is om die ander te zijn, dat we nu eenmaal radicaal verschillende
ervaringen hebben – en dat dit juist deel is van het probleem.

Ten tweede: empathie is in essentie, paradoxaal
genoeg, vaak egocentrisch. Immers: wanneer men er vanuit gaat deel te
kunnen hebben aan het lijden of de woede van een ander, projecteert
men vooral het eigen begrip
van dat lijden op de ander. Een goed voorbeeld is het hoogoplopende
maatschappelijke conflict in Nederland rond ‘zwarte Piet’. Veel
goedbedoelende witten
zijn ervan overtuigd dat deze racistische karikatuur ‘kwetsend’
zou zijn voor mensen met een andere
huidskleur. Maar daarmee verliest men uit
het oog dat veel heel kleurlingen
weigeren om hun verzet tegen dit stereotype te framen in termen van
‘kwetsuur’. Dat wil zeggen: als men daar überhaupt al weet van
heeft, natuurlijk, want in het ‘publieke debat’ kwamen tot nu toe
voornamelijk – al dan niet zeer meelevende – witte
mensen aan het woord. Empathie vooronderstelt dat de ander kan en wil
voldoen aan het beeld dat wij van haar/hem hebben. En niet zelden is
dat beeld bijzonder denigrerend: dat van een zwakke of weerloze die
onze hulp nodig zou hebben.

Bovendien, ten derde: empathie is niet alleen
egocentrisch, maar kan zelfs bijzonder egoïstisch zijn. De
vooronderstelling is dat het ook altijd over mij
kan gaan. Dat het teweeggebrachte leed
ook mij
treft (ik voel immers mee!). Maar vaak gáát het helemaal niet over
mij: ik ben
geen Algerijns-Franse flik of moslimjongere. Ik word niet regelmatig
lastig gevallen door de politie of zonder reden gefouilleerd. En ik
behoor ook niet tot een minderheid die voortdurend publiekelijk wordt
beschimpt, bespot, en gecriminaliseerd. De pretentie dat het onrecht
waardoor sommigen worden getroffen betrekking heeft op iedereen,
haalt vaak juist de angel uit het protest. Zie bijvoorbeeld hoe in de
VS de slogan ‘black lives matter’ langzaam is geherformuleerd tot
‘all lives matter’. Leuk en aardig al die inclusiviteit, maar de
aanvankelijke boodschap was juist dat in de praktijk niet
alle levens even zwaar wegen! Dit
protest ging over Afro-Amerikanen
en het racistische (politie)geweld waarmee ze dagelijks worden
geconfronteerd. Daar moet je als witte
medeburger zeker solidair mee zijn, maar dan wel zonder te doen alsof
het ook over jou gaat. Punt is immers: dat is nu net niet
zo, en juist dát zou de basis moeten zijn voor solidariteit.

Tot slot: een teveel aan empathie kan, zoals men
dat met een mooi Engels woord zegt, ook heel ‘disempowering’
zijn. Het leidt dan niet tot gezamenlijke tegenmacht om verandering
af te dwingen, maar wentelt zich in lijdzaamheid. Terwijl
solidariteit juist moet gaan om het smeden van banden die ons sterker
maken en ons helpen om onze eisen kracht bij te zetten. Solidariteit
zou moeten leiden tot een groter vermogen om met de vuist op tafel te
slaan. We vragen geen
verandering – we eisen het!
In dat opzicht heb ik wat moeite met de slogan ‘Hart boven
Hard’, hoezeer ik die beweging ook steun en waardeer. Natuurlijk:
ik betwist geen moment dat een linkse, solidaire politiek meer –
véél meer – empathie vooronderstelt dan het mensonterende
neo-liberalisme. Maar linkse solidariteit moet meer zijn dan dat:
geen moreel appél aan de rechterzijde of onszelf om ‘ons hart te
laten spreken’, maar een oproep om de handen ineen te slaan en een
kering van het tij af te dwingen. Rijke bovenklassers en rechtse
politici hoeven zichzelf wat mij betreft niet in de situatie van de
onderklasse te verplaatsen. Van mij hoeven ze geen hart te hebben.
Zolang ze zich maar gedwongen voelen om te luisteren – of bij
voorkeur zelfs om het veld te ruimen.

Verwar solidariteit dus niet met empathie. Beiden
zijn misschien hard nodig. Maar wie zich al te gemakkelijk met de
ander vereenzelvigt (en dus pretendeert de ander te zijn),verliest uit het oog dat we nu eenmaal
leven in een wereld waarin we niet
allemaal in dezelfde mate met geweld,
onderdrukking en uitbuiting van doen hebben. En dat sommigen van ons
geprivilegieerd zijn, ook al hebben ze daar niet voor gekozen. Die
wetenschap alléén zou voldoende moeten zijn voor een waarlijk
solidaire, linkse politiek.

Mathijs van de Sande is als doctorandus verbonden aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte (KULeuven).

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!