Meer dan ooit heeft de wereld nood aan onafhankelijke journalistiek.

Meer dan ooit is het nodig om een tegengeluid te laten horen.

Steun daarom DeWereldMorgen.be

Ja, ik doe een gift

about
Toon menu
Opinie

Over het gedicht 'As in de mond'

De Dichter des Vaderlands van België, Charles Ducal, antwoordt op de consternatie rond zijn recentste gedicht. Hij schreef het naar aanleiding van de niet-aflatende drama's die zich rond Gaza afspelen.
zaterdag 16 augustus 2014

Het gedicht 'As in de mond', vierde gedicht van het project Dichter des Vaderlands, verscheen op 1 augustus in de krant De Morgen. Ik schreef het in de context van de Israëlische terreur tegen de bevolking van Gaza. Het gedicht werd de dagen daarop onder vuur genomen door een aantal stemmen met het verwijt het antisemitisme te dienen en kwetsend te zijn voor joden in het algemeen.

In een column van Arthur van Amerongen in de Volkskrant bijvoorbeeld werd mij 'jodenallergie' toegeschreven en werd ik geassocieerd met de omstreden Franse komiek Dieudonné M'bala M'bala. De krant weigerde mijn antwoord op de column op te nemen wegens te lang en te particulier en verwees mij voor een korte reactie naar de brievenrubriek.

Ik geef het antwoord hier voluit, in de hoop op die manier een duidelijk onderscheid te maken tussen antisemitisme en antizionisme. Het eerste is een misdrijf, het tweede een gewettigde vorm van kritiek.   

 

AS IN DE MOND

Je bent nu eenmaal beter. Het staat geschreven
in Het Boek. Het spreekt uit je blik
als je hen naderen ziet: in fanatieke kleren,
stoffig, hun pasje klaar in de hand.

Je kijkt naar hen als een schepper van water
in een wereld van zand. Zij wonen toevallig,
zonder belofte, kunnen weggerakeld 
als dorre bladeren. Dit is jouw land.

Je hebt geleerd de angst voor vervolging 
levend te houden zonder angst, arrogant
als de man die zijn vijand zelf heeft gekozen.
Je slaat hem neer. Je bent bedreigd,

de schuld die uitstaat geeft iedere bulldozer,
iedere tank het recht op veiligheid
zonder grenzen. Je ogen zagen de tempel 
verwoesten, de straatstenen onder de hoeven

der kruisridders bloeden. Je bent tweeduizend
jaar oud, was erbij in Treblinka, Schirmeck 
en Dachau. Al heb je hun water gestolen, 
hun kinderen beschoten, hen achter prikkeldraad

opgesloten, je bent nu eenmaal Gods volk, 
uitverkoren op precies deze grond.
Wie onder je bossen, je wegen, je steden
het oude dorp nog hoort schreeuwen,

krijgt as in de mond.  

Het gedicht is een rechtstreekse aanspreking tot de staat Israël zoals die zich manifesteert in haar ideologen, soldaten, kolonisten en politici. Gezien de vele concrete en duidelijke verwijzingen lijkt het mij van kwade wil te getuigen in de aangesproken 'je' iets anders te lezen. De pasjes bij de checkpoints, het in bezit nemen van andermans land, het 'wegrakelen' van de bevolking, de noties van 'recht op verdediging' en 'veilige grenzen', de bulldozers en tanks, het probleem van het water, het schieten op kinderen, de prikkeldraad rond Gaza en de verdwenen Palestijnse dorpen: stuk voor stuk verwijzingen naar Israël, die niets met de joden in het algemeen te maken hebben. Het gedicht is, om elk misverstand uit te sluiten, trouwens op die manier geïntroduceerd bij de pers en op de website www.dichterdesvaderlands.be.

Het gedicht is geboren uit mijn verontwaardiging over wat Israël vandaag in Gaza uitricht. Het klaagt het misbruik aan door Israël van het joodse geloof en de joodse geschiedenis om kolonisering en terreur te legitimeren. De discriminatie in Israël en de Bezette Gebieden is vlakaf constateerbaar op gebieden als watervoorziening, bewegingsvrijheid, onschendbaarheid van eigendom en zo meer. Ik heb het zich 'beter' voelen vanuit de zionistische ideologie heus niet moeten uitvinden, net zomin als de legitimering ervan door het Boek. Het zionisme beroept zich op een 'historisch recht' om Palestina te claimen en baseert zich daarvoor in laatste instantie op de Bijbel. Geen enkele jood waar ook ter wereld, ook niet in Israël zelf, hoeft zich door mijn gedicht gekwetst te voelen, tenzij hij zich met de politiek van de Israëlische staat identificeert. Integendeel, ik ga er van uit dat de joodse opposanten tegen die politiek, zowel in Israël als hier, er precies zoals ik over denken.

Om twee redenen durf ik dit met klem te affirmeren. Ten eerste omdat wereldwijd steeds meer joodse organisaties en individuen zich distantiëren van de politiek en de ideologie van Israël. Ten tweede omdat tal van bronnen die mij hebben geïnspireerd bij het schrijven van dit gedicht, joodse of Israëlische bronnen zijn. De pervertering van de religieuze concepten 'uitverkoren volk' en 'terugkeer naar Jerusalem' tot een excuus voor landroof  is mij uitgelegd door een rabbijn van Neturei Karta en door de historicus Shlomo Sand, van de discriminerende behandeling van Palestijnen getuigt de documentaire Checkpoint van Yoav Shamir, over de terreur van de bulldozers en de tanks is bij herhaling geschreven door Gideon Levy, Norman Finkelstein heeft het misbruik van het joodse lijden door de Holocaustindustrie blootgelegd en de Nakba of 'catastrofe' van 1948 heb ik leren kennen via het werk van historicus Ilan Pappé en Het verhaal van Chirbet Chiz'a van S. Yizhar. Om er maar enkele te noemen. 

Tot slot nog dit. Drie jaar terug bezocht ik in de Vogezen het kamp van Natzweiler-Struthof. Onder de indruk van dat bezoek en wat ik had gelezen over het fusilleren van volledige Joodse dorpen in Polen en Oekraïne door de nazi's schreef ik twee gedichten, te vinden onder de titel Ergens in Polen in mijn bundel De buitendeur. Het kostte weinig of geen moeite me in de slachtoffers in te leven. Ik was er niet bij in Auschwitz, net zomin als de aanhangers van het zionisme die mij vandaag belasteren, er bij waren. De herinnering aan de jodenvervolging is niet het exclusief eigendom van het zionisme, het hoort de herinnering te zijn van ieder rechtgeaard mens. In die zin waren we er allemaal bij. De toe-eigening van dat lijden als instrument om iedereen verdacht te maken die de zionistische terreur tegen de Palestijnse bevolking aanklaagt, is in mijn ogen een uiting van vulgair opportunisme en een belediging aan alle slachtoffers – joden, zigeuners, homoseksuelen en communisten – van de naziterreur. Wie 'er bij was' in Auschwitz, kan niet anders dan er ook 'bij zijn', vandaag, bij de mensen van Gaza. 

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig.

reacties

3 reacties

  • door Feng Chsang op zondag 17 augustus 2014

    Pracht gedicht. Goed dat je het in België nog kunt publiceren. In Nederland kan dat niet meer.

  • door Didier op zondag 17 augustus 2014

    Schaakmat de Volkskrant ! Groot respect voor u mijnheer Ducal.

    • door Agnes Hollanders op maandag 18 augustus 2014

      Prachtig en zo juist! Dit is waar het om gaat. Zulke klare taal in tijden van verwarring doet deugd. Blijven schrijven en publiceren mijnheer Ducal & DeWereldMorgen.

    Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties