Wat als Bart De Wever met een peniskoker op de Meir verschijnt?

Wat als Bart De Wever met een peniskoker op de Meir verschijnt?

vrijdag 24 mei 2019 08:03

Keizer Claudius, antieke camee, Kunsthistorisches Museum Wien, foto door Wolfgang Bauser, Wikicommons

Hoewel ontslagnemend als Vlaming, amuseerde ik me op een vakantiedag met het lezen van het nieuwe boek van Bart De Wever. Af en toe moet je eens iets lezen van iemand waar je geen enkele affiniteit mee hebt, voor de geestelijke fitheid. En dat viel mee: het boek bleek vlot leesbaar, de auteur intelligent en belezen, en zijn blinde vlekken en de kortsluitingen in zijn denken interessant om te bekijken.

De intellectuele pose van de auteur is natuurlijk nogal geforceerd, en vooral image building. Hij kijkt voortdurend naar de klassieke oudheid om daaruit lessen te distilleren, en heeft wat al te nadrukkelijk het perspectief van een Romeinse keizer. De Imperator Antverpiae houdt ons voor dat keizer Claudius de juiste visie had toen hij er bij de Senaat voor pleitte Galliërs Romeinse burgerrechten te verlenen. Het geniale van Claudius was duidelijk dat hij anticipeerde op de migratiepolitiek die De Wever voorstaat: een beperkte, selectieve immigratie met het verlenen van burgerrechten als een soort beloning voor integratie. Wat knap en vriendelijk van de stotterende Claudius om zo de welbespraakte Bartholomeus een steuntje in de rug te geven!

Zowel bij Claudius als bij Bartholomeus is het motief voor het accepteren van ‘buitenlanders’ het eigenbelang. We moeten mensen toelaten die onze economie nodig heeft. Eigenbelang is natuurlijk niet zonder meer fout, maar er is wel meer in het leven dan dat. Dat BDW zich spiegelt aan de Canadese immigratiepolitiek tot daar aan toe, maar het crapuleuze racistische beleid van Australië als inspirerend voorbeeld noemen gaat me wel te ver.

Een grote blinde vlek

De huidige immigratieproblematiek is natuurlijk niet los te zien van de Westerse oorlogsvoering in Afghanistan, Irak, Syrië… en in Afrika. En het terrorisme waar België in Brussel mee te maken kreeg, is een logisch gevolg van het Belgische meeheulen met dat immorele krijgsgedoe. Maar over buitenlandse politiek in dit boek geen woord, en zeker niet over de zogenaamde defensie die toch altijd weer agressie blijkt te zijn. Een zwijgende medeplichtigheid, en het afwentelen van de Westerse en Belgische verantwoordelijkheid – een smerige stilte.

Een ander soort smerige stilte bij de Imperator is het stilzwijgen over de klimaat- en milieuproblematiek. In de plaats daarvan krijgen we het gebruikelijke gezeik over de hoofddoek, de boerka en ‘onze waarden’. Dat gaat zo: ‘als een Papoea over de Meir wandelt, enkel gehuld in een peniskoker, zal de politie ingrijpen en de man verbaliseren voor openbare zedenschennis.’

Het voorbeeld zou aanleiding kunnen zijn tot een discussie over de achterlijkheid van onze zedenwetgeving, maar er zitten natuurlijk nog andere kanten aan. Naaktheid is tegenwoordig een terugkerend gegeven in allerlei sociale acties en protesten, van blote vrouwenborsten in Parijs tot naakte fietsers in Brussel enzovoort enzovoort. Er zijn geen Papoea’s nodig om de preutsheid van de Belgische zeden te illustreren. Ze erbij sleuren is een wat vunzige manier om boerka’s en hoofddoeken belachelijk te maken als totaal onbegrijpelijke en idiote gebruiken, en voor te wenden dat onze in de wet vastgelegde zeden zinvol en wijs zijn. Maar de hoofddoek behoort tot onze eigen cultuur, en in zowat alle Vlaamse kerken zie je Maria afgebeeld met een hoofddoek. Peniskokers zie je hier nergens.

Overigens: wat als de imperator zelf met een peniskoker op de Meir zou verschijnen? In de inofficiële annalen van de stad Antwerpen wordt bericht over een legendarische burgemeester die graag te diep in het glas keek tijdens zijn uitgaansleven. Hij werd door de politie waarvan hij de superieur was weggeleid, niet wegens openbare dronkenschap en niet naar een cel om zijn roes uit te slapen, nee hij werd discreet naar huis gebracht. In deze traditie zou een naakte Imperator op de Meir door de politie denkelijk meteen gehuld worden in een leeuwenvlag en weggedragen worden naar het Stadhuis.

De door de Imperator bewonderde Romeinen waren overigens wat minder preuts als het om keizers ging. Nero, geadopteerde zoon en opvolger van Claudius, trad naakt op als toneelspeler. Ik kan me niet herinneren dat hij een peniskoker droeg, zelfs dat niet. De Romeinen waren duidelijk minder geciviliseerd dan de Papoea’s.

Reactionaire hersenspinsels

In zijn ijver om de kwestie van waarden en normen tot een centraal politiek gegeven op te krikken (en zo veel ernstiger problemen onder de tafel te vegen) waagt de Imperator zich ook aan een beschouwing over de polygamie, en belandt bijna bij wat ik een progressief standpunt zou noemen. Hij weerlegt namelijk alle argumenten tegen polygamie. Maar dan klampt hij zich opeens vast aan een citaat van zijn geliefde reactionaire modelfiguur, Edmund Burke: ‘The individual is foolish, the multitude is foolish; but the species is wise.’ De enige reden waarom polygamie niet kan, is dat het indruist tegen onze traditie, en daarvoor geldt: ‘De tradities en instituties die wij vandaag kennen, bestaan nog omdat ze hun deugdelijkheid door de tijd heen hebben bewezen.’ Dit is klinkklare onzin, zowel vanwege Burke als vanwege Bartholomeus. Het verbranden van heksen of homo’s, het ganzenrijden, het van een toren naar beneden werpen van levende katten – het waren ooit tradities, maar ze verdwenen toen er andere inzichten kwamen over de mensen en de dieren. Om Burke te corrigeren: ‘Sommige individuen zijn wijs, de massa is dat meestal niet, en de menselijke soort nog minder.’

Het argument dat de traditie zichzelf legitimeert – als iets een lange traditie heeft, moet het wel deugdelijk zijn – is niet alleen tegen de Verlichting, maar ook voor de polygamie. Als er landen zijn met een polygame traditie, bewijst dat de deugdelijkheid van dat huwelijksstelsel.

BDW’s weinig doordachte analyse van de polygamie is dan ook onbruikbaar om het postulaat van de prioriteit van de traditie te ondersteunen, om te argumenteren dat we polygamie niet kunnen aanvaarden omdat onze traditie daartegen is.

De cultus van de non-problemen

Al dat geargumenteer over de polygamie en over de peniskoker dient uiteindelijk maar als aanloop voor de discussie over de boerka: ‘Net zomin als wij een peniskoker aanvaarden omdat die te weinig verhullend is, aanvaarden wij geen boerka’s omdat die juist te verhullend zijn en een uiting zijn van een verhouding tussen man en vrouw die we niet meer aanvaarden.’ De peniskoker is natuurlijk in België een non-probleem, en de boerka nagenoeg. Hoeveel boerkadraagsters zijn er eigenlijk?  Bovendien stapt BDW slinks heen over de heikele kwestie van de staatsinmenging. Het staat iedereen vrij om een boerka conservatief, discriminerend, achterlijk enz. te vinden. Maar mag de staat bepalen wat de betekenis van de boerka is, en vastleggen dat die kleding niet mag worden gedragen? En welke zin heeft dat? Wordt de verhouding tussen de betreffende man en vrouw daardoor beter?

Een flink deel van BDW’s boek wordt ingenomen door gefulmineer tegen het zogenaamde cultuurrelativisme, soms in een adem genoemd met postmodernisme. Er zouden mensen bestaan die alle culturen en al de gebruiken daarvan even goed vinden. BDW noemt geen namen en geen teksten, het lijkt me dan ook een spookbeeld waar hij tegen vecht. Of een stroman, u weet wel, die klassieke denkfout of vuile truc die erin bestaat tegenstanders eerst een standpunt op te plakken dat die niet hebben en ze vervolgens te bestrijden met de weerlegging daarvan. Natuurlijk maakt het niets uit of je in huis schoeisel draagt of op je sokken of je blote voeten rondloopt. Dat zijn cultuurverschillen die niet problematisch zijn. (Behalve als aanhangers van de tegengestelde visies samenwonen – dan zal er een modus vivendi moeten worden gezocht.) Maar mannen die hun echtgenote afranselen is van een heel andere orde. We hebben wetten die dat verbieden en waarmee zoiets kan worden aangepakt.

Van de andere kant is BDW dan weer zelf een cultuurrelativist als het om de Romeinse cultuur gaat. Haar sadisme, haar imperialisme, haar oorlogszucht zijn een afschrikwekkend voorbeeld. Het lijdensverhaal van Jezus van Nazareth brengt ons permanent de onmenselijkheid van die cultuur in herinnering. (Wat niet betekent dat Latijn leren overbodig is, integendeel. Voor mij mag dat op de basisschool beginnen.)

Het kapen van de Verlichting

Het pseudoprobleem van het cultuurrelativisme brengt me bij het echte probleem dat BDW de Verlichting claimt. Dat is een even slim als vuil trucje. Niet vergeten dat BDW’s zelfgekozen leermeester een reactionaire anti-Verlichtingsman was. De Verlichting die BDW beweert te bezitten en te verdedigen is dan ook een zelfgebrouwde cocktail, die we niet hoeven te aanvaarden als wat hij pretendeert te zijn en ook niet als wat hij feitelijk is: een machtsmiddel om mensen een onvoldoende te geven, in de hoek te duwen, voor te stellen als onmodern en hopeloos achterop. Daartegen moeten om te beginnen twee kernprincipes van de Verlichting in stelling worden gebracht:

  1. Emancipatie komt vanuit de persoon zelf, is niet iets wat van bovenaf wordt opgelegd. (Naar het woord van Kant in zijn klassieke opstel over de Verlichting: het is het uittreden van de mens uit de onmondigheid waar hij zelf schuld aan had. Zich emanciperen is iets wat elke mens zelf moet doen.

 

  1. Tolerantie is essentieel. Dat betekent enig begrip opbrengen voor wat je bij anderen onbegrijpelijk vindt, en ook inzien dat mensen tijd nodig hebben om inzichten te verwerven, zich te vernieuwen enz. (En dat dat niet altijd lukt.) Daar zijn natuurlijk grenzen aan. Partnergeweld in het huwelijk bv. is niet te tolereren. Maar wie heeft er last van een boerka, een boerkini, een hoofddoek?

Als je dan gaat kijken naar wat BDW als Verlichting presenteert, blijken dat de basisprincipes van de Belgische Grondwet te zijn. Die moeten het filosofische fundament van de veronderstelde Vlaamse Natie worden. Wat een armoede. De keizer naakt! (Natuurlijk moeten we het progressieve gehalte van de Belgische Grondwet in ere houden en verder uitbouwen, maar daar draagt BDW niets toe bij, helaas.)

Terwijl ik met BDW’s boek bezig ben, zie ik hem op de televisie in debat met Bart Somers, en alweer over die afgezaagde hoofddoekkwestie. Het gaat om een prent waarop een vrouwelijke leerkracht voor de klas staat en ze draagt toch wel een hoofddoek zeker! Ik zie het probleem niet, maar BDW slaat er Bart Somers mee om de oren en duwt hem in de hoek: die distantieert zich uiteindelijk van de prent. De Imperator is een dogmatische pletwals.

De ontkenning van de realiteit

Het centrale thema van het boek van BDW is: ‘Wie zijn wij? Of beter gesteld: wie willen wij zijn?’ En zijn antwoord is: ‘Onze nationale identiteit is Vlaams.’ En: ‘Ik geloof dat deelname aan identiteit in wezen een proces is van identificatie.’ En: ‘Ik geloof dat Europa trots moet zijn op de manier waarop de verlichtingswaarden vandaag gestalte geven aan de identiteit van de gemeenschappen die het continent bewonen. Nooit was er meer vrijheid, gelijkheid en solidariteit.’

Je moet je ogen wel heel erg dichtknijpen en niet willen zien wat er is aan armoede, uitbuiting, discriminatie, achteruitgang, wantoestanden in het gevangeniswezen, wanbeleid, oorlogsgeweld… om zulke holle frasen te produceren. Bij BDW bestaan er geen sociale klassen, is er geen probleem met het gevangeniswezen, wordt de pensioenfrustratie niet waargenomen, is de militaire politiek van België ok.  Verlichting door verduistering?

Het boek van BDW mag de geschiedenis ingaan als een fraai monument van de Nieuwe Vlaamse Achterlijkheid.

Eric Hulsens

 

 

 

 

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!