Keuzeloze bitterheid

Keuzeloze bitterheid

vrijdag 19 december 2014 20:26

Met een honderdtal mensen tussen de 18 en 26 jaar staan we in een grote, tot wachtzaal omgebouwde cafetaria. Er zijn een tiental stoelen maar die zijn duidelijk al enige tijd opgeëist. Via mijn eigen OCMW-begeleiding ben ik in deze situatie geraakt, het gaat over vakantiewerk en ik blijk lang niet de enige te zijn die gebruik maakt van deze dienst. Één voor één worden we afgeroepen om naar een andere wachtplaats te schuifelen. De Hakims, Sylvias en Evgeny’s zijn hier allemaal gelijken. De sfeer is deprimerend maar verrassend professioneel. Er zijn geen conflicten ondanks het grote aantal ongeduldige mensen. Na een goed uur wachten wordt mijn naam uiteindelijk voor een tweede keer afgeroepen en ik begeef me met enige opwinding naar een klein tafeltje waar een maatschappelijk werkster al ettelijke uren dossiers heeft uitgedeeld. Ik zet me schrap en verwacht een barrage aan vragen maar krijg prompt een dossier in de handen gedrukt met een koele “hier tekenen”. Ik neem een kijkje door de bundel papieren maar voel al snel dat hier geen tijd voor is, anderen wachten achter me. Op goede moed teken ik snel het document en glimlach naar de maatschappelijk werkster, ze glimlacht flauwtjes: “jij bent nu bediende, tot ziens”. Drie dagen later werk ik als jobstudent administratief medewerker in een Antwerps Sociaal Centrum.

De eerste paar dagen lijkt het me moeilijk te geloven dat sommige personages die hier over de vloer  komen geen ingehuurde acteurs zijn. Als medewerker in dit sociale centrum mag dat me niet beïnvloeden maar belangrijker dan dat; ik mag het me als menslievende persoon niet laten nekken. Dit is de macht die ik heb en de keuze die ik actief voor mezelf kan maken. Ik geloof in het menselijke potentieel en ik weiger toe te geven aan verbittering. Dat is immers een te gemakkelijke gemoedstoestand en weinig meer dan zelfbeklag. Ik denk dat veel onverdraagzaamheid en verbittering groeit uit dit ‘niet-handelen’, passief beschouwen hoe je leven aan je voorbij stroomt en beschouwer in plaats van maker te zijn. Het feit dat we zelfkritisch kunnen zijn in combinatie met de mogelijkheid tot verandering maakt van de mens een machtige entiteit.

Wat mijn werkplaats interessant maakt is de heersende ‘morele grijsheid’. Als ik aan het loket mensen ontvang, zijn mijn eigen emoties en overtuigingen niet meer van belang, net als die van de klant. Die emotionele neutraliteit is zowel een professioneel godsgeschenk als een bijna puur psychologisch afweermiddel. De miserie en haat waar je mee geconfronteerd wordt, zouden zelfs de meest positief ingestelde persoon kunnen verbitteren en verzuren. De verbittering zou zorgen voor verblinding en veralgemening waardoor amper nog ruimte zou overblijven voor een sociaal opvangsysteem. De mens maakt dus zelf de keuze: laat ik me meeslepen door verzuring of vecht ik terug?




Ik heb in ieder geval redenen genoeg om me te laten meeslepen in de negatieve spiraal van haat en vijandschap, of dat is wat een toeschouwer gemakkelijkheidshalve zou kunnen constateren. Elke dag aanschouw ik hoe sommige mensen de hulp die ik aanbied als vanzelfsprekend achtten en hoe respectloos zij de dienst behandelen die hen wilt helpen. Systematisch ben ik getuige van ronduit brutaal gedrag, bijvoorbeeld het totale gebrek aan respect waarop sommige klanten omgaan met hun maatschappelijke assistenten. Gescheld, leugens en achterbaks gedrag zijn hier dagelijkse kost. Je acht het te gek voor woorden, maar dat is de realiteit: de mensen die het meeste nood hebben aan deze dienst schijnen er het minste respect voor te hebben.

Ik vind dat men de kracht moet opbrengen om in de ogen van zulke haat, verzuring en onbegrip te kijken en terug te vechten met een niet-agressieve en levende liefde; de liefde die we voor elkaar als mensen kunnen opbrengen simpelweg omdat we uiteindelijk allemaal als hetzelfde zijn begonnen. We hebben allen een grotendeels overeenkomende behoefte aan water voedsel en liefde, bewandelen dezelfde aarde en onze uiteindelijke verschillen zijn ronduit oppervlakkig binnen het grote kader. De kracht zit in het relativeren van de afstand tussen onze medemens en onszelf. Deze kracht, deze liefde, zie ik in vele maatschappelijk assistenten en hun collega’s. Zij schijnen dit zeer goed te beseffen en zullen in zo goed als alle gevallen kunnen terugvallen op die basale mensenliefde. Dit aan de grond liggend en misschien simplistische idee vormt volgens mij echter de basis van de verdraagzaamheid die je bewust voor jezelf kan opwekken eenmaal je geconfronteerd wordt met ondankbaarheid en egoïsme. Graag wil ik geloven dat we dit allemaal kunnen.

Wat opgelost moet worden is de aard van de verbittering. Mensen die verbitterd zijn, zijn daarin gegroeid. Ze zijn daar geraakt na een bepaalde weg afgelegd te hebben. Niemand is immers verbitterd geboren. Mensen moeten hun eigen kracht en capaciteiten voor verandering inzien en er naar handelen. Veel van de armoede waar ik op het OCMW mee geconfronteerd wordt, is een armoede van de geest. In veel gevallen hebben deze mensen de materiële en financiële middelen om een draaglijk leven te leiden. Het potentieel is er, maar dit wordt niet efficiënt gebruikt of wordt helemaal links gelaten. Zijn we dan inherent arm? Zijn we allen geboren in een ongedefinieerde en lege wereld? Ik geloof het niet. We kunnen heil vinden in creativiteit, menselijke omgang en cultuur. We kunnen een waardevol leven leiden. Ik kan dat en jij kan dat. Wij kunnen dat.

Camille Cluzan,

Redacteur en illustrator bij ZENIT Magazine

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!