De tuinbouw in Lochristi.

Je thuis is de plek waarvan je wegloopt. (Kortverhaal)

woensdag 24 december 2014 08:08

Achter enkele rustieke fermettes stond de reusachtige serre te fonkelen als een diamant in de restanten van het Vlaamse landschap, dat ooit door menig schilder met een grasspriet in de mond al dan niet waarachtig op het canvas werd weergegeven. Het zonlicht, dat het beeld van de wolkenlucht projecteerde in de plassen op de oprijlaan, deed die ochtend in april goed haar best om het hemellichaam, de zon, haar Bijbelse status terug te geven. Rudi voelde pathetiek in de lucht hangen en leek zich op dat vlak volledig te willen laten gaan, vermits een loopbaan in de tuinbouw wel de nodige pathetiek kon verdragen. Wanneer het gouden randje niet door de werkelijkheid zelf rond de feiten wordt gelegd, dan kan je maar beter het pad der verbeelding inslaan en van de boerenpummel, die de werkelijkheid soms is, een gentleman maken. Voor je het weet speel je de hoofdrol in je eigen feuilleton. Zo ver zullen we het echter niet laten komen.

Rudi zette zijn fiets tegen het bakstenen bijgebouw en schoof de metalen poort opzij. Hij had, even voor de poort te openen, een kwalijke gedachte doorstaan, een frustratie die voortsproot uit de ergernissen waaraan hij reeds op de universiteit dagelijks onderworpen was. Sinds de universiteiten op democratische wijze zoveel mogelijk studenten wilden voorbereiden op een degelijke baan in de samenleving, werd de kwaliteit, die hij daar dacht te vinden, grotendeels en naar zijn mening opgegeven ten voordele van een uitgesproken hang naar kwantiteit. Hij vond laagdrempeligheid en publieksparticipatie verdachte begrippen, en van de personen die deze begrippen graag en vaak in de mond namen liep Rudi vaak weg. Diezelfde laagdrempeligheid had hem echter tot in de aula van de universiteit gebracht. Hij kon er moeilijk dankbaar om zijn. Waarom zou hij? Een eersteklasser hoort in eerste klas, vond hij. Hij zag het op zijn twaalfde al zo, maar voelde niet de minste aandrang om zijn omgeving ervan te overtuigen. Het zat daar vol van de dommeriken. Niet meer of niet minder, dommeriken en heel veel gebazel over kansarmoede. Ok, hij was arm, maar daar zou de democratisering wel een oplossing voor vinden. Hij zou het tot homo universalis schoppen. Kost wat kost. De mensen zagen Rudi niet zoals hij werkelijk was, vond hij. Hij doorzag ze allemaal, maar niemand doorzag hem. Niet een keer heeft iemand mij doorzien, had hij al verschillende keren in zichzelf gehuild, vooral wanneer hij gedronken had.

Rudi dacht in het begin van zijn studentenjaren dat de universiteit nog steeds een opleiding tot homo universalis aanbood. Gaandeweg weg zag hij zijn vergissing in en begreep dat er evenveel gebazel werd opgeklopt tot het hoogste woord dan elders, in de minder slimme geledingen van de samenleving. Net voordat hij de metalen deur van de reusachtige serre wou open schuiven viel deze gedachte opnieuw als een klamme vod in zijn gezicht. Zijn zelf verworven status van kritische intellectueel leek zich zelfs ver na zijn studies te vertalen in een gezwollen taalgebruik. Hij had tot zijn achttiende stand gehouden in zijn directe omgeving, maar nu was er een kloof tussen beide geslagen. Het gezwollen taalgebruik deed er geen goed aan. Je hoort pas ergens bij als je de taal spreekt van diegene waarbij je wil horen. Rudi had echter nooit sterk geloofd in dit type van standenmaatschappij. ‘Je thuis is de plek waar je van wegloopt’ had hij in zijn studententijd verschillende keren tegen zichzelf uitgeroepen, wanneer hij zich voor de zoveelste keer dronken op het bed in zijn studentenkamer liet vallen.

Hij leek ook voortdurend en overal aan alles en iedereen te twijfelen. Dat was toch al iets. Het had hem een leeswoede opgeleverd. Uiteindelijk had de universiteit dan toch een talent bij hem aangeboord. Overigens vond hij zichzelf een product van de eerder genoemde democratisering, maar kon niet uitvissen of dat project wel of niet geslaagd was. In ieder geval was hij de volgende grote les misgelopen: hoe maak ik mezelf economisch rendabel. In dit falen voelde hij zich eerder de uitzondering op de regel. Er was volgens hem nog steeds niet genoeg inhoud of diepgang om zich voor lange tijd met vormelijkheden bezig te houden. Met geld koop je de vorm, maar verkrijg je de inhoud nog niet, had hij gedacht. Tegelijkertijd voelde hij zich belazerd, grotendeels door zichzelf weliswaar, omdat hij geen zichtbaar resultaat zag van zijn inhoudelijke activiteiten. Kortom, hij had lang genoeg op de wolk der volksverheffing gewoond en schoof nu gedecideerd de metalen poort opzij. De kiezels onder het metaal krijsten door de hoge glazen zaal, waarin een dikke vochtige lucht hing. Ongemerkt binnensluipen zat er ditmaal niet in.

Een oud gebocheld mannetje in een groene overjas liep hem tegemoet en tikte met zijn vinger op zijn polshorloge.
‘Wij beginnen stipt om acht en niet om vijf na acht. Om kwart voor acht is iedereen hier. Het is maar dat je het weet’ zei hij pissig terwijl hij Rudi argwanend in zich opnam.
‘Ja sorry, ik heb even moeten zoeken en was de weg kwijt in jullie wijk.’
Het oude mannetje leek het antwoord van Rudi te negeren en zei kordaat:
‘Je kan je frak en je rugzak in de refter leggen. Mijne zoon staat vanachter in de serre aan alle nieuwe pottentrekkers uitleg te geven. Je kan de fiets daar nemen. Het is helemaal vanachter. Allez doe maar een beetje voort.’
De gebochelde nam een zakdoek uit zijn overjas en wreef er enkele malen smakelijk mee onder zijn neus. Hij stopte het vodje terug in één van zijn zijzakken en liep dan lichtjes mankend naar een hoge kar met vier etages, volgepropt met kleine struiken, vermoedelijk de azaleas waarvan op de reclameborden boven de ingang sprake was. Het oude mannetje mompelde misnoegd in zichzelf, voelde aan sommige blaadjes en draaide enkele bloempotten om totdat ze in de volgens hem juiste positie stonden. ‘De potten altijd zo zetten dat er niet te veel bladjes aan de buitenkant zitten. Die gaan uit de plastiek beginnen steken en in de camionne krakken de koppekes er dan zo af, neuzelde hij tegen Rudi zonder hem aan te kijken.
‘HA, kijk daar is de extra pottentrekker al. Ik dacht dat je niet meer kwam. Goed, jij zal vandaag samenwerken met Moustapha.’ De man in een grijze overjas knikte met zijn spitsige, roze gezicht naar een grote zwarte man, die vriendelijk en schouderophalend naar Rudi keek. ‘Jullie zullen de potten van de grond trekken en ze dan op de lopende band zetten. Hier heb je twee rieken. Heel het lot azaleas moet nog deze week de deur uit.’ Hij wees naar de groene massa, die zich als een half voetbalveld over drie vierde van de gigantische serre uitspreidde.
‘Op de lopende band worden ze gesnoeid en dan worden ze terug uitgezet op het lege deel, dat je daar ziet.’
Rudi volgde de vinger van de zenuwachtig en op schelle toon sprekende man en zag naast het groene vlak, een zwart vlak met exact dezelfde afmetingen.
‘Je zet de potten uit, in rijen van tien. Volg gewoon het witte raster op de grond. Zet iedere pot in een vierkantje en je komt er wel. Zet ze er naast en je bent de klos. Dan staan op den duur alle rijen schots en scheef. Met een riek kan je tien potten van de band halen of ze er terug opzetten. Goed, ik denk dat de nieuwe hier vandaag het best potten trekt en op de band zet, en dat hij morgen mee helpt om potten uit te zetten. Om tien uur drinken we iets en eten we een koek. Hoe is uwe naam juist?
‘Rudi’ zei Rudi en vroeg zich af waarom de man in de grijze overjas zo gehaast had gesproken. Hij had het ook allemaal niet goed uitgelegd. Rudi had af en toe vragend naar Moustapha gekeken, maar die had niets gezegd en enkel zijn schouders opgehaald, terwijl hij verveeld in de leegte gaapte, boven zijn steeds afzakkende ronde brilletje. Later zou Rudi merken dat de man in de grijze overjas altijd op dezelfde, gehaaste manier sprak. Telkens hij iets zei, sloeg zijn stem over en eindigde het op hetzelfde schriele toontje dat mensen hebben wanneer ze plotseling schrikken, of langduriger schrikken en dan in feite in paniek zijn. Iemand of iets had deze man voorgoed opgejaagd of de duvel aangedaan. Leed de man misschien aan een chronisch tijdsgebrek? Of verbeeldde hij eigenhandig dat chronische tijdsgebrek om nog uit zijn sloffen te kunnen schieten, wanneer er geen andere aanleiding meer voor te vinden was? Zoals in: ‘Met het mes op de keel haal je de deadline. Haal het mes eraf en je gaat met pensioen.’

De man in de grijze overjas had Rudi en Moustapha tot bij de lopende band gebracht, die parrallel liep met de zijden van het vierkante perceel waarin, naar Rudi’s schatting, minstens drieduizend bloempotten met jonge plantjes in strakke lijnen stonden geschikt. De lopende band zweefde een halve meter boven de grond en ging heel het vierkante perceel rond. Hij en Moustapha moesten alle potten op de band zetten. Hiervoor kregen beiden een vreemdsoortige riek. Dit was een metalen buis waarop onderaan tien halve cirkels waren bevestigd. Op de metalen buis had men ook twee staven van een kleine halve meter gelast. Ze deden dienst als handvaten. De man in de grijze overjas demonstreerde hoe je met de riek tien bloempotten tegelijk van de grond kon scheppen, en hoe je ze vervolgens met een draaibeweging van het bovenlijf op de smalle lopende band kon te zetten. De gehaaste man zei er ook bij dat de snelheid van de lopende band sowieso op stand drie stond en dat het niet veranderd kon worden, omdat de hoogste stand volgens hem nog te traag was om het lot azaleas deze week nog de deur uit te krijgen.
‘Kijk goed’ had hij verschillende keren geroepen en gedemonstreerd. ‘Kijk, ah hup en zo voilà. Meer is er niet aan. Als er iets is moet je maar op de rode stopknop drukken. Vergeet dan niet te roepen naar de pottenzetters aan de overkant, want ze moeten, wanneer de band stilstaat, toch eerst alle potten er afhalen, anders zitten ze in de stront wanneer jullie de band weer laten lopen. Begrijp je het?’ riep hij moet overslaande stem. Goed, de Moustapha hier heeft het al eens gedaan en hij is een harde werker. Het zal wel gaan. Ik ga vlug ons Maria halen, want zij knipt de planten vandaag en dan zet ik de band op.’ De man met de grijze overjas liep van hen weg.

Rudi en Moustapha hadden amper de tijd om zich aan elkaar voor te stellen want ‘de’ Maria stond enkele ogenblikken later met haar schaar aan het begin van de lopende band en zette het ding aan. Rudi kopiëerde Moustapha’s handelingen zo nauwgezet mogelijk en voelde na een tijd al aan wanneer hij zou falen, en bijvoorbeeld per abuis een rij van tien potten naast de lopende band zette, zodat hij op de rode stopknop moest drukken en roepen dat hij op de erop had gedrukt. Rudi hield niet van roepen en leerde op die manier heel snel hoe hij potten diende te trekken. Moustapha zong voortdurend liedjes over een zekere ‘Habibi’. Rudi probeerde met zijn riek de bloempotten zo snel mogelijk van de grond te scheppen en ze vervolgens zo mooi mogelijk op de band te zetten. ‘You have to fail better’ hield hij zich voor. ‘Next time, try to fail better.’ Terwijl Moustapha liedjes zong over Habibi dacht Rudi aan Samuel Beckett.

Rudi werkte zich in het zweet en dacht verder aan niets in het bijzonder. Na de middaglunch kwam de man in de grijze overjas naar hen toegelopen en zei: ‘Jullie mogen het komende uur potten knippen. Ik moet met ons Maria naar den doktoor en onze Wannes komt pas om vier uur. Ons Maria zal het jullie vlug tonen en dan zijn we weg. Hier, eet nog ne koek. Je moet ze maar uit de kast pakken. Daar in de frigo staat de cola. Het is River Cola met citroen van den Aldi. Het geld groeit hier niet op onze rug.’ Zei hij lachend, en hij liep naar zijn fiets, sprong erop en reed naar de andere kant van de serre.

Rudi en Moustapha stonden recht tegenover elkaar, elk aan een andere kant van de lopende band en zouden voortaan blaadjes afknippen. Alles wat boven de metalen meetlat uitstak moest er af, herhaalden ze in zichzelf. In vergelijking met het potten trekken leek het potten knippen eerder een bezigheid voor hangouderen. Het zou een rustige namiddag worden.

‘Hé Moustapha, ik heb me nog niet voorgesteld. Ik heet Rudi’ zei Rudi lachend terwijl hij een oog op de kruinen van de voorbijrijdende planten hield.
‘Ah zo. Aangenaam. Ik heet Ahmed’ antwoordde Ahmed lachend en duwde zijn ronde brilletje omhoog.
‘Ahmed dus. Ik dacht het nog, maar goed. Waar kom je vandaan?’
‘Soedan’
‘Echt? Hoe lang ben je al in België?’
‘Elf jaar. Ik studeer filosofie. Ik las ‘De wereld van Sofie’. Ken je dat boek?
‘Ja ik denk het. Is dat niet een soort geschiedenis van de filosofie?’
‘Ja filosofie. In Europa moet je studeren. Ben je gelovig’, vroeg Ahmed terwijl hij enkele blaadjes tussen zijn vingers hield en ze er met de andere hand afknipte.
‘Neen. Gelovig ben ik niet. Ik lees er wel over, maar ik doe er niet aan.’
‘Hmm,’ reageerde Ahmed met toegeknepen ogen. ‘Ik ben Moslim en ik geloof in de god in mezelf.’
‘Tja ik weet niet of ik nog in de god in mezelf geloof. Ik weet zelfs niet of ik dat ooit gedaan heb’ reageerde Rudi eerder gelaten. Hij keek naar de voorbijrijdende plantjes en knipte er hier en daar een blaadje af. 
‘Pfff’, zuchtte Ahmed. Het is heet.’
‘Hoe lang werk jij hier al?’ vroeg Rudi.
‘Vorige week werkte ik drie dagen. Waarom kom jij hier werken? Heb je geen diploma?’ vroeg Ahmed alsof hij niet te veel over zichzelf wou praten.

Op dat moment riep er iemand vanachter in de serre en stopte de lopende band. Ahmed keek achterom en stak zijn hand in de lucht en riep luid: Joow! Kom, we roken een sigaretje’ zei hij gedecideerd. Rudi knikte instemmend en volgde de rijzige man tot aan de achterkant van de serre. Ze zeiden niets tegen elkaar totdat ze de frisse buitenlucht in hun gezicht voelden slaan.
‘Het is hier een eenzame plek. Begrijp je Rudi? Ahmed reikte hem een sigaret aan en lachte vriendelijk wanneer hij de aansteker voor Rudi’s neus hield..
‘Ja ik denk het. Van al dat potten trekken en zetten ga je vooral veel zwijgen. Hier mag enkel geroepen worden, denk ik’, zei Rudi met een flauw lachje terwijl hij met een zwaarwordend gemoed de sigarettenrook uitblies, en voegde er aan toe:’En jij verhuist van de ene woestijn naar de andere, is het niet?’
‘Hmm, hier kan je goed leven en verdwijnt de woestijn in je hoofd. Een vallende ster zie je pas wanneer je er niet naar zoekt. Hier heb je er de tijd voor. In Soedan hoef je in ieder geval niet naar vallende sterren te zoeken. Euhm’, en Ahmed zweeg even en liet zijn blik over de percelen met jonge boompjes gaan. ‘De mensen gaan ’s nachts op zoek naar vallende sterren omdat het op de grond, waarop ze leven, nog amper te leven valt.’
‘Hoe gaat het nu in Soedan?’ vroeg Rudi.
‘Er is veel kapot, weet je. De ene man is jaloers op de andere omdat hij niet heeft wat de andere wel heeft. Zo is het bij ons begonnen. Jaloezie. Wat jij hebt, wil ik ook. Wat jij kan, kan ik ook, en ik kan het zelfs beter. Een goede moslim houdt zich niet bezig met het boze oog’ zuchtte Ahmed. Hij zweeg en keek naar de grond. Rudi wilde iets slims antwoorden om Ahmed te tonen dat hij diens lijden goed begreep maar hield de lippen op elkaar. Hij blies de rook van zijn sigaret door zijn neus.

In de serre riep iemand in crescendo ‘Yoow Yoow Yoow’ en beide  hoorden de lopende band ratelend in gang schieten. Ze gooiden hun sigaretten in de stinkende gracht, die naast de serre liep en wandelden naar binnen.
Wanneer ze alle twee terug tegenover elkaar stonden, beide met een schaar in de hand, vroeg Rudi aan Ahmed of hij al van Johannes De Doper had gehoord.
‘Neen. Is dat iemand uit de Bijbel? Zijn naam klinkt in ieder geval zo. Een profeet?’ vroeg Ahmed terwijl hij zijn blik op de voorbijrijdende planten hield.
‘Ja hij doopte de volgelingen van Jezus en maakte veel reclame voor zijn nieuwe partij. Het is gek dat je hem niet kent?’
‘Hoe bedoel je ‘partij’?
‘Wel’, dacht Rudi even. ‘Wel, euh, één God één vaderland. Een koninkrijk van God, Zijn Zoon en de Heilige Geest Amen’ grapte Rudi.
‘Ik begrijp je niet’ zei Ahmed ernstig.
‘Hé gasten’, riep een van de pottenzetters. Rudi en Ahmed keken opzij. Een jongeman in een blauwe overall kwam van de andere kant van de lopende band naar hen toe gerend. ‘Hé’zei hij wanneer hij vlakbij was en halt hield. Hij had een kauwgum in zijn mond. ‘Hé, we leggen zo dadelijk de band even stil want we moeten eerst een lot oudere planten draaien. Guido heeft gebeld. Er kwam net een grote bestelling binnen. Willen jullie er op letten dat er geen rotte blaadjes of bloemknoppen door de inpakmachine gaan? Knip ze er maar af wanneer je ze ziet. Luister, we gaan eerst heel de band laten leeglopen en dan zetten we de andere potten erop. We zetten de band terug vol en dan drinken we iets en eten een koek, goed? Allez gasten, houdt hem stijf hé!’ De jongeman draaide zich vliegensvlug om en liep met veel vrolijkheid in zijn lijf van hen weg.
‘Ok, vervolgde Rudi. ‘We nemen zo dadelijk weeral een pauze. Neen, wat ik je wou vertellen. Johannes de Doper werd door de koning in de gevangenis gestopt omdat hij vreesde dat er een revolutie op til was. De koning had veel ontzag voor Johannes maar hij vond hem in de eerste plaats een onruststoker. Gaandeweg waren beide vrienden geworden. Ze hadden een groot respect voor elkaar. Voor de koning was deze vrienschap het bewijs van de heiligheid van Johannes. Hij was blij dat hij de man voor zich alleen had. De koning kon ook nooit duidelijk zeggen wie de slaaf en wie de meester was.
‘Ja dat gebeurt met de meeste profeten. Maar vertel verder. Die Johannes van jou ken ik niet’, voegde Ahmed er minzaam aan toe.
‘Wel…Rudi was even afgeleid en vroeg. ‘Is dit misschien de inpakmachine?’
‘Ja natuurlijk lachtte Ahmed. Wat dacht je dat het was?
‘Ok… ja sorry waar was ik gebleven? Wel op een dag deed de beeldschone stiefdochter een striptease voor de koning. Ze hield enkel nog een sluier voor haar gezicht met de belofte dat ze daarna alles, alles wat ze maar wenste, aan hem mocht vragen, of beter: van hem mocht eisen. Ze had Johannes diezelfde ochtend nog opgezocht, alhoewel dat ten zeerste verboden was. Ze was onmiddellijk gek van hem omdat hij er zo zwijgzaam en mager bijliep. Johannes echter, had haar amper een blik gegund en gebaarde voortdurend dat ze weg moest gaan. Hij had gemompeld dat ze in zijn licht stond. Salomé, zo heette de stiefdochter van de koning, werd door deze afwijzing nog gekker van verlangen. Johannes was de enige man op de wereld die haar niet zag of haar niet wilde zien. Dat leek haar een opwindende gedachte. Ze moest en zou hem hebben. Kost wat kost. Uiteindelijk riep Johannes, wat hij overigens zelden deed: ‘Jij bent het monster dat uit de vuiligheid tussen broer en zus geboren werd. Ga weg uit deze kerker en laat me alleen met mijn gebed. Dochter van Lilith!’ Salomé liep helemaal opgewonden door de donkere gangen van de gevangenis.

‘Staat dat echt in de Bijbel? En wie is Lilith’ vroeg Ahmed. Beide keken lachend opzij. Het einde van de lange rij bloempotten kwam traag dichterbij geschoven.
‘Neen, niet exact zo natuurlijk. Ja Lilith. Hoe zat het ook alweer? Ze hebben dat verhaal door de eeuwen heen aangepast. Ik denk dat Lilith naar de woestijn was verbannen omdat ze o.a. tijdens de liefdesdaad bovenop wou.
Goed, Salomé hield enkel haar sluier aan. De koning was naderhand zo opgelucht dat hij nogmaals uitriep: ‘Vraag wat je wilt mijn lieve schat, en je zal het krijgen!’ De koningin en tevens moeder van Salomé was tijdens de striptease van haar dochter de kamer binnengekomen en was al verschillende keren hysterisch beginnen krijsen. Achteraf zag ze haar fout in en fluisterde in haar dochter’s oor: ‘Richt je vader ten gronde, lieveling van me. Spaar hem niet. Hijzelf heeft nooit iemand gespaard.’
‘Ik wil Johannes!’ had Salomé met een uitzinnige lach op haar gezicht geroepen. ‘Ik wil het hoofd van Johannes in een zilveren schaal zodat ik het eindelijk kan kussen en liefkozen’, voegde ze er nog met een kinderlijk plezier aan toe.
De koning sloeg met zijn hoofd verschillende malen tegen de muur en trok als een gek aan zijn haren. Salomé keek onbewogen en met gekruiste armen toe. ‘Onmogelijk!’ had hij uitgeroepen. Hij zag dat Salomé niet zou zwichtten voor zijn geklaag en zelfkastijding (tot bloedens toe) en liet uiteindelijk hij het hoofd zakken. Een man van stand moet immers zijn belofte houden. De eer is het koninkrijk van de man. Een half uur later bracht de beul het hoofd van Johannes in een zilveren schaal de kamer binnen. Salomé snelde met uitgestrekte armen naar de schaal, nam het hoofd van Johannes tussen haar handen en kuste het op de mond, kreunend ‘Oh schatje toch!’
Ahmed duwde zijn ronde brilletje verder op zijn neus en zei zacht: ‘Kom, we pauzeren even.’
Ze liepen samen naar de refter en wanneer ze de deur van het bakstenen bijgebouw naderden brak Ahmed de stilte met de vraag: ‘Wat werd er uiteindelijk van Salomé?’
‘De koning liet haar nog diezelfde dag doodsteken’, antwoordde Rudi.
Toen ze door de gang naar de refter liepen, kwamen ze de anderen tegen. ‘Wij gaan buiten sigaretten roken. De Guido blijft nog wat langer weg, maar de Wannes zal hier binnen een half uur terug zijn.
‘Wie is Wannes?’ vroeg Rudi aan Ahmed.
‘Dat is de zoon van Maria en Guido. Frans is de vader van Guido. Er is ook nog een dochter. Ze heet Wendy. Werk je tot vier? Ik in ieder geval wel.’ zei Ahmed en hij dronk van zijn River Cola met citroen.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!