Het einde van de kunstenaar? Deel 2/3: identiteit

Het einde van de kunstenaar? Deel 2/3: identiteit

woensdag 19 november 2014 09:21

Schuldig

Er was een tijd waarin ik zoveel schrijver was, dat ik
dreigde een personage te worden in mijn eigen bestaan. Het leven buiten het
schrijven leek me zinloos. Alles stond in functie van schrijven: elke prikkel
die ik via mijn zintuigen opdeed, elke emotie en dus ook elke zoen, elke
glimlach, elk teder gebaar, maar ook elk conflict, elke angst, elke ontmoeting
zag ik in functie van het schrijven: wat kan ik hiermee doen? Ik investeerde
niet in mijn leven, ik investeerde in mijn boeken. Zoals de filosoof Cioran
ergens zegt: Schrijven is een vorm van wraak nemen.

Een dergelijk schrijven is reageren in een achterafbeweging,
in een ander medium, een andere tijd en in een ander register. In die zin is
schrijven soms vooral wat het niét is: ik was schrijver, maar dan vooral omdat
ik geen mens durfde te zijn, ja, ik durfde niet te leven. Guilty of a wasted
life
, zoals het in de nachtmerries van Papillon opduikt.

Als de vos de passie
preekt…

Het kostte wat tijd (en geld) om daar achter te komen en nog
meer tijd (en geld) om het te veranderen. Gaandeweg zette ik het schrijverschap
op z’n plek: als een verlangen – als mens zijn we verdeeld tussen verschillende
verlangens -, geen noodzaak, niet het leven zelf.

Het is dan ook enigszins huichelachtig wanneer kunstenaars
dingen beweren als “ik moét scheppen, het is een noodzaak” of “ik moet
schrijven of ik word zot”.

Trouwens: “N’est pas
fou qui veut”,
dixit Lacan, waarmee hij doelde op de structurele
specificiteit van de waanzin die niet voor iedereen weggelegd is. Maar
bovenstaande beweringen worden dus wel, en vooral in de media, naar voor
geschoven als het échte kunstenaarschap: de kunstenaar die daarmee samenvalt.

Ik heb Knausgårds vijf delen verslonden
en hoezeer ik hem ook waardeer om zijn literaire oeuvre, hij incarneert ook wel
dat type schrijver: diegene die samenvalt met dat ene passionele
schrijfverlangen en daar een beetje aan kapotgaat. Een alles of niets verhaal,
dat altijd weet te appeleren. Overigens beweerde Knausgård na de voltooiing van
zijn “mijn kamp” reeks dat hij schrijver af is, uitgeschreven. Ook dat past
binnen het alles of niet verhaal.

In mijn geval betekende een en ander dat ik steeds minder
personage werd en steeds meer schrijver. Maar paradoxaal genoeg werd ik daarbij
ook minder schrijver, want ik durfde te verlangen naar andere zaken buiten het
schrijven, wat voordien ondenkbaar leek, zaken die ik niet waardeer in functie
van het schrijven, maar als op zichzelf staand verlangen. Al moet ik zeggen dat
ook dat weer het schrijven verrijkt.

De bewering van Jeroen Brouwers ooit, dat het schrijven een
marteling is, plaats ik eveneens in het huichelachtige rijtje: niet het
schrijven zelf is dan een kwelling, maar de functie die het schrijven heeft.
Een functie die wellicht een aantal zaken uit de weg is gegaan.

Beweren dat schrijven uiterst onprettig is, is eigenlijk
zeggen: “ik kan er niet aan doen, ik moét het doen”. En dus ook: “ik heb geen
keuze, dus ik wil hiervoor compensaties of vergoedingen ontvangen”. Dat klopt
niet.

… boer, pas op je
ganzen.

De visie van de kunstenaar die met zichzelf samenvalt, die
kunst ádemt, kunst is, heeft maatschappelijke implicaties. Het houdt
bijvoorbeeld in dat échte kunstenaars alleen maar met kunst bezig zijn en dus
bijvoorbeeld niet kunnen werken. Toen Kristien Hemmerechts vorig jaar
suggereerde dat sommige schrijvers eventueel een deeltijdse baan konden
aannemen, was het kot te klein. 

Een deeltijds kunstenaar is er geen echte? Daar ga ik niet
mee akkoord. Immers, diegenen die samenvallen met hun kunst, verlangen niet
méér dan andere kunstenaars naar creatie, ze vermijden vooral iets anders (te doen).
Dat heet neurose. Het is dan een negatieve keuze (tegen iets) en niet zozeer
een positieve (vóór iets). Als je schrijft om je angst of depressie tegen te
gaan, maakt dat je producties niet beter, waarachtiger of passioneler.

Ook een maatschappij wordt hier niet altijd beter door. We
moeten ons durven afvragen of een maatschappij moet betalen voor de neurose van
mensen onder de noemer subsidiëring. Daar zijn immers andere vangnetten voor.

Er moét ruimte zijn om te betalen voor kunstenaars in een
maatschappij, kunstenaars die een maatschappij ontegensprekelijk en op
onvervangbare wijze verrijken. Maar subsidies zijn er om een creatief proces te
ondersteunen, niet om een neurotisch proces te faciliteren.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!