Groeten uit Calais

Groeten uit Calais

dinsdag 8 september 2015 16:09

Welcome to the jungle, it gets worse here every day

Wat voor de meesten van ons niet meer is dan een nummer van Guns ‘n Roses, is voor de 3500 vluchtelingen in de duinen van Calais bittere realiteit… Een ooggetuigenverslag.

De karavaan

De oproep via de Facebook pagina ‘Ik ga naar Calais en ik neem mee’ resulteerde vrijdag in een warme hulpactie – misschien amateuristisch georganiseerd zoals sommigen niet kunnen nalaten te schimpen, maar dag twee verliep al een pak gestructureerder, we leren door te DOEN.

Vanop de parking in Mannekesvere rijden we in karavaan naar Calais, waar we afspraak hebben met enkele lokale hulporganisaties. In een verre hoek van de parking van Carrefour worden goederen uitgeladen, gesorteerd en verdeeld, overigens tot groot ongenoegen van de parkeerwachters, hoewel meer dan de helft van de parking leeg is. Enkele kinderen vragen me wat we komen doen, ze reageren apathisch wanneer ik hen vertel dat we de vluchtelingen komen helpen die in het duinenkamp dat ze ‘jungle’ noemen, proberen te overleven. Veel mensen hier zijn hen en de aandacht die ze de laatste weken krijgen duidelijk beu, een menselijke reactie veroorzaakt door angst; als dit zou ontstaan op de Middenweide op Linkeroever, zou Bart De Wever een monsterscore behalen.

Omdat mijn wagen volgeladen is met dekens en donsdekens, word ik doorgestuurd naar een garagebox die gehuurd wordt door een humanitaire organisatie genaamd ‘Secours Catholique’, waar alle hoogstnoodzakelijke goederen als tenten, dekens en jassen/schoenen verzameld worden. Hierdoor mis ik samen met enkele anderen de eerste tocht naar de jungle, bijna iedereen is weg wanneer we terug aankomen op de parking van Carrefour (nog steeds nauwlettend in het oog gehouden door de parkeerwachters). We krijgen bericht dat de verdeling in de jungle chaotisch verloopt, en de raad om kleine voedselpakketjes te maken en die per enkele stuks te voet te gaan verdelen in de jungle, in plaats van de auto’s open te zetten en massaal uit te laden want dit zorgt momenteel blijkbaar voor een overrompeling.

De jungle

Sommige mensen kwamen enkel mee om goederen te leveren en vertrekken onmiddellijk terug naar België, waardoor er een hoop hulpgoederen op de parking blijven staan. Ik laad dan maar alle schoenen en jassen in mijn auto en breng alles terug naar de garagebox, waardoor ik ook de tweede groep naar de jungle misloop en er uiteindelijk pas om 18u aankom, alleen begeleid door de dame van Secours Catholique, die zo vriendelijk was om voor me uit te rijden om de weg te wijzen.

“Hier zijn we aan het begin, de rustige kant, verderop is de grote ingang met het gebouw waar ze een warme maaltijd kunnen krijgen. Ga maar kennis maken, ze zijn heel vriendelijk en zullen je overal uitnodigen om iets mee te drinken of te eten.”

Groepjes mannen bekijken elke nieuwkomer, er is nergens een vrouw te zien maar er hangt een gemoedelijke sfeer. Omdat ik per slot van rekening tussen wanhopige mensen loop, mensen die alles achterlieten en niets te verliezen hebben, bind ik een regenjas rond mijn middel, waar mijn buideltas hangt. Overdreven voorzichtigheid ingegeven door vooroordelen, zo blijkt gauw, want ik zal overal warm en beleefd worden onthaald door mannen die dankbaar zijn dat ze hulp en aandacht krijgen, die trauma’s hebben meegemaakt en in grote onzekerheid leven maar toch als vanzelfsprekend het weinige dat ze hebben aanbieden en delen.

Voordat ik me in het kamp begeef ga ik nog even plassen in de bocht van een zijstraatje. Dan valt het me op dat er aan de overkant van de duinen een metershoge omheining staat met prikkeldraad bovenop, hier en daar onderbroken door een grote ijzeren poort met videobewaking en toegang via elektronische code. Achter de omheining ligt een residentiële wijk, pal tegenover de ruige jungle. Twee getto’s, twee extreme uitersten.

We are not dangerous, we are in danger

Mijn eerste stop is bij een felblauwe tent, omringd door schilderijen en spreuken als ‘ici on vent le vaccin contre le racisme’ en ‘we are not dangerous, we are in danger’. Een joviale man wenst me welkom en ik maak kennis met de artiest die onlangs bezocht werd door Kamagurka. Hij vraagt zich lachend af of al die Belgische aandacht vandaag voor hem is.

Even verderop tref ik een jonge vrouw die met de karavaan meekwam. Ze staat hier al een tijd met een volle koffer en weet niet wat te doen. Ik zeg dat ze ofwel gewoon haar koffer moet openzetten en het hen zelf laten nemen ofwel alles uitdelen, hoe anders? Ondertussen heeft zich een rij mannen gevormd die onrustig worden hoe langer ze aarzelt, dus we beginnen eraan. Ik neem een doos kaarsen en loop de rij af terwijl zij de voorste in de rij bedeelt, maar de achtersten beginnen te roepen en ze voelt zich overrompeld (ik had veel en veel erger verwacht) en sluit haar koffer weer. Ze is duidelijk zwaar geïntimideerd al begrijp ik niet waarom want het verloopt allemaal relatief rustig en respectvol. Ik stel voor dat ze doorrijdt en verderop, waar niemand staat, alles uit de auto laadt, dan vinden ze het wel. Het alternatief is alles terug mee naar huis nemen. Plots roept ze dat haar handtas weg is, ze begint luid in het Engels te fulmineren dat ze speciaal is gekomen om te helpen en dan bestolen wordt, ze moeten haar handtas teruggeven of niemand krijgt nog iets. De mannen staren haar aan en knikken: “Line”, ze gaan terug in de rij staan want ze denken blijkbaar dat ze daarom overstuur is. Ik maak haar erop attent dat de meesten van hen waarschijnlijk geen of amper Engels praten, de artiest komt erbij en roept in het Arabisch dat ze haar tas moeten terug geven maar niemand geeft een krimp. Volgens mij had ze geen handtas omhangen en dat zeg ik haar ook maar ze houdt voet bij stuk. Ik kijk in haar auto en daar ligt de handtas, ze beweert dat iemand die er dan net terug in heeft gezet maar ik weet dat het zever is. De artiest zegt heel opgelucht te zijn, de meeste mensen hier stelen niet en zeker niet van hun weldoeners, hij zat er echt mee in. Zij is zo van streek dat ze begint te daveren en in tranen uitbarst wanneer ik mijn arm om haar heen sla, zij was evengoed slachtoffer van haar eigen vooroordelen.

Arabieren versus Afrikanen

Wat verderop herken ik twee mannen uit de karavaan, net wanneer er weer een bestelwagen met Belgische nummerplaten stopt. Ze hebben zakjes met etenswaren bij maar willen liever zelf het kamp niet in dus wij laden onze rugzakken en armen vol en ik volg de mannen door openingen in de duinen om de zakken te gaan verdelen. Tussen de honderden tenten staan er bouwsels die als keuken dienen en daar gaan we naar op zoek.

De vluchtelingen leven in etnische groepen en toch vreedzaam samen, de eerste groep waar we stoppen zijn Pakistani. Wat onmiddellijk opvalt is dat het hier een stuk properder is dan rond de andere tenten-enclaves. Heel vriendelijk en gastvrij bieden ze ons rozenthee aan die ze meebrachten uit Pakistan, ze serveren ons hun eigen beste thee in plaats van degene die ze van ons krijgen. Hier heerst warmte, oprechte gastvrijheid en interesse, ze hebben amper iets en delen nog wat ze hebben, het moet voor hen een grotere shock zijn om in aanraking te komen met onze welvarende maar egoïstische cultuur dan andersom. De Pakistani verontschuldigen zich voor de chaos bij de bedelingen, ze zijn bedeesder dan de Afrikanen en oprecht dankbaar.

Tussen de kampen van Soedanezen, Angolezen, Pakistani, Ethiopiërs en Afghanen door liggen bergen afval in ondiepe kuilen, elke windvlaag doet een hoop opvliegen. Al deze mensen zijn op de vlucht voor oorlog, armoede of andere miserie, ze hopen allemaal op een beter, toch op zijn minst een leefbaar bestaan, maar verder zijn er ook veel verschillen qua hygiëne en beleefdheid (t.t.z. onze definitie van dat begrip). Cynisch genoeg worden vooral de Arabische vluchtelingen geviseerd vanwege hun geloof en de hysterie rond terrorisme, terwijl het hier eerder de Afrikanen zijn die zich opdringen en de hulpbedeling vanzelfsprekend schijnen te vinden. Maar ook dit hebben wij zelf mee in de hand gewerkt want tot aan de jaren zeventig was Afrika een welvarend en exporterend continent, tot wij er al onze overschotten gingen dumpen, waardoor de lokale boeren en kleermakers failliet gingen en de bedelcultuur er zijn intrede deed. Deze mensen zijn de tweede en derde generatie die werden grootgebracht met de krijg-mentaliteit, we kunnen hen dit niet aanwrijven, men oogst wat men zaait.

Waar mensen samenleven ontstaat economie

Wanneer we uitgedeeld zijn rijden we het straatje ten einde, tot aan het gebouw dat de humanitaire organisatie Salam als keuken gebruikt en waar het meisjesverblijf gevestigd zou zijn, al zag ik er tot nu toe maar eentje. Er staat een bestelwagen van de televisie en er komt net een kleine lichte-vracht auto aangereden. De achterdeur gaat open en langs alle kanten vliegen er mannen op, wederom Afrikanen, ze gaan zo onstuimig tekeer dat de wagen ervan schokt – het beeld wordt gretig vastgelegd door de camera’s. Het staat in schril contrast met de bedelingen die wij meemaakten, maar dit is natuurlijk sensationeler en sensatie verkoopt.

Vandaar wandelen we terug het kamp in en het is hier helemaal anders dan aan de rand. Naast een grote vlakte die nog half onder water staat na de laatste storm, wordt gevoetbald, wat verderop ligt het Syrische kamp en staan enkele inderhaast opgetrokken toiletten. Wanneer we dieper de jungle intrekken merken we dat er een economie is ontstaan uit noodzaak, enkele survivors hebben uit paletten, touw en plastic zeil winkeltjes en shisha-bars gebouwd, waar nieuwkomers aan een kop koffie en blikvoer, kaarsen, telefoonkaarten of zeil kunnen geraken. Iemand stelt voor hier iets te drinken om een gesprek te beginnen maar hoewel niemand het hardop zegt, voel ik dat vrouwen er niet welkom zijn. Het is en blijft een mannencultuur en ik wil niemand beledigen, al bevinden ze zich dan op Europees grondgebied waar andere regels gelden naar vrouwen toe. In dit kleine stukje Europa zijn zij thuis, bepalen zij de regels, ik gun het hen van harte.

Naast het pad bromt een benzinegroep, op de grond ervoor zitten een tiental mannen gehurkt hun gsm op te laden. Slechts eenmaal zie ik een buis waaruit drie kraantjes komen en waar mannen emmers vullen of van drinken.

Ismail

Tot ons geluk stuiten we plots op een koppel uit de karavaan, een belg die getrouwd is met een Libanese, buiten Engels en Frans praat ze ook Arabisch. Via haar komen we veel meer te weten over wat deze mannen meemaken, zij leidde ook de bedeling in goede banen door hen instructies te geven in de rij te gaan staan en te horen wie wat nodig had. Ze geraakt in gesprek met een jongeman uit Syrië, hij kwam pas gisteren aan en is nog te zeer aangedaan om mee te doen met het verdeel-circus. Hij verloor zijn gehele familie bij een bombardement, hij heeft enkel zijn zuster nog die in de UK woont, maar ze weigeren broer en zus te verenigen en geven hem geen papieren. Zij leende hem 5000 euro om via hetzelfde soort opblaasboot als degene die Aylan het leven kostte, tot in Griekenland te geraken. De rest van de reis – van Syrië tot in Calais – legde hij te voet af; ik heb de moed niet om uit te rekenen hoeveel Dodentochten dat zijn.

Hij is stil en staart soms in de verte met een gebroken blik in zijn ogen, hij kreeg waarschijnlijk nog niet eens de kans het trauma om het verlies van zijn familie te verwerken omdat hij continu op de vlucht was – zelfs nu is hij nog niet veilig en heeft hij geen enkel zicht op de toekomst, buiten het verblijf in deze mensonwaardige omstandigheden. Onze tolk krijgt het moeilijk en ze kan haar emoties even niet de baas, ik ben een volbloed bleitsmoel maar kan me ongelooflijk genoeg inhouden, van zoveel ellende geraakt een mens afgestompt. Het verhaal van Ismail is dat van velen, mensen die in de media ‘gelukzoekers’ genoemd worden, terwijl velen al gelukkig waren, ze zoeken nu enkel te overleven.

Tegen de schemering verlaten we de jungle, ik wil morgen ook helpen en meer vluchtelingen leren kennen dus in plaats van terug te rijden, boek ik samen met enkele anderen een kamer in een hotel en we gaan iets drinken om de belevenissen van vandaag te laten bezinken.

De eerste mediaberichten over de actie lopen binnen en zoals te verwachten was, focussen de rechts getinte kranten op de chaos tijdens de hulpverlening; een foto van mooi in de rij wachtende mensen is natuurlijk heel wat minder sensationeel dan een foto van een auto die massaal overrompeld wordt door graaiende wanhopige sukkelaars. Als die foto de titel ‘zo groot is de nood/wanhoop’ zou dragen, dan zou men nog medeleven beogen, maar het woord ‘rellen’ zet een heel andere toon en werkt vooral de angst in de hand.

Kamp Syrië

Op dag 2 wordt er een andere verzamelplek gekozen: het parkeerterrein van het Emaus verdeelcenter in het naburige dorp. We leggen paletten op de grond om de goederen te kunnen sorteren, maar de opkomst is zo massaal dat we andere delen van de parking moeten inpalmen. Een honderdtal mensen speelt als vanzelfsprekend op mekaar in en er ontstaat een sorteercentrum voor de toiletartikelen, eentje voor het voedsel, eentje voor het kampeergerief… Er wordt een ketting gevormd om de vrachtwagen in te laden en elk probleem dat zich stelt lijkt vanzelf op te lossen, een mens leert snel bij.

We houden een honderdtal slaapzakken, dekens, jassen en schoenen apart voor een groep Syriërs die een eind van de jungle zouden zitten, vlakbij de haven. Op een grasveldje tussen de woonblokken staan enkele tenten opgesteld en zitten mannen te wachten, op een kans om al dan niet legaal naar de UK te geraken, op voedsel en warme kledij nu het kouder wordt (de politie zou gelukkig gestopt zijn hun schoenen te confisqueren), op een beter leven. Vanuit hun miserabele kampement kijken ze recht op het zwaar omheinde en bewaakte vertrekpunt van de carferry naar Engeland, hun zo verhoopte eindpunt. Hier lopen ze echter veel meer in het oog en ze worden dan ook regelmatig door de politie verjaagd, maar ze blijven terugkomen, ze hebben geen andere keuze. Op een uur tijd zijn er dertig mannen bijgekomen dus we hebben niet genoeg voedsel bij ons, waardoor we een tweede trip naar het verzamelpunt besluiten te maken voor een extra lading.

Plots zie ik Ismail en doe teken dat hij mee over en weer kan rijden als hij wil, het breekt de sleur en zo zit hij toch even in een warme auto in plaats van continu in weer en wind. Ik vraag of hij al contact had met zijn zuster en hij knikt ontkennend, zijn telefoon is stuk. Hierop geef ik hem de mijne en zeg dat hij zo lang mag bellen als hij wil, maar ze neemt niet op.

Van 0 naar 100 in 2,5 uur

Nadat we de zakken met voedsel hebben verdeeld onder de Syriërs, breng ik hem terug naar de jungle. “Zet me hier in het begin maar af” zegt hij, maar we worden onmiddellijk omsingeld door een hoop jonge lachende Afrikanen die niet schijnen te geloven dat de zakken die nog in mijn laadbak staan, leeg zijn; ze blijven aan de wagen kleven dus ik besluit Ismail in de jungle zelf af te zetten, zodat hij de zakken met voedsel, kookpotten en een campingkookvuur die we voor hem opzij hielden naar zijn tent kan brengen. Net op dat moment gaat mijn telefoon, zijn zuster belt hem terug. Hij zondert zich even af en geeft me wat later met blinkende oogjes mijn telefoon terug. Ik moet hoe langer hoe harder vechten tegen de tranen, de fysieke en emotionele uitputting begint zijn tol te eisen.

Ik geef hem zijn zakken en we nemen afscheid, ik zeg dat ik voor hem zal bidden dat hij binnenkort met zijn zuster verenigd kan worden en dat de oorlog in zijn thuisland stopt. Hij omhelst me stevig en ik voel zijn dankbaarheid, zijn radeloosheid, zijn gevecht tegen de emoties voordat hij met de zakken over zijn schouders de jungle in wandelt, zonder nog om te kijken.

Pas wanneer ik alleen in mijn auto zit en de terugweg heb aangevangen, laat ik mijn tranen de vrije loop. Ik denk aan Ismail en de duizenden anderen, die beschutting moeten zoeken tegen de kou die opsteekt, terwijl ik de verwarming in de auto opzet. Amper twee uur later ben ik terug thuis, zonder gammele bussen te moeten hebben genomen en een urenlange vliegreis – zo’n derdewereld toestanden verwacht men niet naast de deur.

WO III

Het wordt hoog tijd dat ieder land zijn verantwoordelijkheid neemt (al dan niet door opgelegde quota’s) en dat we een kat een kat noemen: als de oorlog van 1940-1945 een wereldoorlog genoemd wordt, dan is deze oorlog zeker die term waardig want de gevolgen worden door iedereen gevoeld (om nog te zwijgen over wie verantwoordelijk is want volgens velen is WOII gewoon nooit gestopt).

Vooral de Golfstaten moeten aangespoord worden om ook hun aandeel in de vluchtelingenhulp op te nemen, zij houden momenteel hun grenzen potdicht terwijl hun cultuur veel dichter aansluit bij die van Syrië en het voor beide partijen een veel minder grotere aanpassing zou zijn om samen te leven dan in Europa, waar we niet enkel verschillen van cultuur maar ook in taal, klimaat en het zo omstreden onderwerp ‘geloof’.¹

Desalniettemin moeten we massaal in gang schieten om deze mensen te helpen, en dan bedoel ik niet (enkel) meer hulpgoederen inzamelen en shelter voorzien, maar vooral de situaties in hun thuislanden aanpakken, de oorlog doen ophouden zodat ze terug naar huis kunnen en daar opnieuw beginnen, daar waar ze opgroeiden en thuis zijn. Want dat is wat de meeste van hen nog steeds het liefste zouden willen, daar ben ik zeker van: terugkeren naar huis. Vooropgesteld dat er een veilige leefbare plek is om een thuis te creëren, en dat is onze verantwoordelijkheid als volk, als buren op één en dezelfde planeet; we zijn allemaal evengoed oorzaak als slachtoffer dus er is maar één manier om dit aan te pakken: één voor allen, allen voor één.

¹ Bron: http://www.demorgen.be/buitenland/waarom-syriers-niet-naar-de-golfstaten-vluchten-a2443925/

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!