Euthanasie: la mort dans l’âme

Euthanasie: la mort dans l’âme

donderdag 23 januari 2020 17:01

La mort dans l’âme

 

La mort dans l’âme is de titel van een  roman van Sartre die ik lang geleden las. “Ze leven, maar de dood heeft hen aangeraakt.” Het is een zin die van toepassing is op vragers van euthanasie die psychisch lijden en geen toekomstperspectief meer hebben. Met onze therapieën hopen we dat er een moment komt waarop  de strijd tussen levens- en doodsdrift op een betere manier  beslecht kan worden, en dat de mensen die uitzichtloos lijden opnieuw meer zin zullen krijgen om deel uit te maken van het leven en de gemeenschap. Maar we kennen de afloop niet, nooit.

Dood en vrijheid worden in de filosofische zienswijze van het existentialisme nauw met elkaar verbonden. In L’existence et la mort (http://philosophie.philisto.fr/cours-22-l-existence-et-la-mort.html ) zeggen existentialisten dat filosofen zich moeten bezighouden met het bestaan (de existentie), het einde ervan (de dood), de absurditeit ervan, de angst ervoor.

Er werd veel over geschreven, gesproken en gedacht: niet dat angsten ermee verdwijnen, maar er ontstaan soms cocktails  die beter verteerbaar zijn… Tot op een zekere hoogte.

Psychotherapeuten horen filosoof te zijn.

We worden geboren in een bestaan dat er voor ons al was en maken er daarna zelf iets van, we brouwen onszelf, sprokkelen onszelf bij elkaar aan de vloedlijn van het bestaan. We doen dit  met behulp van onze anderen door wie we ontstonden en die we bij onze geboorte ontmoetten. Zij knutselden het abstracte, ons voorafgaande bestaan, tot een wieg waarin we geboren worden. Die wieg is niet alleen iets tastbaars in drie dimensies, maar bestaat ook uit taal – dat ding dat ons helpt om niet te ontbinden door het vreemde van de ander – en uit dromerijen van de ouders over hun kind dat er aan komt. Sommige ouders zijn slecht toegerust voor goede dromen, door hun eigen droevige leven, of omdat ze er weinig talent toe hebben. Ze hebben enkel nachtmerries over hun aanstormende kind en over zichzelf als ouder, over de wereld waarin ze baren. Een kind kan dan  geboren worden in een wieg van kwade dromen, niet omgeven door goede feeën die het met zijn ouders alle geluk toewensen.

Kan een kind woedend  geboren worden?  

Baby’s zijn ook maar mensen. Ze kunnen niet relativeren. Hun emoties zijn nog niet overdacht, maar lichamelijk en zintuiglijk ervaren innerlijke stormen, die (als het goed gaat) bevattelijk gemaakt en getemperd worden door moederlijke medemensen. Soms is daar een half dorp voor nodig. Moeders zijn ook maar mensen. Gebeurt dit niet dan kunnen de tijdelijke genadeloze kinderwoede  en -haat alle plaats innemen en zich richten op de ander of op zichzelf. Maar als “ongewenst-zijn”, “verlating” en “laten vallen” een dagelijkse realiteit is geweest, en niet alleen maar ingebeelde angst, dan is het leven een noodlot. Ook baby’s kunnen  in een toestand van depressie terecht komen, in die mate dat ze het contact met de ander niet vinden, het niet kunnen vasthouden, of dat ze al snel, uit zelfbescherming, hun verlangen bevriezen. Dit is een vaststelling van therapeuten die baby’s  die geen wolk zijn samen met hun ouders ontmoeten. Door hen te steunen en te begeleiden, kan de baby  soms (opnieuw) haar levenslust vinden, samen met haar ouders. Sommige situaties lijken echter uitzichtloos: de ouders ontkennen dat er iets met hen aan de hand is, ze steken de schuld op elkaar of op de baby (“hij heeft een stoornis”), ze kunnen niet anders dan afreageren, vergeten, of doen alsof (ze blij zijn). Of een ouder blaakt van afgunst en denkt dat enkel hij of zij het laatste woord heeft over het lot van het kind. De samenleving doet alsof de ouders heiligen zijn en de baby enkel onschuld is.  De baby, het kleine kind staat er dan hopeloos en hulpeloos alleen voor. Noemt men dit een hechtingsprobleem of reserveert men deze naam voor die kinderen die – ver van ons bed –  in ouderwetse ziekenhuizen in Roemenië ernstig affectief verwaarloosd worden? Voor de naoorlogse baby’s waarvan de kinderarts Bowlby beschreef hoe ze zichzelf uithongerden, de fles weigerden, en stierven?

Is het onverdraaglijk  dat een baby geen wolk is, maar – ook hier en nu – depressief kan zijn, of zich slecht in zijn vel voelen? Eraan te denken dat kleine kinderen mishandeld en misbruikt kunnen  worden door de mensen die geacht worden voor hen te zorgen? “Je ziet er toch niets aan, aan die volwassenen?”  Je ziet niet dat sommigen misschien wel niet kwaadaardig geboren worden, maar wel blind geworden zijn voor de noden van de ander en voor de eigen waardigheid. Zijn ze zo geboren, of zelf ook al snel zo geworden, verworden, door een “mismatch” met de eigen  ouders? Veronachtzaamd of in de steek gelaten door anderen in de omgeving? Je moet, als ouders en kinderen, ook wel geluk hebben, dat het “klikt” en dat je elkaar wil adopteren en een goed leven gunnen; en  dat er anderen zijn die het overnemen als het niet lukt, of die in de geslagen bres springen als het nodig is.

Helaas zijn de kijkfiles nogal eens langer en het rampentoerisme achteraf groter dan de daadwerkelijke tijdige hulp als we spreken over problemen in het dagelijks samenleven of bij de opvoeding.

Autisme als masker?

De dood in de ziel, kan voor de groter wordende baby een betrouwbare gezel worden, de enige afspraak waarvan men zeker is dat ze niet teleurgesteld zal worden. Bij de dood houdt het op, het ondraaglijke gemis, en  het wachten op de volgende teleurstelling. Niemand zal nog laten vallen. Geen enkele verwachting wordt meer niet ingelost.  De doodswens is een manier om de tijd en de hulpeloosheid een hak te zetten: dit keer kies je hoe en door wie je gestorven wordt, als dat niet kon toen je gebaard werd.  Het is een wens naar rust. Het bedaren van de wreedheid van de tijd.

Wanneer  mensen die om de dood vragen autistisch worden genoemd – zoals dat nu soms gebeurt –  is dat een miskenning:  misschien neemt de uit de hand van het leven gelopen doodsdrift wel soms het masker aan van autisme …

Psychotherapie en ontroostbaarheid

Sommige patiënten hebben langdurige, intensieve therapieën nodig, bij therapeuten die misschien wel bang zijn voor de dood, maar niet zo bang dat ze de angsten van de ander niet kunnen aanhoren, niet over de dood kunnen spreken, de (zelf)destructie kunnen dragen en verdragen, zonder te belanden in een fascinatie of zonder er toe over te gaan zèlf de uitweg als oplossing  te suggereren of te bieden. Langdurig duurt lang: tien jaar, om te beginnen? Langdurige intensieve therapieën, die misschien wel een decennium duren: het is geen bon ton meer er over te spreken.

Zoals met ouders, moet men “geluk” hebben een therapeut te vinden met wie het klikt. Soms vindt men die enkel in de voorzieningen die de dood beloven. Soms moet de therapie  langdurig op twee sporen lopen: ook het spoor van de doodswens moet bewandeld worden.  Het wederzijdse vertrouwen tussen therapeuten op deze beide sporen is vaak ver te zoeken. Dat wantrouwen is echter misschien een noodzakelijke verwikkeling, en zet een sociale scène uit waarop anders enkel geacteerd wordt in de diepe holen en krochten van de psyché van de euthanasievrager die op zoek is naar een uitvoerende ander. Het kan het universum van de mogelijkheden openen, terwijl er eerst enkel onmogelijkheid was. Waar de twee sporen  naartoe lopen is niet te voorspellen. Het woord “zelfmoord” werd vervangen door “zelfdoding”, om het geweld te sommeren onze gemoedsrust niet te storen. In “euthanasie” komt het woord dood zelfs niet voor. De taal kan ook een loopje nemen met de mens.

Onze patiënten hebben gelijk:  als therapeuten durven we niet allemaal of niet altijd  luidop spreken over  of luisteren naar zelfmoord en euthanasie. De dood krijgt te weinig plaats in onze verhalen en te weinig ademruimte in het dagelijks leven. De dood leeft te weinig in het dagelijkse. Is het om die reden dat zij – de patiënten – graag hun toevlucht zoeken bij schrijvers van verhalen en theater? Dat ze zelf beginnen schrijven of schilderen? Kunst schrikt er tenminste niet voor terug hun protagonisten te laten worstelen met lijden en dood en biedt er een – soms tijdelijke – matrijs voor.

Moeten er nog meer en anders-soortige plaatsen komen waar mensen kunnen spreken over hun doodswens en ontroostbaarheid?

Mileen Janssens

Psycholoog-psychotherapeut

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!