Zijn lief, Mary Burn, een twintigjarige textielarbeidster van Ierse afkomst, leidde Friedrich door de volkswijken van Manchester

Eén van de meest visionaire boeken uit de Marxistische literatuur: ‘De toestand van de arbeidersklasse in Engeland” (1844) van Friedrich Engels

dinsdag 2 december 2014 14:12

“Wonderbaarlijk is niet dat zovele van deze
voorspellingen fout waren, maar dat zovele uitgekomen zijn” (Friedrich Engels,
48 jaar later)

 ‘De toestand van de arbeidersklasse in
Engeland’ werd door Friedrich Engels geschreven in 1843-1844 na een onderzoek
van 21 maanden in Engeland, bijzonder in de industriestad Manchester. Ik denk
dat dit één van de meest visionaire werken is uit de Marxistische literatuur.
Daarom wil ik er hier een uitgebreide bespreking aan wijden.

Toen Engels dit boek schreef was hij amper 24 jaar
oud. Zijn lief, Mary Burn, een twintigjarige textielarbeidster van Ierse
afkomst, leidde Friedrich door de volkswijken van Manchester. Friedrich Engels kende
toen Karl Marx nog niet echt, hij had Marx in 1842 éénmaal oppervlakkig
ontmoet. Van het wetenschappelijk socialisme was toen nog geen sprake. Wanneer
in 1845 Engels uiteindelijk Marx ging opzoeken in Parijs, is dit boek de vonk
geweest die Marx en Engels verenigd heeft.

Het boek van Engels is m.i. merkwaardig en
belangrijk in vijf opzichten: 1. omdat het de basis legde van de belangrijkste
Marxistische concepten die later in het wetenschappelijk socialisme werden
ontwikkeld, 2. omwille van de methode die Engels gebruikte: het verbinden van
de persoonlijke sociale praktijk met wetenschappelijk studiemateriaal, 3. omdat
Engels als één van de eerste auteurs ooit tewerk ging als een epidemioloog die
het verband tussen woon- en werkomstandigheden enerzijds en
gezondheidsuitkomsten anderzijds precies in kaart brengt, 4. omdat de
basismechanismen en fenomenen in dit boek beschreven vandaag nog brandend
actueel zijn, in concreto in de Derde Wereldlanden, maar als mechanismen ook
bij ons en tenslotte 5. omdat Engels dit werk schreef toen hij amper 24 jaar
oud was en 48 jaar later in het voorwoord tot de Duitse heruitgave kon
schrijven: “Wonderbaarlijk is niet dat zovele van deze voorspellingen fout waren,
maar dat zovele uitgekomen zijn”.

Ik werk
die vijf redenen voor het belang van dit boek verder uit:

1.      In
het boek van Friedrich Engels komen zowat alle belangrijke Marxistische
begrippen aan bod, dikwijls zonder ze te expliciteren. Wat ook niet kon,  gezien deze concepten toen nog theoretisch
moesten ontwikkeld worden.

1)      Hoe
de ontwikkeling van machines en technologie op enkele tientallen jaren Engeland
volledig veranderd heeft? Hoe de ontwikkeling van de productiekrachten de
bestaande productieverhoudingen grondig doet wijzigen of omver werpt?

2)      Hoe
daaruit de nieuwe klassendifferentiatie ontstaat met als hoofdtegenstelling
deze tussen de het proletariaat en de bourgeoisie? Met het verdwijnen van de
tussenklassen?

3)      Hoe
die klassentegenstelling gebaseerd is op economische uitbuiting, waarbij de
bourgeoisie zich voortdurend verrijkt op kap van de arbeid van het
proletariaat?

4)      Hoe
de andere klassen daartussen evolueren? De klein-burgerij, de middenklasse, de
landbouw bourgeoisie? Binnen de klein-burgerij: de radicaal progressieven die
aansluiting zoeken bij de arbeidersklasse enz.

5)      Hoe
de concurrentie tussen de arbeiders en de concurrentie tussen de bourgeoisie in
dit alles een zeer belangrijke rol spelen?

6)      Hoe
de crisissen van overproductie ontstaan? Hoe daaruit speculanten opstaan en
zich verrijken, wat de crisis alleen maar verergert?

7)      Hoe
anarchistisch de markt werkt? Wat ten dele mee de handelscrisissen veroorzaakt?
Hoe dit wezenlijk eigen is aan het kapitalisme?

8)      De
rol van het ‘werkloze reserveleger’ (term gebruikt door Engels)

9)      Hoe
de machine en de technologie de arbeid zou kunnen verlichten en de arbeider zou
kunnen verrijken, maar hoe onder kapitalistische verhoudingen juist het
tegenovergesteld gebeurt?

10)   De rol van de immigranten, a.d.h.v. het
voorbeeld van de Ierse migranten? Hoe die nog meer uitgebuit worden? Hoe die in
concurrentie met de Engelse arbeiders worden geplaatst? Hoe dat ook tot
tegenstellingen tussen Ierse en Engelse arbeiders leidt? Hoe die hun leef en
werkomstandigheden nog erger zijn? Hoe dit leidt tot drankgebruik,
criminaliteit, losbandig leven en samenlevingsproblemen?

11)  Hoe
criminaliteit ontstaat en samenhangt met de erbarmelijke omstandigheden waarin
het proletariaat moet leven?

12)  Hoe
de bourgeoisie probeert de schuld van de miserie in de schoenen van de
slachtoffers te steken (Ierse migranten, Engelse arbeiders en werklozen)
(victim blaming)? En hiervoor de econoom Malthus met zijn overbevolkingstheorie
opvoert?

13)  Hoe
de bourgeoisie probeert via de ‘armenwet’ een echt activeringsbeleid te voeren?

14)  Waarom
de fabrieksarbeiders de voorhoede vormen?

15)  Waarin
bestaat het klassenkarakter van de staat, van het parlement, van justitie, van
de politie in dienst van de bourgeoisie? Hoe de formele wetten die in
democratische richting gaan daarom nog geen feitelijke democratie betekenen?

16)  Hoe
de arbeidersbeweging stilaan vorm krijgt? De Chartisten, de utopische
socialisten en uiteindelijk de wetenschappelijke socialisten? (woorden achteraf
in latere voorwoord gebruikt). Dat is zijn revolutionair optimisme: Engels ziet
niet alleen de miserie, maar ook hoe door klassenstrijd (de grote
werkstakingen) en solidariteit onder de arbeidersklasse overwinningen kunnen
behaald worden. Hij ziet hoe de burgerij en het kapitalisme de klasse creëert
die haar naar de ondergang zal leiden. Hij beschrijft hoe die klassenstrijden
een leerschool betekenen voor het grote gevecht later dat het systeem zal
moeten omverwerpen.

17)  Uiteindelijk
gaat hij naar de wortel van al dit kwaad: het kapitalistisch systeem en komt
hij tot de conclusie dat alleen een revolutie dit systeem kan en zal
omverwerpen en de problemen van de grote meerderheid van de bevolking kan
oplossen.

2.      Een
tweede interessante eigenschap van dit boek is de methode die Engels gebruikte
voor zijn onderzoek: sociale enquêtes onder de arbeiders gekoppeld aan
wetenschappelijk onderzoek, op basis van officiële en authentieke documenten en
cijfers.

3.      Een
derde sterk punt is hoe Engels vrij precies en volledig de band legt tussen
leef en werkomstandigheden enerzijds en de gezondheid van de arbeiders en hun
gezinnen of de volksgezondheid, anderzijds. Hij gebruikt gezondheidsuitkomsten
als maatstaven.  Hij legt zo precies
mogelijk de band tussen ‘blootstelling’ en ‘gezondheidsuitkomst’. Zowel vanuit
de leefomstandigheden (wonen, kleden, voeding, hygiëne) als vanuit de
werkomstandigheden. Hij beschrijft precies en concreet deze  leefomstandigheden, per stad of per regio en
de daaruit voortvloeiende problemen op vlak van volksgezondheid. Behuizing,
smog (fijn stof), riolering en epidemieën. 
Hij zoekt ook getuigenissen en cijfers uit officiële bronnen.  Hij beschrijft voor de arbeidersklasse de
ontoegankelijkheid tot professionele gezondheidszorg en het overgeleverd zijn
aan kwakzalvers, die hen en hun kinderen proberen te medicaliseren met
onnuttige en soms zelfs gevaarlijke geneesmiddelen.  Hij beschrijft de problemen van alcoholisme,
prostitutie en criminaliteit. Hij brengt die problemen in hun maatschappelijke
context. Per bedrijfstak beschrijft hij precies de werkomstandigheden. En hoe
dit weerslag heeft op de gezondheid van de arbeiders: de mannen, de vrouwen, de
kinderen enz. Tot welke aandoeningen dit leidt, tot welke ‘overtollige’ (woord
is van Engels) sterfte of ziekten dit leidt. Het gaat om de neuropathieën  van de arbeiders in de pottenbakkerijen
t.g.v. lood en arsenicumintoxicaties. Het probleem van chronische longziekten
in zowat alle bedrijfstakken door de ongezonde atmosfeer in de werklocalen. Het
probleem van stoflong bij de mijnwerkers. Het probleem van skelet en
spieraandoeningen  in zowat alle
bedrijfstakken omwille van het zware, langdurige (14 uur- dagen) en eentonige
werk in ongezonde houdingen. Het probleem van groeiachterstand bij de kinderen.
Het probleem van ongevallen op het werk, bijzonder in de mijnen. Het probleem
van ongevallen met kinderen, die door vermoeidheid dikwijls half in slaap
vallen tussen de gevaarlijke machines. Het probleem van myopie bij kinderen in
de kousensector, door jarenlang vanaf jonge leeftijd te moeten naaien. Het
leest soms als een cursus arbeidsgeneeskunde… Hij toont aan dat er een verband
is tussen de handelscrisis van overproductie en de verslechtering van leef- en
werkomstandigheden, waardoor toename  van
algemene sterfte, van kindersterfte, van vrouwensterfte, afname van  levensverwachting en het  uitbreken van epidemieën.  Engels gaat tewerk als een epidemioloog.  Ook hier gebruikt hij dezelfde
wetenschappelijke methode: wat hijzelf heeft kunnen observeren/meemaken
koppelen aan wat er in gezaghebbende officiële rapporten wordt beschreven en
door cijfers wordt gestaafd. Hij beschrijft concreet en precies de populatie,
de blootstelling, hij zoekt vergelijkingssituaties (bijvoorbeeld mijnen waar er
wel ventilatie kokers zijn geplaatst, bijvoorbeeld straten in de midden-klasse
wijken), hij beschrijft en becijfert de gezondheidsuitkomsten. P (population),
I (intervention), C (controle), O (outcome). Engels is de eerste die hier
a.h.w. de Evidence Based Medicine toepast.

4.      Een
vierde sterk punt is hoe de basismechanismen beschreven in dit boek vandaag nog
steeds geldig zijn:

1)      Zijn
concrete beschrijvingen zijn vandaag nog steeds toepasselijk voor de leef en
werkomstandigheden in de sloppenwijken van Manilla, Afrikaanse of
Latijns-Amerikaanse landen.

2)      De
mechanismen van uitbuiting die hij beschrijft zijn verrassend actueel, of beter
gezegd de zogenaamde actuele nieuwe instrumenten om de uitbuiting op te drijven
heeft Engels toen al vastgesteld: opdrijven van de stress, onzekere en
flexibele werkomstandigheden tot en met een waar activeringsbeleid via de
toenmalige ‘nieuwe armenwet’. Uitbuiting is erop gericht om de concurrentie
tussen de arbeiders alsmaar op te drijven, door het aanbod aan arbeiders zo
hoog mogelijk te maken.

5.      Een
vijfde sterk punt is het feit dat Engels dit alles vaststelde, analyseerde en
rapporteerde wanneer hij  24 jaar oud
was, zonder dat er op dat moment sprake was van een wetenschappelijk
socialisme. Engels had zijn eerste ideeën van socialisme op filosofisch vlak
opgedaan in het toenmalige Duitsland in de discussie groepen van Duitse
intellectuelen: de jong-Hegelianen. Hij verwijst meermaals in zijn boek naar
het contrast tussen die Duitse intellectuelen die zich wel socialist noemen,
maar geen band hebben met de sociale praktijk en de Engelse arbeiders die vanuit
het leven zelf zich bewust worden van het socialisme. Engels: “De arbeiders moeten
daartegen protesteren zolang zij nog niet elk menselijk gevoel verloren hebben,
en dat ze zo en niet anders protesteren, komt omdat zij Engelsen en praktische
mensen zijn, die hun protest door een
daad aantekenen, en niet
zoals de Duitse theoretici rustig slapen gaan zodra hun protest behoorlijk in
de notulen is vastgelegd en bij de stukken opgeborgen, waar het dan even rustig
slaapt als de protesterende zelf.”
In
1892, 48 jaar later, wordt het boek heruitgegeven in Duitsland. In zijn
voorwoord stelt Engels vast dat hij na het herlezen van zijn boek, eigenlijk
niets hoeft te wijzigen. Buiten wat elementen van jeugdige overmoedigheid,
blijft het boek vijftig jaar later van A tot Z nog actueel. Engels vat bondig
in zijn voorwoord de Marxistische concepten samen die ondertussen werden
geëxpliciteerd in Het Kapitaal van Marx, en impliciet reeds terug te vinden
waren in ‘De toestand van de arbeidersklasse in Engeland’.

Ik
beschrijf en citeer uit de verschillende hoofdstukken van het boek, met eerst
per hoofdstuk de korte inhoud zoals die bij de Duitse heruitgave van 1892 was
opgemaakt (in het vet) en dan enkele
regels van commentaar in cursief met
als illustratie telkens enkele uitgebreide citaten uit het boek.

Friedrich Engels

De
toestand van de arbeidersklasse in Engeland

Naar eigen aanschouwingen en authentieke bronnen

Geschreven: 1844-45
Inhoudsopgave

Aan
de werkende klasse van Groot-Brittannië


Voorbericht

Zijn methode: de band
met de sociale praktijk naast de band met de wetenschap

Ik heb lang genoeg onder u geleefd om iets te weten van uw
levensomstandigheden, waarover ik met de grootste zorg kennis vergaarde. Ik heb
de verschillende officiële en niet-officiële documenten bestudeerd, voor zover
ik de mogelijkheid had mij deze te verschaffen. Daarmee heb ik echter geen genoegen genomen, het was mij om meer dan
alleen abstracte kennis van mijn onderwerp te doen.
Ik wilde u in uw
woningen zien, u in uw dagelijks leven waarnemen, met u over uw
levensomstandigheden en noden praten en getuige zijn van uw strijd tegen de
sociale en politieke macht van uw onderdrukkers. Ik ging daarbij als volgt te
werk: ik zag af van het gezelschap en de feestmalen, de port en de champagne
van de middenklasse en wijdde mijn vrije uren bijna uitsluitend aan de omgang
met eenvoudige arbeiders. En ik ben verheugd en trots tegelijk, zo te
hebben gehandeld.(…)

Eenentwintig
maanden lang heb ik gelegenheid gehad om het Engelse proletariaat, zijn
streven, zijn lief en leed van nabij door eigen waarneming en persoonlijke
omgang te leren kennen en tegelijkertijd mijn ervaringen aan te vullen door
gebruik te maken van de nodige authentieke bronnen. Wat ik gezien, gehoord en
gelezen heb is in het hier volgende geschrift verwerkt.

Geen speld tussen te krijgen

Ik ben
erop voorbereid dat niet alleen mijn standpunt, maar ook de gebrachte feiten
van vele kanten zullen worden aangevallen, vooral als mijn boek in handen van
Engelsen komt. Even goed weet ik dat men hier en daar een onbelangrijke
onjuistheid, welke bij zo’n omvangrijk onderwerp met zijn breedvoerig
bewijsmateriaal zelfs een Engelsman niet had kunnen vermijden, te meer zal
kunnen aanwijzen daar waar er zelfs in Engeland nog geen enkel werk bestaat
dat, zoals het mijne, over alle arbeiders gaat. Toch daag ik, zonder mij
ook maar een ogenblik te bedenken, de Engelse bourgeoisie uit om ook maar één
enkel, voor de algemene strekking van betekenis zijnd feit, met even zulke
authentieke bewijsstukken als ik heb aangevoerd, te weerleggen.

Juist voor
Duitsland is het weergeven van de klassieke toestanden van het proletariaat in
het Britse Rijk van grote betekenis, vooral op het huidige moment. Het Duitse
socialisme en communisme zijn meer dan wat ook van theoretische stellingen
uitgegaan. Wij, Duitse theoretici,
kenden van de werkelijke wereld nog veel te weinig om door de werkelijke
verhoudingen direct tot hervorming van deze ‘slechte werkelijkheid’ te worden
gedreven.
Van de openlijke voorvechters van zulke hervormingen is tenminste
bijna niemand op andere wijze tot het communisme gekomen, dan via Feuerbachs
ontrafelen van Hegels speculaties. De werkelijke levensomstandigheden van het
proletariaat zijn onder ons zo weinig bekend dat zelfs de goedwillende
‘verenigingen tot verheffing van de werkende klassen’, waarin onze bourgeoisie
het sociale vraagstuk nu mishandelt, voortdurend van de belachelijkste en meest
afgezaagde opvattingen over de toestand van de arbeiders uitgaan. Vooral wij
Duitsers hebben in deze kwestie behoefte aan feitenkennis.(…)

Ten tweede
heb ik bij die meeste citaten de partij van mijn berichtgevers daarom vermeld,
omdat die liberalen bijna voortdurend de ellende in de landbouwdistricten op
die voorgrond proberen te schuiven, maar die in de fabrieksdistricten trachten
weg te praten, terwijl omgekeerd de conservatieven de nood in die
fabrieksdistricten erkennen, maar van die in de landbouwstreken weer niets
willen weten. Om deze reden heb ik ook, wanneer mij officiële documenten
ontbraken bij de schildering van de industriearbeiders altijd aan, een liberaal
bewijsstuk de voorkeur gegeven om de liberale bourgeoisie met haar eigen
woorden te verslaan. En op de Tories of chartisten heb ik mij alleen dan
beroepen, wanneer ik die juistheid van de zaak uit eigen aanschouwing kende, of
ik van die waarheid van de uitspraak overtuigd kon zijn door het persoonlijke
of literaire karakter van mijn autoriteiten.

De essentie: de onverzoenlijke
klassentegenstelling tussen arbeid en kapitaal

Haar belangen staan diametraal tegenover de uwe,
hoewel zij altijd zal trachten het tegendeel te beweren en bij u het geloof te
wekken dat uw lot haar ten zeerste aan het hart gaat.
Haar
daden logenstraffen haar woorden. Ik hoop dat ik meer dan voldoende materiaal
daarvoor heb gebracht, om te bewijzen dat de middenklasse, wat zij ook beweren
mag, in werkelijkheid geen ander doel kent dan zich door uw arbeid te verrijken zolang zij het product daarvan
verkopen kan en u aan de hongerdood prijs te geven zodra zij uit deze indirecte
handel in mensenvlees geen winst kan slaan.

Uit
het aanhangsel van de Amerikaanse uitgave

De
arbeidersbeweging in Amerika

Voorrede
bij de tweede Duitse oplage

Voorrede bij de tweede
Duitse oplage (1892)

Het boek
dat hierbij opnieuw aan het Duitse publiek wordt voorgelegd, verscheen voor het
eerst in de zomer van 1845. Het draagt, zowel wat het goede als wat het slechte
betreft, het stempel van de jeugd van de schrijver. Ik was toen vierentwintig
jaar. Thans ben ik drie maal zo oud en nu ik dit jeugdwerk weer doorlees, vind
ik dat ik mij er geenszins voor behoef te schamen. Ik denk er dus niet aan dit
stempel van jeugdwerk hoe dan ook uit te wissen. Ik leg het de lezer weer
onveranderd voor.(…)

Engels formuleert in dit voorwoord bij de Duitse
uitgave die 48 jaar later verschijnt, reeds enkele wezenlijke veranderingen die
in de wereld van toen sinds 1848 hadden plaats gehad en die later door Lenin in
zijn boek ‘Imperialisme’ werden uitgewerkt en getheoretiseerd.

De
koloniale markten ontwikkelden in steeds toenemende mate hun vermogen de
Engelse industrieproducten op te nemen. De mechanische weefstoel van Lancashire
hielp eens en voor altijd miljoenen Indische handwevers de wereld uit. China
werd meer en meer opengelegd. Vooral echter ontwikkelde zich Amerika met een zelfs
voor dit land van reusachtige vooruitgang ongekende snelheid. En vergeten wij
niet: Amerika was toen slechts een koloniale markt, en wel de grootste van
alle, d.w.z. een land dat grondstoffen leverde en industrieproducten vanuit het
buitenland, in het gegeven geval vanuit Engeland, betrok.

Bij dat
alles kwam dan nog dat de nieuwe, tegen het einde van de voorgaande periode
ingevoerde verkeersmiddelen — spoorwegen en oceaanstomers — thans op
internationale schaal in gebruik kwamen en daarmee verwerkelijkten wat voordien
slechts in eerste aanleg had bestaan: de wereldmarkt. Deze wereldmarkt
bestond destijds nog hoofdzakelijk of uitsluitend uit een aantal
akkerbouwlanden, gegroepeerd om één groot industriecentrum: Engeland. Engeland
verbruikte het grootste deel van hun overschot aan grondstoffen en voorzag hen
daarvoor van het grootste deel van de industrieproducten die zij nodig
hadden.(…)

De vorming van een arbeidersaristocratie binnen het
monopoliekapitalisme

De
machinebankwerkers, de timmerlieden en meubelmakers, de bouwvakarbeiders zijn
elk op zichzelf zo een macht dat zij zich zelfs, zoals de bouwvakarbeiders dat
doen, met succes tegen het invoeren van machines kunnen verzetten. Hun toestand
is ongetwijfeld sedert 1848 opvallend verbeterd. Het beste bewijs daarvoor is
dat sinds meer dan vijftien jaar niet alleen hun werkgevers met hen, maar zij
ook met hun patroons uiterst tevreden zijn geweest. Zij vormen een aristocratie
binnen de arbeidersklasse; zij hebben het klaargespeeld om zich een betrekkelijk
comfortabele positie te veroveren en deze toestand beschouwen zij als
blijvend.(…)

De
waarheid is deze: zolang Engelands industriemonopolie duurde, profiteerde de
Engelse arbeidersklasse tot op zekere hoogte ook van de voordelen van dit
monopolie. Deze voordelen werden zeer ongelijk onder haar verdeeld: de
bevoorrechte minderheid streek het grootste deel op, maar zelfs de grote massa
had toch nu en dan tijdelijk ook iets. Dit is dan ook de reden waarom er sinds
het uitsterven van het owenisme in Engeland geen socialisme bestond. Met de
instorting van het monopolie zal de Engelse arbeidersklasse deze bevoorrechte
positie verliezen. Zij zal algemeen — de bevoorrechte en leidende minderheid
niet uitgezonderd – op zekere dag op hetzelfde peil zijn teruggebracht als dat
van de arbeiders in het buitenland. En dat is de reden waarom er ook in
Engeland weer socialisme zijn zal.’

Later vormde zich het wetenschappelijk socialisme.
In zijn boek van 1844 droomde Engels nog een beetje naïef van een
communistische beweging boven de klassen. Het wetenschappelijk socialisme heeft
dit gecorrigeerd. En wie, na het wetenschappelijk socialisme, nog blijft boven
de klassen redeneren is volgens Engels in 1892 ‘een wolf in schapenvacht’.

Het zal
wel bijna overbodig zijn op te merken dat het algemeen theoretisch standpunt
van dit boek — in filosofische, economische en politieke zin — geenszins
precies overeenkomt met mijn tegenwoordige opvattingen. In 1844 bestond het
moderne internationale socialisme nog niet, dat zich sindsdien, vooral en bijna
uitsluitend door de prestaties van Marx, tot een wetenschap ontwikkeld heeft.
Mijn boek vertegenwoordigt slechts een van de fasen van zijn embryonale
ontwikkeling. Zoals het menselijk embryo in zijn vroegste stadia van
ontwikkeling nog altijd de kieuwbogen van onze voorouders, de vissen,
reproduceert, zo verraadt dit boek overal de sporen van de afstamming van het
moderne socialisme van een van zijn voorouders: de klassieke Duitse filosofie.
Zo wordt, vooral tegen het eind, groot gewicht gehecht aan de bewering dat het
communisme niet slechts een partijdoctrine van de arbeidersklasse is, maar een
theorie waarvan het einddoel de bevrijding van de hele maatschappij, met
inbegrip van de kapitalisten, uit de huidige beperkende verhoudingen is. Dit is
in abstracte zin juist, maar in de praktijk meestal erger dan nutteloos. Zolang
de bezittende klassen niet alleen geen behoefte aan bevrijding bespeuren, maar
ook het zichzelf bevrijden van de arbeidersklasse uit alle macht tegenwerken,
zal de arbeidersklasse wel gedwongen zijn de sociale omwenteling alleen voor te
bereiden en door te voeren. Ook de Franse burgers van 1789 verklaarden dat de
bevrijding van de bourgeoisie met de emancipatie van heel het menselijk
geslacht gelijkstond; adel en geestelijkheid wilden dat echter niet inzien.
Hoewel deze bewering toentertijd, voor zover het feodalisme erbij betrokken
was, een onmiskenbare, abstracte, historische waarheid inhield, ontaardde zij
al spoedig in een puur sentimentele frase en ging zij in het vuur van de
revolutionaire strijd geheel in rook op. Tegenwoordig zijn er ook mensen genoeg
die vanuit de onpartijdigheid van hun hogere standpunt, de arbeiders een boven
alle klassentegenstellingen en klassenstrijd verheven socialisme voorpreken.
Maar zij zijn of nieuwelingen die nog een massa leren moeten, of de ergste
vijanden van de arbeiders: wolven in schaapsvacht.

Engels vat in zijn later geschreven voorwoord de
politieke economie nog eens samen

Ik heb
noch hier, noch in de Engelse uitgaven getracht het boek aan de huidige stand
van zaken aan te passen, d.w.z. de sinds 1844 ingetreden veranderingen in
bijzonderheden op te sommen. En wel om twee redenen. Ten eerste had ik de
omvang van het boek moeten verdubbelen. En ten tweede gaf Marx in het eerste
deel van Het Kapitaal een uitvoerige voorstelling van de toestand van de
Engelse arbeidersklasse omstreeks 1865; de tijd dus dat de Britse industriële
welvaart haar hoogtepunt bereikte. Ik zou dus het door Marx gezegde hebben
moeten herhalen.(…)

En zo is
de ontwikkeling van de kapitalistische productie al voldoende om — tenminste in
de leidinggevende takken van industrie want in de minder belangrijke is dit
geenszins het geval — al die kleine bezwaren op te heffen die in vroeger jaren
het lot van de arbeiders verergerden. En
zo treedt meer en meer het grote hoofdfeit op de voorgrond dat de oorzaak van
de ellende der arbeidersklasse niet in al die kleinere misstanden gezocht
moeten worden, maar in het kapitalistische stelsel zelf.
De arbeider
verkoopt zijn arbeidskracht aan de kapitalist voor een bepaalde som geld per
dag. Na enkele uren arbeid heeft hij de waarde van dit bedrag gereproduceerd.
Maar zijn arbeidscontract bepaalt dat hij nu nog een aantal uren door moet
zwoegen om zijn arbeidsdag vol te maken. De waarde die hij nu in deze
extra-uren van meerarbeid voortbrengt, is de meerwaarde die de kapitalist niets
kost, maar niettemin in zijn zak vloeit. Dat is de grondslag van het stelsel
dat de beschaafde maatschappij splitst in enerzijds de paar Rothschilds en Vanderbilts,
die eigenaars van alle productie- en bestaansmiddelen zijn, en anderzijds de
geweldige massa van loonarbeiders die eigenaar van niets dan hun arbeidskracht
zijn. En dat dit resultaat niet de schuld is van een of andere ondergeschikte
beklagenswaardige kwestie, maar uitsluitend van het stelsel zelf dit feit is —
door de ontwikkeling van het kapitalisme in Engeland heden in het scherpste
licht gesteld.

In 1844
eindigde hij zijn boek als volgt: “De revolutie moet komen, het is nu al te
laat om een vreedzame oplossing voor de kwestie te kunnen vinden;(…) Maar ik
blijf erbij: de oorlog van de armen tegen de rijken, die thans reeds in
afzonderlijke gevallen en indirect gevoerd wordt, zal ook in het algemeen, als
geheel en direct in Engeland gevoerd worden. Voor een vreedzame oplossing is
het te laat. De klassen scheiden zich steeds scherper van elkaar, de geest van
verzet maakt zich steeds meer van de arbeiders meester, de verbittering neemt
toe, de afzonderlijke guerrillaschermutselingen concentreren zich tot
belangrijker gevechten en demonstraties en een kleine stoot zal spoedig
voldoende zijn om de lawine aan het rollen te brengen. Dan zal ongetwijfeld
door het land de strijdkreet schallen: ‘Oorlog aan de paleizen, vrede aan de
hutten!’ — dan zal het echter voor de rijken te laat zijn om zich nog in acht
te kunnen nemen.”

Ik heb er
zelfs niet aan gedacht uit de tekst de vele voorspellingen te schrappen en
vooral niet die betreffende een voor de deur staande sociale revolutie in
Engeland, waaraan ik in mijn jeugdige
overmoed toen geloofde
. Ik heb geen reden om mijn werk en mijzelf beter
voor te stellen dan wij beiden toen waren. Wonderbaarlijk
is niet dat zovele van deze voorspellingen fout waren, maar dat zovele
uitgekomen zijn

Inleiding

Toestand van de arbeiders voor de industriële
revolutie — De ‘jenny’ — Ontstaan van het industriële en van het
landbouwproletariaat — De ‘throstle’, de mule, de mechanische weefstoel, de stoommachine
— De machines verdringen de handenarbeid — Ontwikkeling van de industriële
macht — Katoenindustrie — Kousenfabricage — Kantwerken — Bleken, drukken en
verven — Wolindustrie — Linnenindustrie — Zijde-industrie — IJzerproductie en
verwerking — Kolenmijnen – Aardewerkfabrieken — Landbouw — Straatwegen,
kanalen, spoorwegen, stoomschepen — Samenvatting — Het proletariaat wordt van
nationale betekenis — Opvatting der bourgeoisie over het proletariaat.

Dat is in het kort de geschiedenis van de Engelse industrie
in de afgelopen 60 jaar, een geschiedenis die haar gelijke niet heeft in de
annalen der mensheid. Zestig, tachtig jaar terug nog een land als elk ander met
kleine steden, weinig en eenvoudige industrie en een dunne, maar naar
verhouding talrijke plattelandsbevolking; en nu dan een land als geen ander met
een hoofdstad van 2,5 miljoen inwoners, met kolossale fabriekssteden, met een
industrie die de hele wereld verzorgt en waar bijna alles met de meest
gecompliceerde machines gemaakt wordt, met een vlijtige, intelligente,
dichtbezaaide bevolking waarvan tweederde in industrie en handel werkzaam is,
en die uit geheel andere klassen bestaat, ja een geheel andere natie met andere
zeden en andere behoeften is dan toentertijd. De industriële revolutie heeft
voor Engeland dezelfde betekenis als de politieke revolutie voor Frankrijk en
de filosofische voor Duitsland. De afstand tussen het Engeland van 1760 en dat
van 1844 is minstens even groot als dat tussen het Frankrijk van het ancien
régime[6]
en dat van de Julirevolutie. Het belangrijkste product van deze industriële
omwenteling is echter het Engelse proletariaat.

Het
industriële proletariaat

Classificatie van de arbeiders — Centralisatie van
het bezit — De hefboom van de moderne industrie — Centralisatie van de
bevolking.

De
grote steden

Een directe indruk van Londen — Sociale oorlog en
universeel uitplunderingssysteem — Het lot van de armen daarbij — De
achterbuurten in het algemeen — Londen: St. Giles en omgeving —
Whitechapel — In de proletariërwoningen — Daklozen in de parken —
Nachtlogementen — Dublin — Edinburgh — Liverpool — De fabriekssteden: Nottingham,
Birmingham, Glasgow, Leeds, Bradford, Huddersfield —
Lancashire: algemene
opmerkingen — Bolton — Stockport — Ashton-under-Lyne — Stalybridge —
Manchester
in bijzonderheden geschetst: algemene bouwwijze — De oude stad —
De nieuwe stad — Bouwwijze der arbeiderswijken — Binnenhofjes en
achterstraatjes — De Ancoats-wijk — Klein-Ierland — Hulme — Salford —
Samenvatting — Logementen — Grote bevolkingsdichtheid — Kelderwoningen —
Kleding van de arbeiders — Voeding — Slecht vlees — Vervalsing van waren —
Vervalste maten enz. — Samenvatting.

Intussen
moet opgemerkt worden dat de nieuwere hofjes verstandiger aangelegd en beter
onderhouden zijn en zelfs in de oude staan de cottages veel minder
opeengedrongen dan in Manchester en Liverpool. Daardoor waren dan ook in
Birmingham tijdens epidemieën veel minder sterfgevallen dan bv. in
Wolverhampton, Dudley en Bilston, die slechts enkele mijlen van Birmingham verwijderd
liggen.(…)

De
concurrentie

Onderlinge concurrentie van de arbeiders, die het
minimumloon en concurrentie van de bezitters onderling, die het maximumloon
bepaalt — De arbeider, slaaf van de bourgeoisie, moet zichzelf elke dag, elk
uur verkopen — Overtollige bevolking — Handelscrisis — De arbeidersreserve —
Het lot van deze reserve tijdens de crisis van 1842.

Deze concurrentie van de arbeiders onderling is
echter voor de arbeiders de ergste kant van de huidige verhoudingen en in
handen van de bourgeoisie het scherpste wapen tegen het proletariaat. Vandaar
het streven van de arbeiders om deze concurrentie op te heffen door zich te
verenigen en vandaar de woede van de bourgeoisie tegen deze bonden en haar
triomf bij iedere klap die eraan wordt toegebracht.

Wat
de proletariër nodig heeft, kan hij slechts krijgen van deze bourgeoisie wier
monopolie door de staatsmacht wordt beschermd.

Er
is slechts een grens voor deze concurrentie van de arbeiders echter:
geen arbeider zal voor minder willen werken dan hij voor zijn bestaan nodig
heeft, als hij nu eenmaal verhongeren moet zal hij liever werkeloos dan werkend
willen verhongeren. Wel is deze grens betrekkelijk want de een heeft meer nodig
dan de ander, de een is aan meer gerief gewend dan de ander; de Engelsman die
nog een beetje beschaafd is, heeft meer nodig dan de Ier die in lompen loopt,
aardappels eet en in een zwijnenstal slaapt. Maar dat verhindert de Ier niet
tegen de Engelsman te concurreren en zo langzamerhand het loon en daarmee de
graad van beschaving van de Engelse arbeider tot op het Ierse peil neer te
drukken. Bepaalde soorten werk vereisen een zekere graad van beschaving en
daartoe behoort bijna iedere industriële arbeid. Daarom moet hier het loon
reeds in het belang van de bourgeoisie zelf zó hoog zijn, dat het de arbeider
veroorlooft om in deze sfeer te blijven.(…)

En
Malthus die bovengenoemde stelling van Smith verder ontwikkelt, heeft eveneens
op zijn manier gelijk wanneer hij beweert dat er steeds overbodige bevolking is
en dat er altijd te veel mensen op de wereld zijn; hij heeft pas ongelijk
wanneer hij beweert dat er meer mensen zijn dan er met de voorhanden
levensmiddelen gevoed zouden kunnen worden. De overbodige bevolking wordt
veeleer veroorzaakt door de concurrentie van de arbeiders onderling, die iedere
arbeider afzonderlijk dwingt om dagelijks zo veel te werken als zijn krachten
ook maar enigszins toelaten. Wanneer een fabrikant dagelijks tien arbeiders negen
uur lang werk kan geven, kan hij, als de arbeiders dagelijks tien uur werken,
slechts negen werk geven en verliest de tiende zijn brood. En wanneer de
fabrikant in een tijd van weinig vraag naar arbeidskrachten die negen arbeiders
door bedreiging met ontslag kan dwingen om voor hetzelfde loon dagelijks een
uur meer, dus tien uur, te werken dan ontslaat hij de tiende en spaart dus
diens loon. Zoals hier in het klein gaat het bij een natie in het groot. De
door de onderlinge concurrentie van de arbeiders ten top gevoerde prestaties
van ieder afzonderlijk, de arbeidsdeling, de invoering van machines en de
exploitatie van de natuurkrachten, maken een massa arbeiders brodeloos. Maar
deze brodeloze arbeiders raken buiten de markt: zij kunnen niets meer kopen en
de vroeger door hen verbruikte hoeveelheid handelswaren wordt nu niet meer
verlangd en behoeft dus niet meer geproduceerd te worden. De vroeger bij deze
productie betrokken arbeiders worden dus ook weer brodeloos en vallen uit de
markt. En zo gaat dat steeds verder, steeds dezelfde kringloop(…)

Crisis van overproductie, anarchie
van de markt, rol van speculatie, werkloosheid en het werkloze reserveleger,
informele economie, nepjobs, bedelaars die het meeste solidariteit ondervinden
in de arbeiderswijken en criminaliteit…

En ondanks alle toenemende uitbreiding van de
industrie, ondanks alle, in het algemeen stijgende vraag naar arbeiders heeft
Engeland, volgens de uitlatingen van de officiële partijen (d.i. van Tories,
Whigs[3]
en radicalen), toch nog voortdurend een overtallige en overbodige bevolking en
is dus toch het algemeen de concurrentie onder de arbeiders
voortdurend groter dan de concurrentie om arbeiders.

Waar
komt deze tegenstrijdigheid vandaan? Uit het wezen van de industrie en
concurrentie en de daaruit voortvloeiende handelscrises. Bij de huidige
ordeloze productie en distributie van de levensmiddelen waarbij het niet om de
directe bevrediging van behoeften maar om de geldwinning begonnen is, bij het
systeem, in overeenstemming waarmee ieder op eigen gelegenheid werkt en zich
verrijkt, moeten wel elk ogenblik stagnaties optreden. Engeland bv. verzorgt
een hele reeks landen met de meest verschillende waren. Zelfs wanneer een
fabrikant nu weet hoeveel van ieder artikel in elk land afzonderlijk jaarlijks
verbruikt wordt, weet hij nog niet hoe omvangrijk de voorraden daar op een
bepaald moment zijn en nog veel minder hoeveel zijn concurrenten daarheen
zenden. Hij kan uitsluitend uit het verloop van de eeuwig schommelende prijzen
een onzekere conclusie trekken betreffende voorraden en behoeften, hij moet er
zijn waren op goed geluk heensturen. Alles geschiedt blindelings en lukraak,
min of meer slechts bij toeval. Op het kleinste gunstige bericht afgaande,
stuurt ieder wat hij maar kan en het duurt niet lang of zo’n markt is overvoerd
van waren, de afzet stagneert, er komt geen geld meer binnen, de prijzen vallen
en de Engelse industrie heeft geen werk meer voor haar arbeiders.(…)

De markten liggen meestal ver af; voordat de eerste
nieuwe aanvoer daar ter plaatse kan aankomen, stijgt de vraag voortdurend en
daarmee de prijzen; men vecht om de eerst, aangekomen partijen waren en de
eerste transacties verlevendigen de markt nog meer, de nog te verwachten
aanvoer belooft nog hogere prijzen, men begint, in afwachting van verdere
prijsstijging, op speculatie te kopen en zo de voor consumptie bestemde
goederen juist wanneer zij het meest nodig zijn, aan het verbruik te onttrekken.
Door de speculatie stijgen de prijzen nog meer, aangezien zij anderen
aanmoedigt in te kopen en nieuw aangevoerde goederen aan de omsloop onttrekt.
Dit alles wordt naar Engeland bericht: de fabrikanten gaan weer vlot werken,
nieuwe fabrieken worden ingericht en alle middelen worden aangewend om van de
gunstige tijd gebruik te maken. De speculatie begint ook hier en met precies
dezelfde uitwerking als op de vreemde markten: de prijzen stijgen, waren worden
aan het verbruik onttrokken en deze beide factoren zetten de industriële
productie tot de grootste krachtsinspanning aan. Dan komen de ‘onsolide’ speculanten die met fictief kapitaal werken,
van krediet leven
en geruïneerd zijn wanneer ze niet onmiddellijk vlot
kunnen verkopen. Zij storten zich in deze algemene, ordeloze wedloop om
financiële winst, vergroten de wanorde en gejaagdheid door hun onbeteugelde
hartstochten, waardoor prijzen en productie tot het waanzinnige omhoog worden
gedreven — een dolle jacht die ook de kalmsten en meest ervarenen meesleept; er
wordt getimmerd, geweven en gesponnen als gold het de hele mensheid opnieuw uit
te rusten en als of er een paar duizend miljoen nieuwe consumenten op de maan
waren ontdekt. Plotseling beginnen ginds
de onsolide speculanten die geld nodig hebben, te verkopen — onder de
marktprijs, wel te verstaan, want er is haast bij de zaak — en op de ene
verkoop volgen andere, de prijzen gaan schommelen, de speculanten gooien
verschrikt hun goederen op de markt, de markt raakt in wanorde, het krediet is
ondermijnd, het ene handelshuis na het andere staakt zijn betalingen, bankroet
volgt op bankroet en men ontdekt dat driemaal zoveel waren voorhanden en
onderweg zijn als voor de consumptie nodig zou zijn.
De berichten komen
naar Engeland waar intussen nog altijd met alle macht geproduceerd wordt — een
panische schrik maakt zich ook hier van de gemoederen meester, de
faillissementen daarginds hebben andere in Engeland tengevolge, de stagnatie
brengt nog een groot aantal huizen ten val, uit angst worden ook hier alle
voorraden opeens op de markt geworpen waardoor de schrik nog groter wordt. Dat
is het begin van de crisis die dan weer precies net zo verloopt als de vorige
om later weer in een periode van bloei om te slaan. Zo gaat dat maar door:
bloei, crisis, bloei, crisis. En deze eeuwige kringloop waarin de Engelse
industrie zich beweegt, pleegt zich, zoals gezegd, telkens in vijf of zes jaar
te voltrekken.

Hieruit
volgt dat de Engelse industrie ten allen tijde, behalve in de korte perioden
van hoogste opbloei, een reserve van werkloze arbeiders moet hebben om juist in
de drukste maanden de door de markt verlangde hoeveelheden waren te kunnen
voortbrengen.(…)

De Londense straatvegers (crossing sweeps) zijn
wereldbekend. Tot dusverre werden echter niet alleen deze kruiswegen maar in
andere grote steden ook de hoofdstraten geveegd door werklozen, die daarvoor
door de armenzorg of straatreinigingsdienst werden aangenomen. Thans heeft men
echter een machine die dagelijks door de straten ratelt en de werklozen deze tak
van beroep verzuurd heeft. Op de grote toegangswegen tot de steden waar veel
wagenverkeer is, ziet men talrijke lieden met kleine karretjes, die met
levensgevaar de verse paardenmest tussen de voorbijrollende koetsen en
omnibussen wegschrapen en voor verkoop inzamelen; zij moeten daarvoor vaak nog
elke week een paar shilling betalen aan de dienst die de straten beheert, en in
vele plaatsen is het geheel verboden omdat anders het door deze dienst
opgehaalde straatvuil niet genoeg paardenmest zou bevatten om het nog als mest
te kunnen verkopen. Gelukkig zijn de ‘overtolligen’ die een kruiwagen kunnen
bemachtigen en er vrachtjes mee kunnen vervoeren, nog gelukkiger zijn diegenen
aan wie het gelukt geld voor een kar met ezel bij elkaar te krijgen; de ezel
moet dan zelf zijn voer zoeken of krijgt wat bijeengescharrelde afval en kan
toch nog wat geld inbrengen.

De meeste ‘overtolligen’ gaan venten. Vooral op
zaterdagavond wanneer de hele arbeidersbevolking op straat is, kan men de velen
zien die daarvan leven. Veters, bretels, garen en band, sinaasappelen, koeken,
kortom alle mogelijke artikelen worden door talloze mannen, vrouwen en kinderen
te koop aangeboden. Ook op andere tijden ziet men elk ogenblik zulke venters
met sinaasappelen, koeken, ginger-beer of nettle-beer[4]
in de straten staan of rondtrekken. Lucifers en dergelijke, zegellak,
gepatenteerde mengsels om vuur aan te maken enz. zijn voor deze lieden eveneens
handelsartikelen. Anderen — zogenaamde ‘jobbers’ — gaan langs de straat op zoek
naar kleine gelegenheidskarweitjes: sommigen gelukt het om zo een dag arbeid te
vinden, velen zijn niet zo gelukkig.(…)

En het is opvallend dat men deze bedelaars bijna
uitsluitend in arbeidersbuurten vindt en dat het bijna alleen giften van
arbeiders zijn waarvan zij bestaan. Of zo’n gezin gaat zwijgend in een drukke
straat staan en laat, zonder een woord te zeggen, alleen al de aanblik van de
hulpeloosheid zijn uitwerking hebben. Ook hier rekenen zij alleen op deelneming
van de kant van de arbeiders die uit ervaring weten wat honger is en die ieder
ogenblik in dezelfde toestand kunnen komen; want men vindt deze stomme en toch
zo hoogst aangrijpende manifestaties bijna uitsluitend in die straten waar
arbeiders vaak komen en op de uren dat daar arbeiders passeren; vooral echter
op zaterdagavond wanneer toch al de ‘geheimen’ van de arbeidersbuurten in de
hoofdstraten zichtbaar worden en de middenklasse deze zo verontreinigde buurten
zoveel mogelijk vermijdt. En diegenen van de overtolligen die moed en
hartstocht genoeg hebben (om zich openlijk te verzetten tegen de maatschappij
en om de verkapte oorlog die de bourgeoisie tegen hen voert, te
antwoorden met de openlijke oorlog tegen de bourgeoisie — die gaan dan
stelen, roven en moorden.

Resultaten

Inleidende opmerkingen — Uitwerking der genoemde
omstandigheden op de lichamelijke gesteldheid van de arbeiders — Invloed
van de grote steden, de huisvesting, de onzindelijkheid enz. — De stand van
zaken — Tering — Tyfus, vooral in Londen, Schotland en Ierland — Buikziekten —
Gevolgen van de drankzucht — Kwakzalvers — ‘Godfrey’s Cordial’ — Sterfte onder
het proletariaat, meer in het bijzonder onder de kleine kinderen — De
bourgeoisie aangeklaagd van sociale moord — Gevolgen voor de intellectuele
en morele toestand
— Tekort aan onderrichtmiddelen — Het ontoereikende van
de avond- en zondagsscholen — Onwetendheid — De levensomstandigheden als
scholing voor de arbeiders — Zedelijke verwaarlozing van de arbeiders — De wet
als enige zedenleraar — De toestand van de arbeiders als aanleiding wetten en
zeden te negeren — Invloed van de armoede — Van het proletariaat en de onzekerheid
van zijn positie — De veroordeling tot dwangarbeid — De centralisatie van de
bevolking — De immigratie uit Ierland — Verschil in karakter van bourgeois en
proletariër — Wat de proletariërs op de bourgeois voor hebben — Nadelige zijden
van het proletarisch karakter — Drankzucht — Ongebondenheid in het
geslachtelijk verkeer — Uiteenvallen van het gezin — Niet nakomen van de
sociale regels — Misdadigheid — Beschrijving van de sociale oorlog.

Kapitalisme is wetens en willens
moord

Wanneer
een persoon iemand anders lichamelijk letsel toebrengt, en wel zodanig letsel
dat het slachtoffer daaraan sterft, noemen wij dit doodslag; als de dader
vooruit wist dat het letsel dodelijk zou zijn, noemen wij zijn daad een moord.
Wanneer echter de maatschappij[1]
honderden proletariërs in een zodanige toestand brengt dat zij noodzakelijk een
voortijdige, onnatuurlijke dood moeten sterven, een dood die even gewelddadig
is als de dood door het zwaard of de kogel; wanneer zij duizenden de nodige
levensvoorwaarden ontneemt en ze in omstandigheden plaatst waaronder ze niet kunnen
leven; wanneer zij hen door de sterke arm van de wet dwingt om in deze
omstandigheden te blijven tot de dood intreedt die het gevolg van deze
omstandigheden moet zijn wanneer zij weet, maar ál te goed weet dat deze
duizenden aan zulke omstandigheden ten offer moeten vallen en deze
omstandigheden toch laat voortbestaan — dan is dat evengoed moord als de daad
van de enkeling, maar een verborgen, arglistige moord, een moord waartegen
niemand zich verweren kan en die geen moord schijnt te zijn omdat men de
moordenaar niet ziet, omdat ieder en tegelijkertijd weer niemand de moordenaar
is, omdat de dood van het slachtoffer er als een natuurlijke dood uitziet en
omdat het minder een handelingsdelict dan een nalatigheidsdelict is. Maar het
blijft moord.(…)

Ik zal verder moeten bewijzen, dat de maatschappij weet
hoe schadelijk zo’n toestand voor gezondheid en leven van de arbeiders is
en dat zij desondanks niets doet om deze toestand te verbeteren. Dat zij weet
wat de gevolgen van haar instellingen zijn, dat haar handelwijze dus niet
alleen doodslag maar moord is, zal ik reeds bewezen hebben wanneer ik officiële
documenten, parlements- en regeringsrapporten als gezaghebbend bewijs voor het
feit van de doodslag zal kunnen overleggen.

Smog, fijn
stof…

Twee en een half miljoen longen en
tweehonderdvijftigduizend stookplaatsen, samengepakt op drie tot vier vierkante
geografische mijl, verbruiken een enorme massa zuurstof die slechts met moeite
vervangen wordt omdat de bouwwijze van steden op zichzelf al de ventilatie
moeilijk maakt. Het door ademen en verbranding gevormde koolzuurgas blijft door
zijn soortelijke zwaarte in de straten hangen en de belangrijkste windstroom
strijkt over de daken van de huizen heen. De longen van de bewoners krijgen
niet de volledige hoeveelheid zuurstof en het gevolg daarvan is lichamelijke en
geestelijke verzwakking en verminderde levenskracht.

Hygiëne,
zuiver water…

Het vuilnis en de stilstaande plassen in de
arbeiderswijken van de grote steden hebben dus de ergste gevolgen voor de
volksgezondheid want juist zij ontwikkelen de ziekteverwekkende gassen;
hetzelfde geldt voor de uitwatering van de verontreinigde rivieren.(…)

Men onthoudt hen alle middelen tot zindelijkheid,
men onthoudt hen water omdat er alleen tegen betaling waterleiding wordt
aangelegd en men de rivieren dermate verontreinigt dat zij niet meer voor
zindelijkheidsdoeleinden deugen. Men dwingt hen alle afval en vuilnis, al het
vuile water, ja vaak de meest weerzinwekkende drek en fecaliën op straat te
gooien door hun alle middelen te ontnemen om zich er op andere wijze van te
ontdoen; men dwingt hen daardoor hun eigen buurten te verpesten.(…)

Stress door
flexibiliteit en bestaansonzekerheid…

Men stelt hen bloot aan de meest opwindende
stemmingswisselingen, aan de heftigste slingeringen tussen angst en hoop: men
jaagt hen op als wild en laat hen niet tot rust en rustig levensgenot komen. Men
ontneemt hen elk genot behalve het geslachtsverkeer en de drank, maar wel beult
men hen dagelijks af tot aan de volkomen uitputting van al hun geestelijke en
lichamelijke krachten en prikkelt hen zodoende voortdurend tot de onzinnigste
buitensporigheid in de twee enige genietingen die hun zijn gelaten. En als dit
alles niet helpt, als zij dit alles doorstaan, dan vallen zij ten prooi aan de
werkloosheid van een crisis, waarin hen ook het weinige wat men hen tot nog toe
gelaten had, ontnomen wordt.

De epidemioloog…

Wat is hier anders te verwachten dan een overgrote
proportie aan sterfgevallen, een voortdurend optreden van epidemieën en een
onvermijdelijk toenemend lichamelijk verval van de werkende generatie? Laat ons
zien hoe de feiten liggen.(…)

Met de tering concurreert nog, naast andere
longziekten en roodvonk, vooral de ziekte die de vreselijkste verwoestingen
onder de arbeiders aanricht — de tyfus.(…)

In Edinburgh en Glasgow greep de tyfus bijzonder
fel om zich heen in 1817 na de duurte en in 1826 en 1837 na de handelscrises en
telkenmale luwde hij voor een tijdje na een drietal jaren lang geheerst te
hebben. In Edinburgh leden tijdens de epidemie van 1817 ongeveer 6000 en in
1837 ongeveer 10.000 personen aan de koorts en niet alleen het aantal zieken,
maar ook de hevigheid van de ziekte en het relatief aantal sterfgevallen nam
toe bij ieder opnieuw uitbreken van de epidemie.[2]
Maar het woeden van de ziekte in alle vroegere perioden lijkt kinderspel te
zijn geweest in vergelijking met haar optreden na de crisis van 1842. In heel Schotland
werd een zesde van alle armen door de koorts aangetast, terwijl het kwaad door
rondtrekkende bedelaars met vliegende snelheid van de ene naar de andere plaats
werd overgebracht; de middelste en hogere maatschappelijke klassen werden er
niet door getroffen. In twee maanden waren er meer ziektegevallen dan in de
twaalf voorafgaande jaren. In Glasgow kregen in 1843 twaalf procent van de
bevolking, 32.000 mensen, de koorts en van hen stierf 32 procent, terwijl de
sterfte in Manchester en Liverpool gewoonlijk slechts acht procent bedraagt.(…)

Hij bewijst, dat telkens een periode van ontbering
— een handelscrisis of misoogst — het epidemisch optreden van de tyfus in
Schotland zowel als in Ierland veroorzaakt heeft en dat de kwaadaardigheid van
de ziekte bijna uitsluitend de werkende klasse trof.(…)

Voeding…

Het
tijdelijk ontbreken van voldoende voeding, waaraan bijna iedere arbeider minstens
eenmaal in zijn leven is blootgesteld, draagt er alleen nog maar toe bij om de
gevolgen van de slechte, hoewel toereikende voeding te verergeren. Kinderen die
juist in de tijd dat zij de voeding het meest nodig hebben, maar half te eten
krijgen — en hoeveel zijn er zulke niet tijdens iedere crisis, ja zelfs nog in
de beste periodes van bedrijvigheid — zulke kinderen zullen vast en zeker in
hoge mate zwak, scrofuleus en rachitisch worden. En dat zij het worden kun je
zó zien. De verwaarlozing waartoe de grote massa van de arbeiderskinderen is
veroordeeld, laat onuitwisbare sporen na en heeft de verzwakking van de hele
werkende generatie ten gevolge. Daarbij komen nog de ongeschikte kleding van
deze klasse en de hierdoor verhoogde onmogelijkheid om zich tegen kouvatten te
weren(…)

Alcoholisme…

Alle
verlokkingen, alle mogelijke verzoekingen spannen samen om de arbeiders
drankzuchtig te maken. Brandewijn is bijna hun enige bron van vreugde en alles
helpt mee om deze zo dicht mogelijk binnen hun bereik te brengen. De arbeider
komt moe en verslapt van zijn werk thuis; hij vindt zijn woning van alle
huiselijkheid gespeend, vochtig, ongezellig en vuil; hij heeft dringend iets
nodig wat hem opkikkeren kan, hij moet iets hebben dat hem de arbeid
de moeite waard en het vooruitzicht van de volgende zware dag draaglijk maakt.
Zijn afgetobde, onbehaaglijke en zwaarmoedige stemming die reeds het gevolg is
van zijn slechte gezondheid, vooral van de slechte spijsvertering, wordt
helemaal ondraaglijk door zijn overige levensomstandigheden, door de
onzekerheid van zijn bestaan, door zijn afhankelijkheid van alle mogelijke
toevallen en door zijn onvermogen om zelf iets te doen voor het zekerder maken
van zijn toestand.(…)

De
drankzucht heeft hier opgehouden een zonde te zijn waarvoor men de zondaars
aansprakelijk kan stellen, het wordt een fenomeen, het noodzakelijke,
onvermijdelijke gevolg van bepaalde omstandigheden voor een althans ten aanzien
van deze omstandigheden machteloos object.(…)

Gezondheidszorg…

Een
andere oorzaak van lichamelijk lijden ligt voor de arbeidersklasse in de
onmogelijkheid om zich in geval van ziekte bijstand van goede artsen te
verschaffen.(…)

De
Engelse artsen hebben hoge tarieven en de arbeiders zijn niet in staat deze te
betalen. Zij kunnen dus óf helemaal niets doen óf zijn gedwongen zich van
goedkope kwakzalvers en kwakzalversmiddeltjes te bedienen, waarmee zij zich op
den duur meer schade dan goed doen.

Medicaliseren…

Een
overgroot aantal van zulke kwakzalvers huist in alle Engelse steden en verschaft
zich door advertenties, muurplakkaten en allerlei andere foefjes een praktijk
onder de armere klassen. Daarnaast worden ook nog een massa zogenaamde
patentgeneesmiddelen (patent medicines) voor alle mogelijke en onmogelijke
kwalen verkocht: Morrisons pillen, Parrs levenspillen, Dr. Mainwarings pillen
en duizend andere pillen, aftreksels en balsems die de eigenschap bezitten om
alle ziekten ter wereld te genezen. Deze artsenijen bevatten weliswaar zelden
direct schadelijke dingen, maar werken wel heel dikwijls nadelig op het lichaam
als er vaak en veel van wordt ingenomen, en daar de onkundige arbeiders in alle
advertenties krijgen voor gepreekt dat men daarvan nooit te veel kan innemen
moet men niet verbaasd zijn dat zij er voortdurend, met en zonder verdere
noodzaak, grote hoeveelheden van slikken. Het is niet ongewoon dat de fabrikant
van Parrs levenspillen in één week 20.000 tot 25.000 doosjes van deze heilzame
pillen verkoopt en zij worden ingenomen ook: door de één tegen verstopping en
door de ander tegen diarree, tegen koorts, zwakte en alle mogelijke kwalen.

(…) nemen thans de Engelse arbeiders hun
patentgeneesmiddelen in om zichzelf daardoor te schaden en de fabrikant ervan
met hun geld snel rijk te maken. Een van de schadelijkste van deze patentmiddelen
is een van opiaten, vooral laudanum gemaakt drankje dat onder de naam
‘Godfrey’s Cordial’ wordt verkocht. Vrouwen die thuis werken en op eigen of
andere kinderen moeten letten, geven hun deze drank, opdat ze rustig zullen
zijn en, zoals velen menen, sterker zullen worden. Vaak beginnen zij direct na
de geboorte te dokteren, zonder enig idee te hebben van de schadelijke gevolgen
van deze ‘hartversterking’, totdat de kinderen sterven. Hoe ongevoeliger het
organisme van het kind voor de uitwerking van het opium wordt, des te groter
hoeveelheid wordt hem ervan ingegeven. Als het ‘Cordial’ niet meer helpt, wordt
ook wel onvermengd laudanum toegediend, vaak 15 tot 20 druppels tegelijk. De
coroner van Nottingham verklaarde aan een regeringscommissie[6],
dat één apotheker volgens eigen zeggen in één jaar tijd dertien
centenaar laudanum tot ‘Godfrey’s Cordial’ had verwerkt. Men kan zich licht
voorstellen wat de gevolgen voor de aldus behandelde kinderen zijn. Zij worden
bleek, kwijnend en zwak en sterven meestal nog voor zij twee jaar oud zijn. Het
gebruik van deze medicijn is in alle grote steden en industriestreken van
Groot-Brittannië zeer verbreid.

Sterftecijfers als uitkomst…

De sterftecijfers leveren daar het onweerlegbare
bewijs voor.

Volgens het rapport van de directeur van het
bevolkingsregister G. Graham ligt de sterfte in heel Engeland en Wales
jaarlijks iets onder de 21/4 %, d.w.z. jaarlijks sterft
één op 45 mensen.[7]
Dit was tenminste het gemiddelde in 1839-1840; het jaar daarop daalde het
sterftecijfer iets en was slechts één op 46. In de grote steden echter ligt de verhouding
heel anders. Voor mij liggen (in de Manchester Guardian van 31 juli
1844) officiële statistieken met sterftecijfers, waarin de sterfte in enige
grote steden als volgt berekend wordt: Manchester inclusief Salford en Chorlton
1 op 32,72 en exclusief Salford en Chorlton 1 op 30,75; Liverpool inclusief de
voorstad West-Derby 31,90 en exclusief West-Derby 29,90 terwijl het gemiddelde
van alle aangegeven districten van Cheshire, Lancashire en Yorkshire — en
daaronder vallen een groot aantal heel of half landelijkse districten alsmede
vele kleine stadjes — met een bevolking van 2.172.506 mensen een sterftecijfer
van 1 op 39,80 oplevert. Hoe ongunstig de arbeiders in de steden ervoor staan
toont het sterftecijfer van Prescot in Lancashire, een streek waar steenkoolgravers
wonen en dat, daar het werk in de open steenkoolgroeven niet zo gezond is, nog
achter staat bij de landbouwgebieden wat de gezondheidstoestand er betreft. De
arbeiders wonen echter op het land en het sterftecijfer is 1 op 47, 54, dus
bijna 21/2 maal gunstiger dan het gemiddelde van heel
Engeland. Al deze gegevens berusten op de sterftestatistiek van 1843. Relatief
nog hoger is de sterfte in de Schotse steden: in Edinburgh in 1838-1839 1 op
29, ja in 1831 in
de oude stad zelfs 1 op 22,
in Glasgow volgens Dr. Cowan (Vital Statistics of
Glasgow
)[8]
gemiddeld sinds 1830 1 op 30 en in sommige jaren 1 op 22 tot 24. Dat deze
enorme verkorting van de gemiddelde levensduur hoofdzakelijk voor rekening van
de arbeidersklasse komt, ja dat het gemiddelde van alle klassen door de
geringere sterfte onder de hogere en middelste klassen nog verbeterd wordt,
wordt ons van alle kanten verzekerd. Een van de meest recente getuigenissen
komt van de arts P.H. Holland in Manchester die in officiële opdracht[9]
een onderzoek instelde te Chorlton-on-Medlock, de voorstad van Manchester. Hij
classificeert huizen en straten in elk drie klassen en vond de volgende
verschillen in sterfte:

Sterfte

Straten eerste klasse:

huizen

1ste

klasse

1:51

2de

1:45

Straten tweede klasse:

3de

1:36

lste

1:55

2de

1:38

3de

1:35

Straten derde klasse:

1ste

ontbreekt

2de

1:35

3de

1:25

Uit verschillende andere tabellen die Holland
brengt, blijkt dat de sterfte in de tweede klasse van straten 18 % en
in de derde klasse ervan 68 % hoger ligt dan in die van de eerste klasse; dat
de sterfte in de huizen van de tweede klasse 31 % en in die van de derde klasse
78 % groter is dan in de eerste klasse en dat het sterftecijfer in de slechte
straten die gesaneerd werden, met 25 % terugliep. Hij eindigt met de voor een
Engelse bourgeois zeer openhartige opmerking:

‘Wanneer wij zien dat de sterfte in enige straten
viermaal zo groot is als in andere en in hele stratenklassen dubbel zo groot is
dan in andere klassen, wanneer wij verder zien dat zij nagenoeg onveranderlijk
groot is in de straten die in slechte toestand verkeren, en nagenoeg
onveranderlijk klein in straten die in goede conditie zijn, dan kunnen wij niet
aan de gevolgtrekking ontkomen, dat massa’s onder medemensen, honderden van
onze naaste buren jaarlijks omgebracht (destroyed) worden door gebrek aan de
allergewoonste voorzichtigheidsmaatregelen’.

Het rapport over de gezondheidstoestand van de
arbeidersklasse bevat een mededeling die ditzelfde feit bewijst. In Liverpool
was in 1840 de gemiddelde levensduur van de hogere klassen (gentry,
professional men etc.) 35 jaar, van de zakenmensen en beter gesitueerde
handwerkers 22 jaar en van de arbeiders, dagloners en de werkende klasse over
het algemeen slechts 15 jaar. In parlementsrapporten zijn nog talloze
soortgelijke feiten te vinden.

De sterftecijfers worden hoofdzakelijk door de vele
sterfgevallen onder de kleine kinderen in de arbeidersklasse zo hoog opgevoerd.
Het tere lichaampje van een kind weerstaat de ongunstige invloeden van een laag
levenspeil het slechtst: als beide ouders werken of een hunner gestorven is,
staat het vaak bloot aan een verwaarlozing die zich zeer spoedig wreekt en men
hoeft zich dan ook niet te verwonderen dat bv. volgens het laatstgenoemd
rapport in Manchester meer dan 57 % van de arbeiderskinderen voor het vijfde
levensjaar sterft, terwijl van de kinderen der hogere klassen maar 20 % en
gemiddeld van alle klassen op het platteland nog geen 32 % van alle kinderen
onder het 5de jaar sterft[10]. Vervolg: http://community.dewereldmorgen.be/blog/dirkvanduppen/2014/12/02/boekbespreking-de-toestand-van-de-arbeidersklasse-in-engeland-van-friedrich-engels-deel-ii-en-vervolg 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!