CONGOLEZEN WERKTEN VOOR DE OORLOGSINDUSTRIE

CONGOLEZEN WERKTEN VOOR DE OORLOGSINDUSTRIE

vrijdag 17 oktober 2014 17:59

Honderd jaar na het begin van de eerste wereldbrand worden zowat overal in het land herdenkingsplechtigheden georganiseerd. Daarbij wordt voor het eerst wat meer aandacht besteed aan de rol die Belgisch Congo en haar Force Publique in dit hele gebeuren heeft gespeeld. Maar ook tijdens de WO II was de Belgische kolonie van grote betekenis. Ook toen trad de Force Publique in het strijdperk, maar het zwaartepunt van de bijdrage van de kolonie situeerde zich toch wel op een heel ander front.

Het uitbreken van de 2e wereldoorlog bracht niet alleen België in woelig vaarwater maar betekende ook voorBelgisch Congo het begin van een onzekere tijd. Moederland en kolonie bevonden zich bovendien in een verschillende situatie. Na de meidagen van 1940 was België bezet grondgebied geworden en had er zich tegen eind oktober van datzelfde jaar te Londen een regering in ballingschap gevormd, bestaande uit de ministers Pierlot, Gutt, Spaak en De Vleeschauwer. Deze ploeg, die later nog zou worden uitgebreid, werd door Groot-Brittannië en de andere geallieerden als legitieme vertegenwoordiging van ons land erkend.

De belangstelling van de Britten voor de Belgische zaak ging zich echter al heel vroeg toespitsen op de vraag of en hoe onze kolonie in de oorlogsinspanning kon worden ingeschakeld. Voor Pierre Ryckmans, de toenmalige Gouverneur-generaal te Leopoldstad, was het in elk geval van begin af aan een uitgemaakte zaak dat Belgisch Congo zich resoluut aan de zijde van de geallieerden zou blijven scharen. Wat dat betreft toonde Ryckmans zich trouwens veel standvastiger dan de Belgische toppolitici die tussen 28 mei en oktober 1940 letterlijk en figuurlijk op de dool waren.

De door de oorlogstoestand te Leopoldstad geïsoleerd geraakte Ryckmans zag zich dus verplicht om verdragende beslissingen te nemen zonder dat hij, zeker in de periode van mei tot begin juli 1940, hiervoor enige onmiddellijke politieke rugdekking kreeg vanuit de metropool. En zelfs als er daarna met de regering te Londen gecommuniceerd kon worden verliep dat niet steeds vlotjes want de verhouding tussen Ryckmans en Minister van Koloniën De Vleeschauwer was nu niet bepaald hartelijk te noemen. Dat echter ook binnen de kolonie de neuzen niet allemaal onmiddellijk in dezelfde richting stonden, mag bijvoorbeeld oa. wel blijken uit de nota die de Etat Major van de Force Publique op 08 juli 1940 aan de Gouverneur-generaal richtte. Dit communiqué, ondertekend door de toenmalige bevelhebber van de Force Publique A. Gilliaert en opgesteld door de commandant en latere luitenant-generaal E. Janssens, bevatte een pleidooi om, gezien de bewezen overmacht van Duitsland , Belgisch Congo uit de oorlog terug te trekken waarna men de eigen onafhankelijkheid zou kunnen uitroepen en een neutraliteitspolitiek voeren.(1) Gilliaert en Janssens poneerden hun zienswijze in de volgende 4 punten :

1) Le Congo, considérant l’imbroglio international actuel, considérant l’incapacité matériélle et morale du gouvernement Pierlot de poursuivre la politique qu’ils ‘était fixée (poursuite de la guerre par un gouvernement situé dans un pays neutre), considérant l’occupation totale de la Belgique par une puissance étrangère , proclame sa volonté d’indépendance.

2) Le Congo ( y compris le Ruanda-Urundi) , sera jusqu’au moment du rétablissement de l’indépendance de la Belgique soumis aux seules ordres du Gouvernement Générale de la Colonie

3) Le Congo entend être et rester en bonnes rélations avec toutes les puissances

4) Le Congo est décidé à défendre son indépendance par les armes et avec toutes les ressources défensives naturelles de l’Afrique centrale.

Als conclusie uit de commandant van de Force Publique zijn overtuiging in de volgende bewoordingen : ” nous n’avons plus le temps-demain il sera trop tard- de discuter, d’échanger des vues, d’approfondir des questions… Si le plan que je présente devait être critiqué, amenuisé, , remanié, je préfère qu’on l’écarte…” (2)

Ryckmans hield de toestand onder controle en veegde het plan onmiddellijk van tafel. Voor hem berustte de macht nog steeds bij minister De Vleeschauwer. De op dat ogenblik in Bordeaux verblijvende regering Pierlot had immers met de besluitwet van 18 juni 1940 De Vleeschauwer, en bij diens afwezigheid de gouverneur-generaal, bekleed met de uitvoerende en de wetgevende macht over de kolonie. Een statuut dat overigens door de jurist en vooraanstaand lid van de Koloniale Raad Octave Louwers wel als exorbitant werd omschreven en in zijn ogen De Vleeschauwer en Ryckmans een aboslute macht over de kolonie bezorgde.(3) Een macht die Ryckmans dus ook zonder veel aarzeling liet gelden en de door Gilliaert en Janssens voorgestelde politieke koers kordaat afwees.

Zowel De Vleeschauwer als Ryckmans zag in dat de belangrijkste bijdrage die de kolonie kon leveren in de strijd tegen Nazi Duitsland en zijn bondgenoten zich hoofdzakelijk situeerde op het gebied van de ondersteuning van de oorlogseconomie. Een belang waarvan de Britten en later ook de Amerikanen overigens ten zeerste bewust waren. De economische mobilisatie van de kolonie had voor de Congolese bevolking echter enorme gevolgen en die gevolgen zorgden op hun beurt dan weer voor conflicten in de verhoudingen tussen de verschillende pijlers van het koloniale machtsbestel. Onderstaande tabel geeft een idee van de gigantische inspanning die door Congo werd geleverd.(4)

1939

1940

1941

1942

1943

1944

KOPER

ton

122.600

148.800

162.200

166.000

156.900

165.500

TIN

ton

9.800

12.600

14.300

13.300

17.100

17.300

GOUD

k

18.200

19.500

19.600

17.860

15.100

14.000

ZINK

ton

19.600

21.100

29.100

16.650

40.900

31.030

DIAMANT

krt

8.360.000

9.602.800

5.865.750

6.018.200

4.881.700

7.533.360

HOUT

m3

75.600

106.400

118.600

160.000

170.000

175.000

KOFFIE

ton

21.700

23.242

23.318

23.792

22.210

29.600

RUBBER

ton

1.142

800

1.500

1.800

9.000

12.000

COPAL

ton

11.110

10.900

14.350

15.300

17.350

16.080

KATOEN

ton

42.040

44.000

47.200

40.150

44.150

31.150

JUTE

ton

4.900

7.200

5.500

11.230

13.100

8.200

PALMNOTEN

ton

88.700

44.650

30.200

75.600

74.960

65.870

Mooie cijfers, maar het bereiken van deze fraaie resultaten vergde wel een ware economische mobilisatie van de inlandse bevolking. Bij de opening van de Gouvernementsraad in november 1943 verwoordde Gouverneur-generaal Ryckmans het als volgt: ” Comme nous les indigènes ont travaillé pour la guerre. Ils en ont souffert plus que nous. Elle affecte la vie quotidienne jusque dans les coins les plus réculés de la brousse. Chaque homme est un mobilisé civil: dans les programmes de production chacun a sa tâche à remplir. Comme récompense rareté et cherté d’articles d’importation dont pourtant on ne peut plus se passer. (…) Services sociaux réduits au strict essentiel : médecins mobilisés, pénurie de médicaments dans les dispensaires (…) Le solde , c’est une créance sur l’avenir à laquelle la Belgique devra faire honneur”  (5)

De impact van de oorlogsinspanning liet zich natuurlijk niet overal op dezelfde wijze voelen maar in de mijnprovincie Katanga zorgde de massale inzet alleszins wel voor de nodige commotie bij de Congolese arbeidskrachten. Bovendien hield ook een politiek zwaargewicht zoals Mgr. De Hemptinne, de Apostolisch Vicaris van Katanga, geen blad voor de mond en liet ondermeer in zijn beruchte “Mémoire sur les malentendus nationaux et coloniaux” van 15 december 1943 weten wat hij van de toestand vond. De manier waarop de effort de guerre werd gevoerd leidde volgens hem er toe dat onze “koloniale plichten” op de lange baan werden geschoven wat meteen drie gevolgen had, namelijk: de achteruitgang van de inlandse situatie, een voortijdige syndicale actie en een verzwakking van de koloniale autoriteit. De Hemptinne vreesde bovendien dat door de exodus vanuit het platteland naar de steden de Congolese massa zou afdwalen van het door de missionarissen sinds jarenlang zo geduldig geëffende pad naar een op katholieke waarden gefundeerde beschaving. De Katangese prelaat roerde zich zelfs dermate dat de regering te Londen vreesde dat de uitlatingen van De Hemptinne de zaken zodanig in beroering zouden brengen dat dit voor toenemende moeilijkheden binnen de kolonie en een verstoring in de verhoudingen met de geallieerden zou zorgen. De regering verzuchtte dan ook “dat het absoluut nodig is dat Mgr De Hemptinne zich rustig houdt.” (6)

Maar zoals Pierre Ryckmans het in november 1943 in zijn toespraak tot de Gouvernementsraad aangaf, reikte de schaduw van de oorlog ook vaak tot in de meest afgelegen uithoeken van Congo. Ter illustratie hiervan kunnen we de getuigenis citeren van Pater Gustaaf Hulstaert die de oorlogsjaren in de Evenaarsprovincie doorbracht. Na de bezetting van Zuidoost-Azië en Nederlands Indië door de Japanners was Belgisch Congo, naast van zovele andere grondstoffen, voor de geallieerden nu ook de hoofdleverancier van rubber geworden. Hulstaert getuigt:

Toen de opdracht vanwege de Belgische regering in Londen doorgegeven werd aan de inheemse bevolking ging er een vloed van schrik en afschuw door het evenaarswoud. (…) De ergerlijke misbruiken van die oude tijden waarvan de verhalen melding maakten en die ook in de geschriften der pioniers niet ontbreken , zijn wel achterwege gebleven. Maar in het psychisme van de bevolking bleef de bedreiging groeien tot een schrikbeeld waarvan de verwezelijking weliswaar achterwege bleef , maar die toch doorwerkte telkens men zijn vracht moest inleveren en de nodige aantekening moest laten maken op de controlepapieren bij de gewestelijke overheid.” Zoals steeds waren het diegenen van het koloniale overheidsapparaat die het dichtst bij de bevolking stonden die met de realiteit moesten afrekenen. Hulstaert vertelt verder: “Van de werkelijke toestand gaf de administratie zich geen rekenschap. (…) Wel voelden de lagere plaatselijke beambten de innerlijke weerstand der bevolking en menigeen onder hen was er ongelukkig mee. Maar wat konden gewestbeheerders en hun agenten anders doen dan gehoorzamen en zo min mogelijk gerucht geven aan de feitelijke moeilijkheden. ” (7)

Het mag dus duidelijk zijn dat de grote betekenis van de Belgische kolonie voor de overwinning van de geallieerden zich niet enkel beperkte tot de meer beroemde uraniumleveringen uit de mijn van Shinkolobwe. Belgisch Congo was na verloop van tijd zowat de hofleverancier geworden van bijna alle voor de oorlogseconomie belangrijke grondstoffen. De door de omstandigheden gedwongen handhaving van deze status en de daarmee samengaande krachtinspanning die dit van de inlandse bevolking vergde, had een grote impact op de verhoudingen tussen de kolonisator en de Congolese massa. Zo kwamen er bijvoorbeeld stakingen en rellen in Katanga bij de UMHK (1941 en 1944) en in de goudmijnen van Kilo-Moto. Zelfs nog in 1945 was er te Matadi oproer en staking.(8) La Revue Colonial Belge van 15 december 1945 bericht hierover als volgt: “Il y a eu des grèves parmi les indigènes au Congo. Des grèves qui ont provoqué de graves incidents. Le 26 november dernier, des grevistes indigènes se rassemblent près de Matadi, au pont du Ravin Léopold pour empêcher leurs camarades de se rendre au travail; Ces meneurs sont armés de machettes, de bâtons, de lances, de tubes en acier. Au cours de la même journée ils essayent de gagner Ango-Ango et Kinkanda et occupent le camp de la Petrocongo. Mais les troupes de la 13e Batterie les arrêtent. (…) Après les sommations réglementaires la troupe ouvrit le feu : 7 tués et 16 blessés parmi les fauteurs de troubles. Le calme revint et, dans la nuit du 27 au 28 la voie ferrée fut remise en état, le trafic reprit et les troupes de renfort campèrent dans Matadi et les environs. Depuis lors le calme est entièrement rétabli.”(9)

Het is uiteraard onmogelijk om in het bestek van één artikel alle facetten van de “effort de guerre” te bespreken en te ontleden. Bovenstaande uiteenzetting wil enkel de cruciale rol die de kolonie in de bange oorlogsjaren van 1940 tot 1945 heeft gespeeld in herinnering brengen. Men kan zich echter afvragen of de bevolking in Belgie zich wel ooit gerealiseerd heeft wat zij tot zelfs in de naoorlogse jaren aan de kolonie te danken had en aan welke interne moeilijkheden er tijdens de oorlog in Congo het hoofd moest worden geboden. Dankzij Congo kwam België immers zonder schulden ten opzichte van de geallieerden uit de oorlog. Sterker nog, België kon zelfs leningen toestaan aan de Britten. Het Ministerie van Koloniën raamde de bijdrage van Belgisch Congo aan de geallieerde overwinning op zo maar eventjes 4 miljard BEF.

Eddy MERVEILLIE

(1)VANDERLINDEN Jacques, Pierre Ryckmans 1894-1959. Coloniser dans l’honneur., Bruxelles, De Boeck-Wesmael s.a , 1994, 429

 (2)VANDERLINDEN Jacques, Pierre Ryckmans 1894-1959. Coloniser dans l’honneur., Bruxelles, De Boeck-Wesmael s.a , 1994, 430

 (3)GOVAERTS Bert, Ik alleen! Een biografie van Albert De Vleeschauwer (1987-1971), Antwerpen, Houtekiet/Linkeroever Uitgevers NV, 2012, 224

(4)La Revue Colonial Belge, Numéro consacré à l’effort de guerre du Congo, Nr31, 15 janv. 1947, 37

(5)RUBBENS A. , De Naweeën van de oorlogsinspanning in Receuil d’études Le Congo Belge durant la seconde guerre mondiale-Bijdragen over Belgisch Congo tijdens de Tweede Wereldoorlog, onder hoofdredactie van STENGERS J. , Brussel, Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen, 1983, 579

(6)VANTEMSCHE Guy, Congo. De impact van de kolonie op België, Tielt, Lannoo nv, 2007, 124

(7)HULSTAERT G , Herinneringen aan de oorlog in Receuil d’études Le Congo Belge durant la seconde guerre mondiale-Bijdragen over Belgisch Congo tijdens de Tweede Wereldoorlog, onder hoodredactie van STENGERS J. , Brussel, Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen, 1983, 588-589

(8)BUELENS Frans, Congo 1885 – 1960. Een financieel –economische geschiedenis ,Berchem, EPO VZW, 2007, 290

(9)La Revue Colonial Belge, Nr5, 15 dec, 1945, 15

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!