Aan de andere kant

Aan de andere kant

zaterdag 27 november 2010 18:51

De kortfilms waren getoond, de lichten in de zaal sprongen aan, de weinige kinderen die tot op het einde van de vertoning in de zaal waren blijven zitten applaudisseerden en het evenement liep rustig op zijn einde. Toen ik recht stond voelde ik een hand mijn schouder grijpen, ik draaide me om en verschoot om er mijn huisgenoot Uri aan te treffen. Hij is zeer geïnteresseerd in kunstprojecten met kinderen en tot daar verwonderde zijn komst mij helemaal niet maar als Israëlisch staatsburger is het hem ten strengste verboden om de Westelijke Jordaanoever te betreden. De vertoning was wel gratis maar zijn komst kon hem een enorm bedrag kosten indien de Israëlische overheid zijn aanwezigheid te weten zou komen.

Hij legde me uit dat hij met zijn Nederlandse paspoort ging proberen de checkpoint te passeren. De toeristen worden er zelden grondig gecontroleerd en indien geen enkele militair zijn geboortestad (Tel Aviv) zou bekijken ging er geen vuiltje aan de lucht zijn. Ik had deze avond voorgesteld om te koken voor wat Franse, Zwitserse en Palestijnse vrienden in het huis van een Franse vriendin en met een Palestijnse gastvriendelijkheid werd ook Uri direct een maaltijd en een bed aangeboden.

Ik had Uri ooit gevraagd om mijn vrijwilligerswerk niet te veel te vernoemen als we onder Israëliërs zijn in het westen van Jeruzalem en zodoende besloot ik ook zijn identiteit niet bloot te geven aan de oostelijke kant van de muur. Vrij snel werd door de internationale activisten het belangrijkste gespreksthema, de bezetting, aangesneden en Uri kon als een vlieg op de wand horen wat er over zijn volk gedacht werd.

Uri werkt op dit moment als podium-bouwer in een kibboets om wat geld te verdienen zodat hij zijn eigen kustproject kan opzetten met de kinderen in Silwan. Hij woont op de Arabische Mount Of Olives en hij heeft een enorme liefde voor de taal en cultuur van de Palestijnen. Bij het overgrote deel van de Israëliërs die in dezelfde mate openstaan voor de andere bevolkingsgroep merk je een haat tegen hun eigen afkomst maar dit ontbreekt bij deze joodse kunstenaar volledig. Als kind verhuisde hij op zijn zevende naar Nederland en daar mocht hij enkel binnenshuis Hebreeuws spreken, op straat werd dit hem door zijn ouders verboden. Niemand mocht weten dat ze joods waren want dit kon mogelijks hun veiligheid in gevaar brengen. Idem voor het laten spelen van Hebreeuwse muziek. Hij moest steeds eerst controleren of alle ramen van hun huis gesloten waren want wederom kon door de buurt gemerkt worden dat ze joods waren. Deze typische, waarschuwende Israëlische opvoeding leidde wonderbaarlijk genoeg niet tot een schrik voor de medemens maar tot een gevoel van geborgenheid in zijn eigen cultuur. In plaats van een constante onrust voor terroristische aanslagen heeft Uri een net iets grotere liefde voor zijn eigen volk dan de grote liefde die hij voor alle anderen koestert. Israël met zijn specifieke taal en cultuur is zijn warme nest.

De dag nadien wandelden we samen door Bethlehem en met enige schaamte liet hij me weten dat hij niet steeds opgezet was met bepaalde uitspraken van andere gasten de avond voordien. Sommigen waren voorstander van een grondige oorlog om de Israëliërs eens goed op hun plaats te zetten, anderen wilden evenzeer een grote revolutie en dit ervoer de timide jood als een aanval op hem persoonlijk. Hij voelde voor het eerste het antisemitisme waar hij heel zijn leven voor gewaarschuwd was geweest en dan nog wel uit de mond van Europese ontwikkelingssamenwerkers, niet eens van islamitische strijders. Ik maakte hem duidelijk dat ze de bezetting willen verwerpen en niet het joodse volk op zich willen aanvallen maar weinig troostende woorden konden baten.

Bij het buitengaan uit de Church Of Nativity lazen we op een groot informatiebord voor toeristen de misdaden die door Israël begaan zijn in de regio van Bethlehem, langs de muur lazen we de anti-Israëlische slogans en Uri werd bij iedere spreuk een beetje stiller en stiller.

Tijdens een wandeling door het Aida-vluchtelingenkamp werden we uitgenodigd op het dak van een appartementsgebouw en van daaraf kon je één eenzaam huis aan de andere kant van de muur zien staan tussen vele oude olijfbomen. Het gebied ligt aan de Palestijnse kant van de Groene Lijn maar voor veiligheidsredenen moesten de bomen van de bevolking worden afgesneden en zodoende ook dat ene huis dat te midden van de boomgaard gelegen is. De kinderen van dit Palestijnse gezin moesten sedert de bouw van de muur 45 minuten wandelen naar hun school die in vogelvlucht maar 25 meter van hun huis verwijderd ligt, als ze al de toestemming van de militairen krijgen om die dag naar school te gaan.

Uri vroeg me met krakende stem om terug te keren naar Jeruzalem en aan de checkpoint stonden grote groepen Palestijnen, Indiërs en Duitsers elkaar te verdringen om zo snel mogelijk door het kleine hek richting paspoortcontrole te geraken. De Palestijnen begonnen iedereen weg te drukken op hun weg naar de volgende halte tussen de muren. Dit was het teken voor de Indiërs om het Palestijnse voorbeeld te volgen en de Duitsers, die eerst nog trachtten de orde in de rij te houden, zagen na verloop van tijd ook in dat dit de wet van de sterkste ging worden, ook zij voegden zich in de chaotische strijd. De doorgang werd een soort duw- en trekpartij die allures van het Heizeldrama begon te krijgen. Dit keer werden wel de spelers verpletterd en hadden de toeschouwers (Israëlische soldaten die van op een platform geamuseerd toekijken) vrije ruimte. Ik duwde me mee in de stroom en na een uur merkte ik dat de beleefde Uri, met tranen in de ogen, na een uur aanschuiven nog steeds op de laatste plaats van de rij stond. Hij weigerde deel te nemen in het barbaarse tafereel en ging zo nooit de andere kant van de muur bereiken.

Een tijdje na mij kwam hij aan de andere kant toe en een vreugdekreet op het succes van zijn illegale uitstap zat er niet meer in. Hij liep de ganse de weg naar huis in volledige stilte voor mij uit en pas ‘s avonds laat uitte hij zijn ongenoegen over al de haat die hij deze dag had ervaren.

De behandeling van de Palestijnen is volledig inhumaan en Israël moet in Uri’s ogen de Palestijnen de kans geven om als mens de grens over te steken en niet als een vernederd dier. Hij acht de veiligheid van Israël zeer hoog maar het vernederen van mensen kan nooit tot een betere veiligheid leiden. De haat die in de Westelijke Jordaanoever merkbaar was deden hem evenzeer pijn want geen enkele persoon bekijkt daar volgens Uri de paranoia van het joodse volk in een historisch perspectief.

Net voor het slapen gaan vertrouwde hij mij toe dat hij de hoop op vrede vandaag was verloren. Al wat hij nog wou was een snelle terugkeer naar Nederland, een land dat hij bij aankomst zo lang mogelijk wou ontvluchten. Israël is een ontnuchterend land voor vele idealisten.

T.T.

 

Deze reportage kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos:
 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!