Falend werkloosheidsbeleid: tijd om hand in eigen boezem te steken

Onlangs was het weer zover. Ik ging solliciteren. Om 9:00 uur nam ik plaats in een van de twee lokalen waar een test was voorzien van drie uur. De hoofdprijs? Een aanstelling bij een boeiende middenveldorganisatie voor 1 maand “met kans op verlenging”.

donderdag 3 april 2014 12:13

Op de vacature, die slechts een week online had
gestaan op een beperkt aantal websites, reageerden ruim honderd kandidaten.
Ja, laat het even goed tot je doordringen: voor een contract van in
principe 1 maand.

Enkele dagen later kreeg ik te horen dat ik niet
was geselecteerd. Na mijn frustraties de vrije loop te hebben gegeven
(“fuuuuck!”), een liefhebbende knuffel van mijn vriend en
bemoedigende woorden van mijn vrienden, probeerde ik deze zoveelste teleurstelling een plaatsje te geven en mij te
richten op de toekomst.

Ik ben intussen bijna anderhalf jaar op zoek naar
werk in de sociale sector. Ik heb een Masterdiploma, maar neem
ook genoegen met jobs onder mijn niveau; als ik maar een bescheiden bijdrage kan leveren aan een betere
wereld. 

Als Brusselse Nederlandse ben ik ingeschreven bij
Actiris. In de anderhalf jaar dat ik werkloos ben heb ik daar alle
vormingen en trajecten gevolgd die enigszins op mij van
toepassing waren. Ik vind het soms echt niet meevallen om de draad op te pakken na de zoveelste afwijzing. Zelfs de grootste
optimistist begint na anderhalf jaar aan
zichzelf te twijfelen. Ik heb weleens gedacht dat er eigenlijk geen
plaats voor mij is in deze maatschappij.

Mijn verontwaardiging en woede, die ik na deze
zoveelste afwijzing zorgvuldig had geprobeerd toe te dekken, staken
enkele uren na het teleurstellende nieuws in alle hevigheid de kop op.
Ik word namelijk kotsmisselijk van het dominante
discours dat de eindverantwoordelijkheid voor het vinden
van een baan stelselmatig bij de werkzoekende zelf
legt, terwijl er een structureel tekort is aan arbeidsplaatsen.

Uit een Belgisch rapport uit 2012 blijkt dat er de
laatste jaren vier keer meer werklozen zijn dan beschikbare
arbeidsplaatsen. Als je werkzoekenden verplicht tot het vinden van
werk en hen daarop beoordeelt, dan lijkt het mij logisch dat er voldoende arbeidsplaatsen voorhanden zijn. Anders houd je een groep mensen verantwoordelijk
voor iets waar een groot deel niet in kan slagen. Dat is
niet alleen onzinnig maar vooral ook heel oneerlijk.

Dit ‘je kunt het wél als je maar wilt en je
voldoende inspant’-discours past in de tijdsgeest waarin hardnekkige maatschappelijke problemen
worden verengd tot persoonlijke problemen van onwillige luilakken
of misfits die hoognodig door scholing en aanvullende taallessen
moeten worden bijgeschaafd. Mensen zonder ambitie die de hardwerkende
Vlaming ook nog handen vol geld kosten.

De
werklozenindustrie kost inderdaad handenvol geld. Onze noorderburen geven jaarlijks zo’n 6,5 miljard euro
(!) uit aan hun ‘activeringsbeleid’. Dit terwijl uit talloze
studies blijkt dat activeringsprogramma’s, een vorm van beleid dat
ook in België wordt gevoerd, niet effectief zijn. Gebleken is zelfs
dat de helft van de Europese activeringsprogramma’s geen of zelfs
negatieve effecten genereert. Waarom is het voor politici
dan zo aantrekkelijk om in dit falende, bodemloze systeem geld te blijven pompen?

Awel, door het aanbieden van allerhande vormingen
en beroepstrajecten en het uitvoerig opvolgen van de inspanningen van
werkzoekenden, doet de overheid alsof ze zich buitengewoon hard
inspant voor de oplossing van een groot maatschappelijk probleem
hetende werkloosheid.

De overheid trekt inzake werkloosheidsbestrijding
inderdaad gretig haar portemonnee. Gezien de ondoeltreffendheid
van haar uitgaven kan dit als symboolpolitiek worden gezien.
Met haar beleid probeert ze de kansen van werkzoekenden op de
arbeidsmarkt te vergroten. De vraag is wat dit uithaalt als er een structurele schaarste aan arbeidsplaatsen is.

Een
cursus Frans of een consultatie met een arbeidspsycholoog zijn nooit
weg, maar dragen ze bij aan de oplossing van de
werkloosheidsproblematiek? In de meeste gevallen niet. De overheid heeft een beleid gecreëerd dat zich
enkel richt op de startkwalificaties van mensen. Met wat
cursussen en gesprekken bij de VDAB en Actiris moet je het maar zien
te redden. Voor het verdere verloop van het traject acht de overheid
zich niet verantwoordelijk.

Daar wringt het schoentje.
De overheid bekommert zich enkel om de
individuele randvoorwaarden voor succes terwijl de maatschappelijke
randvoorwaarden minstens zo belangrijk zijn. Wat heb je aan een resem
aan diploma’s als je nergens aan de slag kunt?

De gewenste resultaten moeten in de huidige context volledig worden ‘behaald’
door het individu met haar beperkte slagkracht. Als het werkloze
individu er niet in afzienbare tijd in slaagt om werk te vinden, wordt
zij of hij bovendien gesanctioneerd door de
progressieve verlaging van de werkloosheidsuitkering.

Kranten en opiniemakers schrijven vervolgens,
volledig in lijn met het huidige beleid en paradigma, gretig en
uitvoerig over het gebrek aan discipline en arbeidsethos onder
werklozen: “Iedereen die armen en benen heeft kan toch werken? Er
is altijd werk, als je maar voldoende zoekt”. De overheid lacht
ondertussen in haar vuistje en wast haar handen in onschuld: “Wij
hebben toch ons best gedaan!”. De politiek verantwoordelijken
leiden zo de aandacht af van eigen beleidsmatig falen. Met name werkloze Belgen met
een migratieachtergrond worden momenteel geculpabiliseerd gezien de
hogere werkloosheidspercentages onder hen. Ook de
tewerkstellingscijfers van hooggeschoolde ‘allochtonen’ liggen
structureel lager dan die van hooggeschoolde witte Belgen.

Met betrekking tot de werkloosheidscijfers
onder mensen van etnisch-culturele minderheden zien we een
vergelijkbare reflex. In plaats van collectieve verontwaardiging (“hoe kan het dat ons gelijke
kansenbeleid er niet in slaagt om deze grove ongelijkheden
te corrigeren?”), pertinente vragen (“waarom blijven wij zoveel
investeren in (bij)scholing als ook veel hoger opgeleiden geen werk
vinden?”) en de aankondiging van passende maatregelen, wordt er wederom
direct met de vinger gewezen naar de werkloze ‘allochtonen’ zelf.

In reactie op deze
structurele verschillen die wijzen op institutioneel
racisme, halen experten en beleidsmakers allerlei culturele cliché’s
uit de kast en worden oplossingen voorgesteld die de huidige
exclusieve arbeidsmarkt, en haar sturende in- en
uitsluitingsmechanismen, niet in vraag stellen maar bestendigen.

Ook werkzoekende alleenstaande ouders (lees: alleenstaande
moeders) en laaggeschoolde vrouwen worden geculpabiliseerd
wegens hun hogere werkloosheidsgraad. Ook hier wordt niet gekeken
naar structurele mechanismen die hen belemmeren op de arbeidsmarkt.

Zo treft de optrekking van de straal waarbinnen
men werk moet aanvaarden alleenstaande moeders die hun werk door een
forse stijging van de reistijd niet (meer) kunnen combineren met de
zorg voor hun kinderen. De meesten van hen beschikken niet over de
benodigde financiële middelen om zich uit deze impasse
te redden met kinderopvang en dienstencheques. Ook laag-
en ongeschoolde vrouwen worden door het huidige activeringsbeleid
geviseerd; terwijl er onvoldoende arbeidsplaatsen en werkuren voor hen
beschikbaar zijn in de sectoren waarin zij werkzaam zijn.

Zolang
er geen pertinente vragen worden gesteld en geen doortastende,
structurele oplossingen worden voorgesteld, zijn maatregelen als
taalprogramma’s een doekje voor het bloeden.
Een doekje dat bovendien suggereert dat je er wel komt met voldoende
scholing. Het is hoog tijd dat deze mythe wordt ontkracht en dat de
overheid krachtdadig haar verantwoordelijkheden opneemt.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!