Nanjiecun, de laatste maoïstische commune in China

Nanjiecun, de laatste maoïstische commune in China

donderdag 13 juni 2013 13:19

Voyage au bout de Henan

Het plein voor het treinstation van Zhengzhou is groot en grijs. Enkel de voor de hand liggende logo’s van KFC, McDonald’s en Mr. Lee zorgen voor wat kleur. Voor de rest is het plein overvol. Mensen met donkere huid, gerimpelde gezichten, bloeddoorlopen ogen en vuile handen zitten uitgeput op de grond te wachten. Naast hen liggen hun zware zakken, rijstzakken waren het eerst, die nu gebruikt worden als valiezen. Rolletjes staan er niet onder, draagriemen hangen er niet aan en daarom binden hun eigenaars de zakken vast aan bamboestokken, twee zakken aan elke kant. Wanneer ze opstaan, leggen ze de bamboestok op hun schouder.

Zhengzhou is de hoofdstad van Henan, misschien wel de minst populaire provincie van China. Ze heeft de reputatie overbevolkt te zijn, vuil en onbetrouwbaar. Henan haalde afgelopen jaren het nieuws met misschien wel de donkerste verhalen van China: kanker- en aidsdorpen, slavenarbeid, verplichte abortussen, geboortetekorten, moord, vervalsing en vervuiling. Door de steenkoolindustrie verspreid over de hele provincie is de lucht er dik en zwaar.

Mocht Dante geboren zijn eind 20ste eeuw, dan zou hij in Henan inspiratie hebben gevonden voor zijn beschrijving van de hel.

Ik had het kunnen weten: de treinreis naar Zhengzhou had op zich al wat weg van de oversteek van de Hades. Vijftien uur lang had het geduurd, en ook al had ik aardig op voorhand een ticket geboekt, de slaapcompartimenten lagen al vol. Er waren enkel nog “harde zitplaatsen”.

Het duurde een tijdje vooraleer de vijf jonge Chinese mannen waarmee ik mijn bank deelde durfden te vragen waarom ik het vliegtuig of de gloednieuwe sneltrein niet nam. Zelf vinden ze die ook te duur, dus we zitten op dezelfde golflengte. Die nacht, terwijl de trein langzaam drie provincies doorsteekt, leren ze me Chinees pokeren. De lichten gaan niet uit en mijn medereizigers blijven het gezellig vinden te roepen, te lachen, te kaarten, te roken en te eten. Rond een uur of twee vind ik wat slaap, die twee uur later alweer gebroken wordt door de geur van instantnoedels en het geluid van het geslurp. Rond vijf uur komt de zon op, maar een grijze waas over de velden troebelt het licht.

Het is in deze provincie dat ik op zoek was naar een overblijfsel van een oude droom, een vergeten utopie. Ergens in het midden van de provincie ligt er namelijk een klein dorpje dat moedig weerstand biedt. Weerstand waartegen? Weerstand tegen het kapitalisme. Want inderdaad, er zijn nog mensen in China die leven naar de waarden van het echte communisme, naar de woorden en de idealen van Mao Zedong, de grote roerganger. De laatste échte communisten, op de Noord-Koreanen na, vind je op slechts één plek: Nanjiecun.

Nanjiecun, het dorp

De taxi scheurt over de brede asfaltweg. Zo te zien heeft het een hele tijd niet meer geregend. Er valt enkel stof uit de hemel. Alles is grijs. Toch hebben restaurantuitbaters aan beide kanten van de straat tafels buiten gezet. Mensen eten waar ze willen, ze gaan naar de winkel om wat te kopen, keren terug naar huis of naar hun hotelkamer, ze gaan een avondje uit zingen in de karaokebar. Het normale, doordeweekse leven kortom.

Maar dan spant er zich in de verte een grote plastieken regenboog uit over de straat. Aan de andere kant van de regenboog ligt sprookjesland: Nanjiecun.

Eenmaal onder de regenboog door is het stof verdwenen van de straten. We benaderen een groot plein van waarop Mao Zedong ons met opgestrekte arm en tevreden glimlach welkom heet. Aan zijn voeten staan twee vrouwen in groen uniform. Ze houden de wacht. In de vier hoeken van het plein staan de portretten van de vier inspiratiebronnen van het communisme in China: Marx, Engels, Lenin en Stalin. Boven de foto’s hangen boxen waaruit oude communistische liederen schallen. Het plein is kraaknet en verlaten.

Het stratenplan van Nanjiecun is weinig inspirerend. Bochten zijn er niet. De kans dat je verloren loopt in dit dorp is onbestaand. Net zomin als de kans dat je ongezien blijft. Het is het werk van communistische architecten. Ook zij wisten dat goede ideeën ontstaan in groezelige achterwijken. Dat revoluties ontstaan in vuile steegjes. Nanjiecun is een van de rustigste, properste plaatsen die ik ooit gezien heb.

De brede straten liggen loodrecht op elkaar. De rechthoekige vakken ertussen worden opgevuld door stille parken, grijze fabrieken, grijze scholen en grijze woonkazernes. In Zhengzhou hadden we de rode borden van KFC en McDonald’s om de grijsheid te breken; in Nanjiecun zijn er de omnipresente rode slogans. “Mao Zedong is geen God, maar zijn gedachten hebben wel vormgegeven aan iets goddelijks.” De spreuk neemt een hele muur in beslag van de lobby van het hotel van Nanjiecun.

Wandelend door de straten van het dorp wordt het me voor het eerst in mijn leven voelbaar hoe het communisme functioneert. In de allereerste plaats legt het beslag op je lichaam. Je wordt overal gezien, je draagt dezelfde kledij, je woont in dezelfde huizen. Je bent niet langer van jezelf, maar van Nanjiecun, van het communisme, en van Wang Hongbin, de leider van het dorp.

Zelf krijg ik hem niet te zien (enkel journalisten kunnen met hem in contact komen en ik kan me, zonder perskaart en persvisum, niet uitgeven voor journalist, want  het is illegaal in China aan journalistiek te doen zonder de juiste documenten), maar in een film in een zaaltje dat speciaal gebouwd werd voor toeristen geeft Wang uitleg over de geschiedenis van het dorp en over zijn beleid. Als jonge man al leek hij gezegend met een talent voor business en leiderschap. Op zijn 15de begon hij, zoals elke Chinese jonge man, te werken op de velden. Na twee succesvolle oogsten schopte hij het tot teamleider. Hij werd de baas van zijn moeder en zus die hij naar verluidt op zijn allereerste werkdag strafte omdat ze te laat waren. Op zijn negentiende overtuigde hij zijn dorpsgenoten samen te leggen voor een meelfabriek. Tot vandaag zijn de instant noodles van Nanjiecun over heel China bekend.

                Er kwam meer geld binnen, en dus begonnen de mensen betere huizen te bouwen. Wang keek en zag dat men bij de buren bakstenen ging kopen. En dus besloot hij een eigen baksteenfabriek te openen. Opnieuw legden de dorpsgenoten samen. De bakstenen leverden geld op, maar ook vuil en stof. Er gebeurden ongelukken in de fabriek, en dus bouwde Wang een sociaal vangnet op.

                De jaren gingen voorbij en Mao stierf. Deng Xiaoping zette de poorten open die uitgaven op de wereld en een frisse wind waaide over China. “Rijk worden is een deugd,” zei Deng Xiaoping, en China maakte van het communisme een “socialisme met Chinese kenmerken”. Heel China? Nee, één dorpje bleef moedig weerstand bieden. Wang Hongbin bleek even koppig als de onoverwinnelijke Galliërs. Hij verzette zich tegen de standpunten van de Partij, en werd vervolgens genegeerd door de Partij. Zijn ideaal bleef “lage lonen, hoge welfare”.

                En opnieuw gingen de jaren voorbij. En terwijl het kapitalisme zichzelf langzaamaan een fijn nestje bouwde in China, bleven de enkele duizenden inwoners van Nanjiecun het hardcore maoïsme trouw. Elke dag wordt iedereen wakker om zes uur, iedereen in eenzelfde bed, in eenzelfde kamer met dezelfde meubels. Elke dag wandelt iedereen naar de fabriek, eet men in de kantine van het werk en keert men weer naar huis. Elke week vergadert men over de stand van zaken in het dorp en doet men aan zelfkritiek. En elke maand krijgt iedereen zijn loon van 350 yuan, zo’n 40 euro[1].

                Het klinkt ongeloofwaardig allemaal. En het is ook niet waar. Het hele verhaal van Nanjiecun vertoont enkele barsten.

Nanjiecun: de barsten                                                

De eerste barst: de schulden van het dorp. In 2008 schatte een onderzoeksjournalist van Southern Metropolis, een van China’s meest gerespecteerde kranten, de schulden van Nanjiecun op zo’n 250 miljoen dollar. Agricultural Bank of China, meteen ook de enige bank aanwezig in het dorp, zou de schulden ingelossen.

De tweede barst: niet enkel mensen van Nanjiecun zelf houden de fabrieken draaiende. De meerderheid van de werkernemers is migrantenarbeider. Deze arbeiders krijgen weliswaar een hoger loon, maar ze genieten niet van dezelfde rechten als de inwoners van Nanjiecun, zoals gratis eten, gratis zorg en gratis woning.

De derde barst: de inwoners van Nanjiecun klussen zelf bij buiten het dorp. En omdat er, op het zingen van een mao-lied na, een duik in het publieke zwembad of een trainingssessie op de ijzeren fitnesstoestellen in openlucht, geen mogelijkheid is je even te ontspannen, trekken de inwoners van Nanjiecun geregeld naar het aanpalende straatje net buiten het dorp, waar ze naar hartenlust kunnen eten, drinken en shoppen. Op die manier zijn ze toch even weg uit die dorre, dode plek.

Buiten het dorp

Het straatje, dat zich uitstrekt achter de west-poort, is vuiler en smaller dan de brede lanen van Nanjiecun. Hier wordt er weer geroepen, er wordt weer gespuwd, geplast, gezongen en gevloekt. Het China van de reclameborden, de ijsjes, de Coca-Cola en de kleine restaurantjes is terug.

Nadat hij me een van zijn honderdjarige eieren heeft doen proeven, zegt Ba Long dat hij het winkeltje van zijn moeder openhoudt. Ja, ze wonen in Nanjiecun, “daar zo, in een van die woonblokken. Mocht mijn moeder hier nu zijn, ik zou je ons huis kunnen laten zien. Het is een mooi huis. We krijgen het gratis van Nanjiecun en het is erg comfortabel.” Ik pols hem naar het winkeltje van zijn moeder: is dat wel OK? “Eigenlijk mag je geen eigen geld verdienen,” zegt hij, “maar dit is buiten het dorp. Iedereen doet het. Kijk, mijn tante heeft hiernaast een eettentje.” We gaan langs bij de tante. Ze rolt sushi en stelt giftig ogende drankjes samen met kleurstof, suiker en ijsblokjes.

Ik vraag de tante hoe het is om in Nanjiecun te wonen. Ze antwoordt: “Elke plek heeft zijn eigen goede en slechte eigenschappen, toch? Hier in Nanjiecun hebben de mensen niet veel geld, maar ze zijn wel gezond en ze krijgen goed onderwijs. Hier komen er ’s avonds veel jonge gasten een drankje drinken of wat sushi eten. Ze bespreken veel met mij, problemen in het dorp, en ik ga het dan doorgeven aan het bestuur. Soms wordt er wat aan gedaan, soms ook niet. Ik probeer de jonge mensen hier wat te helpen.” Ik vraag wat voor problemen er zoal zijn het dorp. Ze haalt haar schouders op: “Normale problemen.” Ze zwijgt even en vraagt: “Wat denk jij van Japan?”

          Wanneer ik mijn lichtgevende drankje op heb kom ik terecht op een groot plein vol tafeltjes. Er wordt druk gegeten en gedronken en wanneer ik tot mijn verbazing vaststel dat er ook Nanjiecunbier bestaat, met het embleem van de stad op het etiket afgedrukt, komt er een jongeman naar me toegelopen: “Kom mee drinken met ons! Kom hier zitten!”. Ik kom terecht in een groep jongemannen. Boerenzonen zijn het, stevige drinkers. Een van hen is politieagent in Nanjiecun. “Wat doe jij hier als agent?” “De orde handhaven.” “Is er dan criminaliteit in Nanjiecun?” “Nee.” “Wat doe je dan?” Hij haalt zijn schouders op: “Agent zijn.”           

Ik vraag aan mijn gezelschap wat ze vinden van Wang Hongbin, hun leider. “Een sterke man is het” of “een goede leider”. Hoe zien ze de toekomst in? Dat weten ze niet. De toekomst, dat kan niemand voorspellen. “Maar het zal altijd beter blijven gaan in China,” zegt een van hen, “proost!” Vinden ze 350 yuan per maand genoeg? “Dat is wat iedereen hier krijgt. Dat is niet goed en dat is niet slecht. Dat zijn de afspraken.”

Het verbaast me hoeveel jonge mensen je hier ziet, mensen van mijn leeftijd, midden de twintig. In China zal je in een gemiddeld dorp met 3000 inwoners maar weinig jonge mensen aantreffen. Jongeren beproeven hun geluk in de steden.

Toch, de jonge mensen van Nanjiecun lijken geen plannen te hebben om snel te vertrekken. “Wang Hongbin is gewoon fantastisch”, zegt Ba Long. En ook een meisje dat de vele toeristen gidst in Nanjiecun (het dorp is een waar bedevaartsoord geworden in de zogenaamde “rode reizen”, die de belangrijke communistische, maoïstische plekken van China aandoen) zegt dat ze haar dorp een uitstekende plek vindt. Ik vraag of ze wel mág emigreren. “Natuurlijk mag dat, maar waarom zou ik? Het is hier uitstekend om te wonen en te werken.”

Zou het waar zijn wat al deze mensen zeggen? Zouden ze Nanjiecun echt een goede plek vinden om te wonen? Zouden ze de buitenlander niet gewoon zeggen wat ze op voorhand hebben afgesproken wat ze zouden zeggen? Hoe denken zij over de toekomst? Hoe kan 350 yuan per maand nu volstaan? Dromen zij dan ook niet, zoals miljoenen landgenoten van hen, van de nieuwste iPhone? Wat gebeurt er op de dag waarop Wang Hongbin doodvalt? Waar halen zij, deze eenvoudige, aardige jongens en meisjes, hun idealen vandaan? Waarom vertrekken ze hier niet? Ik kan hen deze vragen nog niet stellen, want het is te vroeg. Ik zou er geen eerlijk antwoord op krijgen. Ik moet te vroeg weer weg uit Nanjiecun. Maar ik ben nieuwsgierig geworden. “Er is nog veel dat ik niet begrijp hier,” zeg ik tegen de jongens. “Volgende keer zullen we je alles vertellen,” beloven ze me.


[1] Het gemiddelde Chinese maandinkomen in 2011 lag rond de 3000 yuan (China Daily, 06/07/2012).

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!