Wetenschap en technologie: welzijn of welvaart? (2/3)

Wetenschap en technologie: welzijn of welvaart? (2/3)

dinsdag 11 december 2012 17:15

Geconfronteerd met grote maatschappelijke problemen, kijken politici richting wetenschap voor hulp. Technologische innovaties moeten ons planetair welzijn garanderen. Maar ziet het wetenschapsbedrijf haar taak ook zo?

Het onderzoeksproject Wijze Wetenschap waarschuwt: ‘De economische logica in ons huidige wetenschapsmodel is ijzersterk.’

Ons huidige wetenschapsmodel is reductionistisch. Om de werkelijkheid te bestuderen, deelt men haar op in afzonderlijke disciplines, waarbinnen men specialisten opleidt. Ook de economie, een sociale wetenschap, ontsnapt daar niet aan. De economie bestudeert slechts één aspect van realiteit, namelijk de manier waarop de mens met schaarse middelen handelt om zijn behoeften te bevredigen.

De economie streeft zowel naar descriptieve kennis – een methodische beschrijving van de feiten – als naar prescriptieve kennis – een beschrijving van methodes om de gewenste economische situatie te bekomen. In die zin heeft de economie een moreel karakter en is ze niet waardevrij.

De heersende economische theorieën reduceren de mens tot een individu met louter interesse in het eigen materiële belang. Voor de economie zijn burgers ofwel producenten ofwel consumenten. Dat mensen ook sociale wezens zijn en zinzoekers – dat blijft voor de economist buiten beeld. Ook de gangbare definitie van arbeid is bijzonder eng.

Alleen activiteiten die geld opleveren en dus bijdragen tot de productiviteit, tellen mee. Dat zorgt voor absurde beoordelingen. Waarom beschouwen wij kinderverzorgers (m/v) die op het einde van de maand een loon krijgen als arbeidskrachten maar huismoeders en oppasoma’s (m/v) als ‘onproductief’?

Alle parameters waarmee wij de economische realiteit beoordelen – BNP, groei, winst, productiviteit,… – zijn ooit door de economische theorie geformuleerd. Zo ‘onderzoekt’ de economische wetenschap dus een werkelijkheid die ze zelf heeft geconstrueerd. Voor economisten wordt maatschappelijk welzijn uitgedrukt in materiële welvaartscijfers.

Alternatieve indicatoren, zoals duurzaamheid of zorgzaamheid, erkent men niet. Bovendien kijkt men zelden buiten het eigen segment. Strategische managers in de vliegtuigbouw hoeven geen grondige kennis van het klimaat te hebben. Ze moeten focussen op wat goed is voor de vliegindustrie, zonder zich af te vragen wat goed is voor het ecologische evenwicht van de planeet.

Zelfversterkende feedback

Jammer genoeg is er meer aan de hand. De kapitalistische, reductionistische logica beperkt zich niet tot de economische wetenschapstak. Nee, ze zit ingebakken in het hele wetenschapsbedrijf. Dat creëert een zelfversterkende, vicieuze cirkel. Het loont de moeite die nader te bekijken.

Als een wetenschappelijke of technologische innovatie impact wil hebben op de maatschappij, dan telt niet alleen haar kwaliteit – gaat het om een baanbrekende mogelijkheid? -, maar ook haar kwantiteit – kan ze worden toegepast op voldoende grote schaal? Zo was de auto van meet af aan een geweldige innovatie. Maar pas toen auto’s betaalbaar werden voor de middenklasse, zorgde de nieuwe mobiliteit voor maatschappelijke verschuivingen.

Om de gewenste schaalgrootte te bereiken, heeft de innovatiesector kapitaal nodig. Al in de middeleeuwen ontwikkelden bankiers daarvoor een aangepast financieel systeem: het ‘fractional reserve banking’ (FRB). Bij FRB lenen de banken het ruilmiddel dat hen is toevertrouwd (bv. goud of spaargeld) meerdere keren uit, waardoor ze meer interesten kunnen innen. In de vorm van leningen en schulden doet een bank geld virtueel groeien.

Zolang spaarders en beleggers niet allemaal tegelijk hun eigendom terugeisen, lopen banken weinig risico’s. Ze schuiven het risico juist door naar de ondernemer die een lening aangaat. Hij of zij moet zorgen dat de investering voor een voldoende grote productiviteitsverhoging zorgt om met de winst de bankschuld plus interest te kunnen terugbetalen.

Technologische innovatie en de FRB-economie zijn innig met elkaar verstrengeld. Enerzijds zorgt de FRB-economie voor de broodnodige kapitaalinjecties in de grote wetenschapsinstellingen en innovatiecentra. Anderzijds houden zij de FRB-economie in stand. Om winst te maken en investeringen te kunnen terugbetalen, moeten bedrijven hun productiviteit immers stelselmatig opdrijven. En hoe kan dat anders dan door technologische innovatie?

Kennis als koopwaar

In onze wereld vandaag is gespecialiseerde kennis een product waartoe burgers alleen tegen betaling toegang hebben. Kennis is een vermarktbare grondstof. Wie over spitstechnologie beschikt, heeft een concurrentieel voordeel. Vlaanderen en Europa profileren zich uitdrukkelijk als ‘kenniseconomieën’: wetenschap en innovatie vormen de motor achter onze materiële welvaart. En omdat die ons dierbaar is, zorgen meerdere mechanismen dat dit zo blijft.

In de financierings- en ratingsmechanismen voor universiteiten weegt hooggespecialiseerd (fundamenteel) en vermarktbaar (toegepast) onderzoek veel zwaarder door dan maatschappelijke dienstbaarheid. Met andere woorden: wil een kennisinstelling voldoende publieke middelen krijgen en haar internationale aanzien behouden, dan volhardt ze best in de reductionistische logica.

Ook de benoemingsprocedures voor onderzoekers houden meer rekening met publicatielijsten en commercialiseerbare kennis dan met maatschappelijke dienstverlening. Op verschillende niveaus stoot idealisme op een kapitalistische muur. Sommige onderzoekers moeten vaststellen dat hun innovatieve, duurzame producten geen producent vinden. Bedrijven werken immers in een economisch concurrentiële context en denken eerder in winstcijfers op korte termijn dan in termen van duurzaamheid.

Een toenemend aantal privébedrijven heeft duurzaam of ‘maatschappelijk verantwoord’ ondernemen weliswaar opgenomen in hun missie. Maar zolang hun belangrijkste oogmerk een winstverhoging voor de aandeelhouders blijft, zitten ze vast in het kapitalistische groeikader.

In een kenniseconomie moeten onderzoeksinstellingen kennis produceren om inkomsten te genereren en niet in de eerste plaats om tegemoet te komen aan reële maatschappelijke noden. De mensen binnen de geïnstitutionaliseerde wetenschap en technologie willen en kunnen meestal wel bijdragen tot het vinden van oplossingen voor grote maatschappelijke problemen. Helaas laten de gehanteerde beoordelingscriteria – hyperspecialisatie en vermarktbaarheid van kennis – hen  daarvoor te weinig ruimte.

Hoopvolle tekens

Binnen de reductionistische FRB-economie zijn wetenschap en technologie de motor van onze maatschappelijke welvaart. Dat betekent dat ons huidige economische systeem amper manoeuvreerruimte laat voor duurzame initiatieven. Want zolang we arbeid uitsluitend begrijpen als werk dat wordt verloond; zolang we solidariteitsbijdragen beperken tot belastingen geïnd op arbeid en zolang we elke stagnatie of daling van onze materiële koopkracht begroeten als een inbreuk op ons welzijn – tja, zolang zal elk duurzaam ‘de-growth’ scenario, elke poging om uit milieuoverwegingen minder te produceren en te consumeren, negatief worden beoordeeld. Volgens de FRB-logica leidt de-growth immers lijnrecht tot werkloosheid, een krimpende sociale zekerheid en dalend welzijn.

Toch zijn er hoopvolle tekens. De FRB-economie heeft weliswaar fervente voorstanders – denk aan de lobbyisten van sommige grote bedrijven die de transitie naar een duurzaam wetenschaps- en innovatiemodel trachten tegen te houden of aan de wetenschappers die zich door de industrie laten betalen om tegenbewijzen voor de klimaatsverandering te leveren. Maar tegelijkertijd gaan er meer en meer tegenstemmen op.

Binnen de sociale, solidaire economie worden alternatieve economische waardemeters ontwikkeld. Een brede, genderneutrale definitie van arbeid valoriseert werk dat bijdraagt tot zorg, solidariteit en gemeenschappelijke belangen evenzeer als werk dat bijdraagt tot productiviteit en concurrentiekracht. In een holistisch mens- en wereldbeeld wordt maatschappelijk welzijn niet langer gelijkgesteld aan de gemiddelde koopkracht van burgers, maar houdt men ook rekening met ecologische en gezondheidscriteria – zelfs van toekomstige generaties – of met sociale inclusie.

De transitie van een kapitalistische naar een meer solidaire economie zal niet vanzelf gaan, maar ze is een voorwaarde om een transitie naar een duurzaam wetenschapsmodel mogelijk te maken. Hoe kunnen we immers verwachten dat grote wetenschapsinstellingen en innovatiecentra een prioriteit maken van acute maatschappelijke vraagstukken, wanneer hun hele financierings- en beoordelingsmodel stoelt op kapitalistische criteria?

Duurzaam vs. duurzaam

Een analyse van de structurering van het onderzoekslandschap leert dat men op het Vlaamse en Europese beleidsniveau nog altijd streeft naar een ‘en-en’ scenario. Europa 2020, de lange termijn groeistrategie van de EU wil een duurzame, inclusieve… en tegelijkertijd winstgevende economie. Zo is het doel van de Europese Innovatiepartnerschappen dubbel: enerzijds moet hun bundeling van middelen, inspanningen en deskundigheid zorgen voor innovaties die antwoorden op grote maatschappelijke uitdagingen, anderzijds moeten ze een concurrentievoordeel garanderen op belangrijke markten.

Eenzelfde tweeslachtigheid spreekt uit Vlaanderen in Actie, het legislatuuroverschrijdend toekomstprogramma van de Vlaamse Regering. Ook daar blijft de klemtoon liggen op economische groei en concurrentiekracht. Antwoorden op maatschappelijke uitdagingen zijn vooral interessant wanneer ze aanleiding geven tot het vermarkten van nieuwe, ‘groene’ producten (bv. cleantech, proeftuin elektrische voertuigen…).

Een beleid dat miskent dat economische groei en de overleving van de menselijke soort zijn ingebed in de biosfeer, maakt een kapitale vergissing. Het sticht verwarring door de term ‘duurzaam’ een dubbele lading te geven. Binnen het economische beleidsdomein betekent duurzaamheid de instandhouding van het huidige, kapitalistische groeimodel.

Binnen een ecologisch en sociaal beleid betekent duurzaamheid precies het tegenovergestelde, namelijk de-growth of de afbouw van een model, dat steeds duidelijker de draagkracht van de planeet overschrijdt. Die tegenstrijdigheid maakt streven naar een ‘en-en’ scenario hopeloos. Wat op lange termijn goed is voor de planeet, is op korte termijn nu eenmaal niet goed voor een kapitalistische economie.

De hamvraag is of politici in Vlaanderen, Europa en de wereld klaar zijn voor een fundamentele keuze. Durft men van planetair welzijn de ultieme prioriteit maken? Zijn de geesten rijp om het halfslachtige ideaal van de ‘groene economie’ – waarbij men economische groei tracht te realiseren met minder schade voor de planeet – in te ruilen voor het meer radicale ideaal van de ‘ecologische economie’ – een diepgaande economische herstructurering vanuit het bewustzijn dat het individu en de samenleving afhankelijk zijn van natuurlijke grondstoffen en energiebronnen?

Dubbele transitie

De betrokkenen bij het onderzoeksproject Wijze Wetenschap betreuren dat er tussen de verschillende politieke beleidsdomeinen eenzelfde verkokering bestaat als tussen de verschillende wetenschapsdisciplines. Zolang Leefmilieu een afzonderlijk beleidsdomein blijft – naast Economie, Wetenschap en Innovatie of Werk en Sociale Economie -, zullen politici met tegengestelde doelstellingen blijven sleutelen aan onmogelijke ‘en-en’-scenario’s.

Terwijl de gevolgen van de klimaatsverandering en toenemende vergrijzing ons elke dag duidelijk maken dat het tijd wordt om te kiezen. De lange termijn bekommernis voor het planetair welzijn zou het fundament moeten zijn onder een domeinoverkoepelend beleid.

Een holistisch mens- en wereldbeeld, dat oog heeft voor de materiële, de sociale en de immateriële noden van mensen en voor de menselijke afhankelijkheid van en verantwoordelijkheid voor de natuurlijke hulpbronnen, kan helpen om die keuze te maken.

De huidige, reductionistische wetenschapscultuur is zodanig verweven met een kapitalistisch groeimodel, dat we alleen vooruit kunnen door beide tegelijkertijd in vraag te stellen. Een beleid dat de transitie wil begeleiden van de bestaande innovatie en onderzoekscultuur naar een werkelijk duurzaam, veerkrachtig model, kan niet anders dan meteen ook te werken aan de transitie naar een solidaire en ecologische economie.

Het derde en laatste artikel in deze reeks zal bekijken over welke hefbomen het Vlaamse innovatiebeleid beschikt om deze dubbele transitie te begeleiden.

Barbara De Munnynck

Dit artikel is het tweede in een driedelige reeks en steunt op de onderzoeksresultaten van het project Wijze Wetenschap, uitgevoerd door FLORA vzw in opdracht van het Instituut Samenleving en Technologie. Integrale tekst is verkrijgbaar marian.deblonde@vlaamsparlement.be.

Het eerste deel van deze blog vind je via deze weblink of door te klikken bovenaan rechts naast deze blog.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!