Essentialisme in het islamdebat

Essentialisme in het islamdebat

dinsdag 24 januari 2012 17:45

Jonathan Sadaune

Het islamdebat in België is verworden tot een notoire loopgravenoorlog. Islamcritici beweren dat de islam in essentie een versteende godsdienst is, die onmogelijk kan passen in onze samenleving, terwijl multiculturalisten van mening zijn dat men niet zomaar kan spreken over een essentie van de islam, dat dé islam niet bestaat. Aldus lijken eeuwenoude filosofische discussies over essentie en existentie een rol te spelen in het debat. Jonathan Sadaune legt uit waarom hij dat onterecht vindt.

Er zijn van die debatten waarin opponenten geen oor meer hebben voor elkaars argumenten, langs elkaar heen praten en hun boodschap steevast verpakken in scheldproza. Het islamdebat in België biedt daarvan zeer treffende illustraties. Zo noemt Jan Blommaert Etienne Vermeersch ‘een idioot’, zegt Herman De Ley dat Benno Barnard en Geert Van Istendael beter ‘aan hun cafétoog’ waren blijven hangen, verwijt Mia Doornaert De Ley vervolgens ‘stalinistische truken van de foor’ te gebruiken en beschimpt Wim van Rooy Rik Pinxten wanneer hij het heeft over ‘doordravende antropologie met goedbedoeld geklets en eerlijk gemeende Bond-zonder Naam-wijsheid’. En dan hebben we het nog niet gehad over de bedreigingen en oeverloze donderpreken van Wim van Rooys persoonlijke Thomas Huxley (‘Darwin’s bulldog’), zijn zoon Sam. In die zin heeft Blommaert gelijk wanneer hij beweert dat islam in België al jaren een voorwerp van entertainment is geworden.

Aanvankelijk dacht ik dat de ‘apocalyptische scheiding der geesten’ in dit debat te wijten was aan een gebrek aan filosofische diepgang. Niemand zette het filosofisch kader uiteen waarin zijn analyse gefundeerd was. Het werd als evident geponeerd en vervolgens was men erdoor verwonderd dat mensen er anders over konden denken. Ik dacht dat een open discussie over cultureel essentialisme een verademing zou betekenen in het islamdebat. Maar nu ben ik een totaal andere mening toegedaan. Het gaat in het islamdebat niet over het (niet-)bestaan van dé islam, noch over de vraag of de islam al dan niet een essentie heeft. In deze tekst zal ik proberen te verduidelijken waarom ik tot dit standpunt gekomen ben.

Eerst zal ik echter de voor deze tekst relevante standpunten van multiculturalisten en islamcritici beknopt schetsen. Wat betreft de islamcritici, zal ik vooral focussen op de opvattingen van Wim van Rooy1. Daarna zal ik dieper ingaan op zijn essentialisme. Ik zal betogen dat 1) in het islamdebat bestaanskwesties en discussies over het bestaan van essenties naast de kwestie zijn, 2) er problemen zijn met van Rooys verdediging van het essentialisme, 3) zelfs al zouden essenties bestaan, dit nog altijd niet zijn gehele discours rechtvaardigt en 4) hij op één punt intellectueel oneerlijk is. Ten slotte zal ik het hebben over de houding waarmee het debat verder gevoerd zou moeten worden.
Multiculturalisten en islamcritici

Multiculturalisten beweren dat de theorie van de botsing der beschavingen van Huntington na 9/11 meer en meer de bril geworden is waardoorheen naar de islam gekeken wordt. Daardoor maken velen volgens hen de fout om maatschappelijke problemen enkel culturalistisch te benaderen, en geen oog te hebben voor socio-economische of politieke factoren. Er zijn uiteraard problemen waarbij moslims betrokken zijn, maar het is te kort door de bocht al deze problemen aan het oorlogszuchtige karakter van de Koran te wijten. In die context stellen ze dat ‘[d]e precaire socio-economische status van minderheden een veel betere graadmeter [is] voor het voorspellen van criminaliteit dan cultuur’2. De meeste problemen zijn er door de structuur van onze samenleving, die moet veranderen opdat de situatie voor leden van minderheden niet langer uitzichtloos zal zijn. Belangrijk hierbij is dat men oog heeft voor hun gevoeligheden (zoals de hoofddoek, gescheiden zwemuren…), hen niet te pas en te onpas schoffeert en hen als volwaardige burgers beschouwt. Wat multiculturalisten evenzeer stoort, is dat de islam steeds als een monolithisch blok wordt voorgesteld, terwijl er vandaag meer dan 1 miljard moslims zijn, verspreid over heel de wereld en de religieuze beleving van moslims in Marokko en Indonesië haast onvergelijkbaar is. Dan is het niet meer zinnig om over dé islam te spreken. Een oneliner die af en toe te horen valt, is dan ook: ‘De islam bestaat niet.’

Wim van Rooy, een islamcriticus, vertelt een ander verhaal. Hij stelt dat de talloze verwerpelijke praktijken die sinds 1400 jaar in moslimlanden plaatsvinden, te wijten zijn aan de islam, die hij ziet als een politieke ideologie waarin waarden centraal staan die onverzoenbaar zijn met verlichtingswaarden. Zijn redenering is als volgt. Uit het gehele corpus van teksten die belangrijk zijn voor de religieuze beleving van de moslim (de Koran, de Ahadith, de Sharia, de Soennah, de biografie van Mohammed en andere teksten), volgt logischerwijs een inhumane praktijk. De islam heeft geen seculariseringspotentieel, in tegenstelling tot andere monotheïsmen (de Bijbel en de Torah zijn door mensen geschreven en dus feilbaar, terwijl de Koran het eeuwige en onveranderlijke woord van Allah is). Er is geen manier om tot een verlichte islam te komen, want de islam is zodanig versteend dat ze niet kan veranderen. Van zodra een gelovige niet akkoord is met een bepaald punt uit de Koran, de Sharia of andere teksten die relevant zijn voor het geloof, is hij geen moslim. Daarom vormt de islam een reële bedreiging voor onze samenleving en ondermijnt elke toegeving aan de islam (hoofddoeken toelaten, gescheiden zwemuren…) de Westerse samenleving. Ook tegenover moslimintellectuelen die zich gematigd voordoen en de brug willen slaan tussen het Westen en de islamwereld (zoals Tariq Ramadan) moet men wantrouwig staan, omdat er in de islamitische cultuur zoiets bestaat als Taqiyya, een praktijk die moslims toelaat om te liegen over hun geloof tegenover anders- of ongelovigen.

Verder vindt Wim van Rooy dat de enorme diversiteit binnen de moslimwereld niet tegen het bestaan van een essentie van de islam pleit. Hoewel hij toegeeft dat er veel denominaties en obediënties (soennisme, sjiisme, ibadisme) zijn, vindt hij dat er wel degelijk een aanwijsbaar wezen van de islam is. Alle moslims gaan immers uit van dezelfde dogma’s. Geen enkele moslim zal bijvoorbeeld zeggen dat er een god bestaat boven Allah. Wie dat wel doet, is simpelweg geen moslim. Van Rooy verwijst vaak naar een briefwisseling3 tussen Leo Apostel en Rudolf Boehm, waarin ze kort discussiëren over het wezen van de wetenschap – het grootste deel van het twistgesprek gaat over andere onderwerpen met betrekking tot wetenschap. Apostel stelt zich daar niet-essentialistisch op, terwijl Boehm de stelling verdedigt dat de wetenschap wel degelijk een wezen heeft. Meer nog, de laatste beweert dat de wetenschap in wezen conservatief en reductionistisch is. Van Rooy interpreteert dit als een aanwijzing van het wezen van de wetenschap en zegt dat zo een aanwijzing ook voor de islam mogelijk is. Zo komt hij ertoe te stellen dat men fenomenologisch over dé islam zou kunnen spreken. Hij omarmt evenwel niet elke vorm van essentialisme: ‘Het is vanzelfsprekend dat een strikt en fundamentalistisch essentialisme ook niet vol te houden is: identiteiten en disciplines zijn via bepaalde processen altijd aan veranderingen onderhevig. Een essentie blijft echter behouden in zoverre de quintessentiële kern ervan bewaard blijft; verandert ook die in de loop van een lange duur, dan ontstaat er een kwalitatieve verandering waardoor het fenomeen (de identiteit, de wetenschappelijke discipline, het paradigma) van karakter verandert.’4
Een bijkomend argument dat hij gebruikt ter verdediging van zijn stelling is dat essentialisme noodzakelijk is opdat communicatie mogelijk zou zijn. ‘Indien men niet vertrekt vanuit deze stellingname is een helder gesprek ten enenmale onmogelijk omdat niemand dan nog zou weten waarover hij of zij het werkelijk heeft.’5

Essentie en existentie

Van Rooy heeft een punt wanneer hij stelt dat het niet onproblematisch is om boudweg te stellen dat iets niet bestaat. Je beweert immers altijd over iets dat het niet bestaat, dus lijkt het dat dit iets ook moet bestaan. Bestaan wordt als het ware altijd verondersteld wanneer men stelt dat iets niet bestaat. Met andere woorden: als iets niet zou bestaan, zou je er niets over kunnen zeggen, ook niet dat het niet bestaat. Deze redenering werd door Willard Van Orman Quine ‘Plato’s beard’6 genoemd. Wie zich met bestaanskwesties inlaat en dus ontologische claims maakt, moet op één of andere manier een oplossing zoeken voor dit probleem. In de geschiedenis van de filosofie zijn veel oplossingen gesuggereerd, waarop ik hier niet dieper inga, maar geen enkele oplossing werd unaniem aanvaard.

De vraag is echter of multiculturalisten het eigenlijk over bestaanskwesties hebben wanneer ze zeggen dat de islam niet bestaat. Ik denk het niet. Hun woordkeuze is ongelukkig en de uitspraak dekt haar lading niet. Het enige wat ze met die uitspraak (‘dé islam bestaat niet’) willen aangeven is dat het niet nuttig is om het te pas en te onpas over ‘dé islam’ te hebben. Dat een ongenuanceerd taalgebruik de sociale realiteit geweld aandoet. Het is niet omdat je wel degelijk in sommige gevallen over ‘dé islam’ kunt spreken dat je dat in elke context kunt doen. Een banaal voorbeeld: wanneer een moslimjongere een winkeldiefstal pleegt, hoeft dit niets met (een wezenskenmerk van) de islam te maken hebben, maar kan dit even goed, zelfs waarschijnlijker, andere oorzaken hebben. Multiculturalisten hebben het dus niet over bestaan, niet-bestaan of essenties. Ze hebben het over de nuttigheid en reikwijdte van een bepaald concept en over genuanceerd taalgebruik. Net daarom lijkt het me onzinnig om eeuwenoude filosofische discussies over ‘bestaan’ en ‘essenties’ binnen te smokkelen in dit maatschappelijke debat.

Merk overigens op dat van Rooys argumenten voor het bestaan van wezenskenmerken enkel betrekking hebben op taal en communicatie. Hij heeft gelijk wanneer hij zegt dat je over dé islam kunt spreken, maar dat is ten eerste niet in alle contexten nuttig en daaruit volgt ten tweede niet dat datgene waarover we menen te praten een essentie heeft. Dit laatste standpunt hangt hij aan omdat hij een essentialistische visie op communicatie heeft (nl. dat het bestaan van essenties noodzakelijk is opdat communicatie mogelijk zou zijn).

Er zijn nochtans niet-essentialistische visies op communicatie. In ‘Menselijke kennis’ (een boek dat van Rooy trouwens gelezen heeft) definieert Diderik Batens communicatie bijvoorbeeld niet-essentialistisch en zegt hij daarenboven: ‘Communicatie zou veel eenvoudiger kunnen worden bepaald, indien alle mensen, of alle leden van bepaalde groepen, dezelfde termen zouden hanteren en er dezelfde betekenissen aan zouden toekennen. In dat geval zou bovendien de communicatie steeds perfect verlopen. Maar de wereld zit nu eenmaal anders in mekaar.’7 Kortom, zelfs al zouden essenties bestaan, dan nog zouden mensen nooit zeker weten of ze het over hetzelfde hebben. Er is dus geen logisch noodzakelijke link tussen communicatie en het bestaan van essenties. Wanneer van Rooy zijn argument hard wil maken, zal hij minstens moeten aangeven waarom zijn invulling van communicatie te prefereren valt boven die van anderen, zoals Batens.

Bovendien zou de essentie van de islam, als die zou bestaan, zeer beperkt kunnen zijn. De dogma’s die alle moslims aanvaarden vormen geen lange lijst en niet alle moslims (zeker niet de West-Europese) zijn voorstander van een strikte toepassing van de Sharia of tegenstander van verlichtingswaarden. Als een inhumane praktijk en waarden die haaks staan op die van de verlichting de essentie uitmaken van de islam, dan zou België behoorlijk weinig moslims tellen. En als België amper moslims telt, hoe kan er dan een probleem zijn met de islam?

Een volgend bezwaar tegen van Rooys analyse is de stelling dat de essentie van de islam aanwijsbaar is. Hij meent dit te concluderen omdat, volgens zijn lezing van de vermelde briefwisseling tussen Apostel en Boehm, Boehm dit kon doen voor de wetenschap. Maar van Rooys lezing van die briefwisseling is wel heel tendentieus. Hij gaat voorbij aan de argumentatie van Apostel, die aantoonde dat Boehms invulling van de wetenschap niet vol te houden is. Het is niet zo dat elke wetenschappelijke denkactiviteit reductionistisch is.8 Reductionisme is ook niet in alle gevallen nuttig. ‘Om een praktisch voorbeeld te noemen: wat helpt het een scheikundige te weten dat in beginsel alle scheikundige reakties vanuit de kwantummechanica kunnen begrepen worden, als hij tegelijk weet dat men slechts voor de allereenvoudigste atomen met zeer weinig elektronen rond de kern een hanteerbaar, niet te kompleks interactiemodel opstellen kan?’9 Een te reductionistisch beeld gaat inderdaad voorbij aan de interne dynamiek en specificiteit van elke wetenschappelijke discipline. Op dit punt hamert Jean Paul Van Bendegem in zijn essay ‘Hamlet en entropie’10. Bijgevolg is het heel twijfelachtig om ervan uit te gaan dat Boehm de essentie van de wetenschap aangewezen heeft. Het is dan evenmin evident dat dit voor de islam mogelijk is.

‘Der Mensch macht die Religion’ en het Taqiyya-argument

Kort samengevat komt het erop neer dat van Rooys verdediging van het essentialisme op cruciale punten mankementen vertoont. Maar op zich is dit niet zo belangrijk omdat, zoals ik al eerder aangaf, essentialistische discussies naast de kwestie zijn in het islamdebat. Belangrijker is de vraag of een geseculariseerde islam mogelijk is. Volgens mij, en hierin volg ik Ronald Commers en Etienne Vermeersch, is het antwoord op die vraag positief. Van Rooy ziet over het hoofd wat Feuerbach en Marx benadrukten en gebald weergegeven wordt in een citaat waarmee ook Commers zijn ‘Enkele bedenkingen bij de morele dimensies van het multiculturaliteits- en islamdebat’11 liet aanvangen: ‘Das Fundament der irreligiösen Kritik ist: Der Mensch macht die Religion, die Religion macht nicht den Menschen.’12 Als de meerderheid van de moslims in Europa de waarden van de democratische rechtsstaat al aanvaardt, wat zo is, waarom zou het dan onrealistisch zijn om te denken dat een moderne, verlichte islam in Europa mogelijk is?

Van Rooy zou echter het Taqiyya-argument aangrijpen om de intenties te betwijfelen van gematigde moslims. Zo zou je nooit weten of een moslim geen Taqiyya aan het plegen is, tenzij hij natuurlijk toegeeft voor de striktst mogelijke implementatie van de Sharia te zijn. Dit is een wel heel paranoïde houding. Van Rooy lijkt te twijfelen aan de integriteit van moslims, enkel omdat ze moslim zijn. Een in bepaalde denominaties en obediënties van de islam voorkomende gedragsregel die de gelovige toelaat om te liegen tegen anders- of ongelovigen (bijvoorbeeld bij marteling) wordt als centraal beschouwd voor de hele islam (terwijl het hoogst twijfelachtig is of Belgische moslims er kennis van hebben) en als dekmantel gebruikt om eender welke gematigde moslim als een huichelaar, een wolf in schapenvacht te kunnen voorstellen. Dit sluit elke vorm van dialoog bij voorbaat uit. Wat moslims ook aanvoeren in discussies om zich vrij te pleiten van fundamentalistische sympathieën, ze zullen altijd gewantrouwd blijven door van Rooy, tenzij ze van hun geloof vallen (en dan nog). Zo een houding is een schoolvoorbeeld van intellectuele oneerlijkheid.

Constructie en kritiek

Een vraag die steeds overblijft na het lezen van een zoveelste opinie over het islamdebat, is: hoe moet het nu verder? Op zich heb ik er geen problemen mee dat er kritiek gegeven wordt op fundamentalistische invullingen van de islam. Ook moreel onaanvaardbare praktijken in moslimlanden moeten aan de kaak gesteld worden, alsook problemen binnen de moslimgemeenschappen in Europa, zoals het machismo onder jongeren en hun weigerachtigheid tegenover onderwijs over de evolutietheorie en de Holocaust. Maar we mogen niet uit het oog verliezen dat je met een louter kritische houding tegenover hun religie geen maatschappelijke problemen oplost, als daar geen constructieve houding aan gekoppeld is. Dit was ook het standpunt van Leo Apostel in de discussie met Rudolf Boehm, maar dan met betrekking tot de wetenschap in plaats van de islam. De stem in het islamdebat in België waarachter ik me dan ook volmondig kan scharen is die van Patrick Loobuyck. Hij geeft enerzijds toe dat fundamentalisten in sommige gevallen niet heel creatief hoeven te zijn in hun interpretatie van religieuze teksten om hun inhumane praktijken te rechtvaardigen, maar benadrukt anderzijds dat een louter vijandige benadering van de islam en moslims niet verkiesbaar is. Of zoals hij het zelf stelde: ‘De islam zal hoe dan ook deel blijven uitmaken van onze samenleving. We moeten daarom zoeken hoe we bruggen kunnen bouwen. In plaats van alle moslims over één stigmatiserende kam te scheren, moeten we zorgvuldig onze gesprekspartners kiezen binnen de moslimgemeenschap en samen aan de slag gaan. Nee, de gevaarlijke tendensen in de islam mogen niet doodgezwegen worden. Maar tegelijk moet het ideologische misbruik van de islam om een antiwesterse, terroristische strijd te voeren ontmaskerd worden. We moeten blijven strijden voor de verlichtingswaarden en dit op een niet aflatende manier. Maar dit is niet (alleen) een strijd tegen de islam. We moeten ook zoeken hoe we die strijd kunnen voeren met de islam. Dat lijkt me de progressieve inzet.’13

Eindnoten

1 Wim van Rooy is de auteur van o.a. De malaise van de multiculturaliteit (Acco, 2008).
2 Nadia Fadil, Sarah Bracke, Pascal Debruyne, Ico Maly, ‘De apocalyps volgens Luckas,’ De Standaard, 15 Februari, 2010.
3 Leo Apostel en Rudolf Boehm, ‘Naar wetenschap voor mensen, konstructie of kritiek?,’ Kritiek, nr. 3 (mei 1982): 64-100.
4 Wim van Rooy, ‘Is het multiculturele ideaal in een diepe crisis terechtgekomen?,’ Gierik, nr. 86 (lente 2005): 7-58, 18. < http://www.gierik-nvt.be/Nr86/gierik86.pdf>
5 Ibid.
6 ‘On what there is,’ Logico-Metaphysical analysis (1953): 378-390, 378. < http://en.wikisource.org/wiki/On_What_There_Is>
7 Diderik Batens, Menselijke kennis. Pleidooi voor een bruikbare rationaliteit (Garant, 2008), 180.
8 Leo Apostel, ‘Naar wetenschap voor mensen, konstructie of kritiek?,’ 95.
9 Ibid., 96.
10 Hamlet en entropie: de twee culturen een halve eeuw later. Een pamflettair essay (Vubpress, 2009).
11 <http://www.cevi-globalethics.ugent.be/index.php?id=61&type=file>
12 Karl Marx, ‘Zur Kritik der Hegelschen Rechtsphilosophie,’ in Marx-Engels Werke, BD 1, 378. <http://www.mlwerke.de/me/me01/me01_378.htm>
13 ‘Hoe progressief is islambashen?,’ Knack, 18 maart, 2009. <http://www.liberales.be/essays/loob>

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!