about
Toon menu

De holocaust: de morele lafheid van de verdringing

Maarten Boudry lijkt het concept van de verdringing in de psychoanalyse te bekritiseren als een of andere verborgen esoterische kennis dat ons het finale sacrale antwoord zou kunnen geven tegen de saaie grijsheid van alledag. In dit artikel beargumenteer ik dat de psychoanalyse exact het omgekeerde is. Het laatste wat men in ‘ontoegankelijke kennis’ kan vinden, is dat de ultieme oorzaak van diens eigen of maatschappelijke preoccupatie erover, er niet in vervat zit. Maarten Boudry slaagt er niet in dit in te zien.
maandag 6 november 2017
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

Verdringing, anale fixatie, penisnijd, allemaal onzin van Freud,” zo beweert Maarten Boudry in een interview in De Morgen (19/10), waarin hij Freuds meest recent verschenen biografie de nagel op ‘s mans doodkist noemt. Hij heeft gelijk dat de vleselijkheid van deze woorden tot ongemakkelijkheid stemt en gegniffel veroorzaakt. Alsof er een diepere esoterische waarheid verstopt zou zitten onder de oppervlakte van ons normale denken. 

Moest dit de psychoanalyse zijn, heeft Boudry alle redenen voor kritiek. Dit idee is inderdaad een tendens die binnen de geschiedenis van de psychoanalyse niet onbekend is (dit was meteen ook de reden waarom Freud definitief brak met Jung, die met zijn mythische theorie van het onbewuste een premoderne esoterische substantie maakte). Toch is psychoanalyse net exact het tegengestelde, en net daarom is psychoanalyse het vechten waard.

Er moet een cruciaal onderscheid gemaakt worden tussen het verdrongene als een inhoudelijke kennis (de empirische kenmerken van een echt meegemaakte traumatische gebeurtenis, enzovoort) en het verdrongene als iets dat, doordat het niet gezegd, benoemd of gezien wordt, of doordat het ontoegankelijk is, net zijn interpersoonlijke kracht krijgt die aan jezelf voorbij lijkt te gaan. Het onbewuste is niet iets wat in het diepst van je gedachten zit, maar iets wat aan de oppervlakte en op interpersoonlijk niveau speelt. Ik zal dit hier proberen te verduidelijken.

In de common sense zou het verdrongene een bepaalde verdrongen mythische kennis zijn, een wijsheid waar we geen toegang toe hebben. Dit is wat ook Boudry lijkt te suggereren wanneer hij het over de psychoanalytische verdringing heeft. De inhoud van de documenten van Freud in Washington, blijkbaar tot 2050 verzegeld, waar Boudry naar verwijst, zouden we in dit laatje kunnen plaatsen. Maar draait het werkelijk slechts over de inhoud van deze verstopte of veronderstelde kennis? Die is bijna steeds teleurstellend, en eigenlijk ook niet zo onbewust of ongekend, het gaat hier dus eerder over ‘doen alsof je het niet ziet’. Neen, het draait wel om de aantrekkende werking van deze documenten voor ons, onverschillig van het feit of er nu iets wezenlijk in staat of niet. Hierbij komt de vraag op waarom deze kennis ons sacraal overkomt, door zijn inhoud of omdat het ontoegankelijk is? 

Als het niet om de inhoud draait, gaat het dus slechts over de werking van deze inhoud. Enkel omdat het ‘geheim’ afwezig is in de grijze zichtbare wereld, lijkt dat wat verstopt zit, de sacrale kleur van de oplossing te krijgen. De zoektocht naar ‘het geheim’ -of omgekeerd ‘doen alsof het niet bestaat’, maakt het idee dat hier een grotere wijsheid te vinden is. In een analyse ga je doorheen deze zoektocht om te beseffen dat het ultieme wat je zocht vleesloos was. Het laatste wat men vindt, is namelijk de eigen fascinatie ervan zélf. De verdringing is dan de verdringing van het feit dat het “geheim” ook hierachter niet te vinden valt. Maar voor zover we hier niet aankomen, voor zover we hiervan onze blik afwenden, wordt dit voor ons niet duidelijk. Zo blijft de olifant in de kamer onbenoemd en dus bestaande. De verdringing bestendigt zo de veiligheid van mijn sociale identiteit, zodat de inconsistenties waarop het steunt, niet worden gezien. Als ik mijn blik hier niet naartoe wil wenden, is dit niet uit schrik om geconfronteerd te worden met het feit dat hier iets mythisch te vinden valt. Het is uiteindelijk de schrik dat hier misschien wel niets te vinden valt. Hierdoor verliest wat ik doe of wat de samenleving waarin ik besta doet, zijn consistentie. Exact op dit punt, is er vrijheid te vinden. En dat is belangrijk. In een psychoanalyse moet je deze zoektocht aangaan, om te botsen op de inhoud van wat je zoekt, die iets mist, namelijk de afwezige oorzaak van je sociale bedrijvigheid zelf.

In een interview over het jihadisme en het nazisme, stelde de journalist Boudry de vraag of de nazi’s filmpjes op YouTube gezet zouden hebben, mocht dat toen al bestaan hebben. Zijn antwoord was: “Ik ben bijna zeker van niet. En dat verschil (met het jihadisme) moeten we onder ogen zien.” Duitse burgers getuigden er inderdaad over dat iedereen wist dat er massaal joden werden uitgeroeid in concentratiekampen maar er werd niet over gesproken. Hij heeft gelijk om te zeggen dat het min of meer verstoppen van deze gruwel een fundamenteel kenmerk van de nazi’s was. Toch gaat hij als academicus compleet de mist in wat betreft het onderschikken van de horror van Nazi-Duitsland in vergelijking met het jihadisme omdat het ‘doen alsof het niet bestaat’ zou getuigen van een hoger moreel-wetenschappelijk bewustzijn. Ik zet hier een aantal problematische passages op een rij:

“De nazi’s zagen een tuin met onkruid dat gewied moest worden. En ze zochten naar de beste manieren om dat efficiënt te kunnen doen.”[1] “Als er een religieuze factor mee gemoeid is, en die sacrale absolute elementen waar ik het daarnet over had spelen mee, dan zijn conflicten vaak nog gruwelijker en sadistischer. Studies wijzen dat uit. En dat is in zekere zin nog gevaarlijker dan de tuiniers houding van de nazi’s.”[2]

Over de experimenten op de lichamen van de gevangenen: “Die hadden voor de nazi’s een wetenschappelijk oogmerk. Ze wilden bijvoorbeeld weten hoe je het best omging met onderkoeling of met syfilis of andere ziekten. En proefkonijnen waren snel gevonden, het ging namelijk volgens hen om mensonwaardige levens. Ze hebben inderdaad veel mensen letsels toegebracht, ziektes gegeven en noem maar op. Maar hun belangrijkste drijfveer was verwerven van wetenschappelijk kennis.”[3]

We kunnen ons afvragen in hoeverre het te wieden onkruid al dan niet ‘sacraal’ is. Er zijn geen empirisch-objectieve kenmerken om onkruid en kruid te onderscheiden. Zo is ook de jood voor de nazi’s niet slechts onkruid vanuit de “objectieve” empirische kenmerken van de jood. Integendeel, voor de nazi’s leek er iets meer verstopt te zitten in de jood, dan in joden “werkelijk” te vinden viel. Het was de almachtige figuur van de corrupte, opportunistische handel dat overal in de hoogste posten geïntegreerd was en tegelijk nergens te bespeuren viel, het natieloze ras dat andere rassen in wanorde brengt en stiekem de wereld domineert. Dit fantasmatische exces was noodzakelijk voor hun harmonieuze “beschaafde”, “wetenschappelijke” gemeenschap, als het exacte tegendeel ervan.

Want ze sloegen er niet in om de beschaafde orde te brengen in dat wat hun eigen ‘soevereiniteit’ steeds tegenwerkte. Deze excessen waren niet de joden.

Laten we hier even duidelijk zijn. Het verdrongene is niet het feit dat de burgers deden alsof ze niets wisten van de massale uitroeiingen van de Joden. Het doen alsof ze van niets wisten was vooral uit angst voor de confrontatie dat deze mythische Jood misschien niet zou bestaan. Dit is het verdrongene, dat deze mythische Jood niet bestaat, dat de eliminatie van de joden een maat voor niets zou zijn en slechts hun eigen noodzakelijke fantasie was van de interne abstracte kapitalistische excessen en tegenstellingen binnen hun eigen corporatistische orde.

De ‘terugkeer van het verdrongene’ is niets anders dan de dreigende confrontatie met de inconsistenties binnen hun eigen politiek-sociale werking. Het is de facto traumatisch om de fundamentele breuk in je sociale bestaan waarin je leeft, publiekelijk onder ogen te zien. De horror is dus intern aan de “legale en ordentelijke genocide”. Door publieke barbarij zou hun eigen fundament, de zinloosheid van deze “offers” net te openlijk op de oppervlakte komen. Er zit dan ook niets moreel hoogstaand in zelfbevestigende, angstvallige ignorantie, en geprivilegieerde discretie. Dat is net de uiterste morele lafheid. Het getuigt van een echte ethische ingesteldheid om hier een blik naartoe te durven werpen en de vinger publiekelijk in de wonde te duwen. Dan heb je pas alles te verliezen en kan je je acties niet meer verschuilen achter de wetenschap, privileges, de goede orde, of een of andere obscure god.

Het onbewuste is geen mythische wijsheid. Het is de manier waarop interpersoonlijke, relationele en maatschappelijke inconsistenties en ongeziene disharmonieën de kern van onze bedrijvigheid uitmaken. Psychoanalyse is in deze zin net een de-sacralisatie, een weg naar werkelijk atheïsme. Ik heb er dan persoonlijk geen enkel probleem mee om Freud of Jacques Lacan van hun mythische status te ontdoen, het moet zelfs. Enkel dan kunnen we nuchter zien wat werkelijk de aard is van het spook dat ze ons hebben achtergelaten.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in het magazine Parallax.

[1] https://maartenboudry.blogspot.fr/2017/08/interview-de-morgen-over-nazisme-en.html

[2] Ibidem

[3] Ibidem