about
Toon menu
Opinie

Eindtermen versus basisgeletterdheid: een (on)mogelijke spreidstand?

Tegen de achtergrond van de teleurstellende resultaten van Vlaamse tienjarigen op vlak van leesvaardigheid stelden verschillende parlementsleden zich afgelopen week luidop de vraag of daarmee het debat over de eindtermen opnieuw geopend is. Ik wil hier beklemtonen dat het voorstel om voortaan niet alleen ‘gewone’ eindtermen te ontwikkelen, maar ook eindtermen basisgeletterdheid, geen goede zaak is. Daar zijn verschillende redenen voor.
donderdag 14 december 2017

Nochtans had minister Crevits nog niet zo lang geleden kunnen uitpakken met een akkoord dat daarover met de meerderheidspartijen werd bereikt. Dat akkoord ligt inmiddels als voorstel van decreet voor in het parlement. Daarin staat onder meer dat er voor de eerste graad van het secundair onderwijs, naast ‘gewone’ eindtermen, die door ‘het merendeel van de leerlingen’ - op populatieniveau - bereikt moeten worden, ook eindtermen basisgeletterdheid ontwikkeld zullen worden. Die laatste moeten door élke leerling – individueel – bereikt worden. Deze eindtermen ‘nieuwe stijl’ worden voorlopig voorbehouden voor de eerste graad van het secundair onderwijs. Tot slot zullen eindtermen in de toekomst ook niet langer ‘herkenbaar’, maar ‘letterlijk’ overgenomen moeten worden in leerplannen.

Sommigen vroegen zich afgelopen week af of men niet verder moet gaan, bijvoorbeeld door alle eindtermen Nederlands individueel bindend te maken. En wellicht durven sommigen nog een stap verder te gaan en zich af te vragen of niet alle eindtermen basisonderwijs en het merendeel van de eindtermen van de basisvorming in de eerste graad secundair onderwijs in die zin bindend zouden moeten zijn.

Versterkt door de nodige sense of urgency klinkt deze boodschap vandaag voor velen wellicht aanlokkelijk en geheel in de lijn van de vraag naar de nodige (politieke) moed. Wie kan er immers tegen een minimaal basisniveau zijn voor iedereen? Dat een toenemend aandeel jonge mensen niet over de minimale basisgeletterdheid beschikt om in onze samenleving te kunnen functioneren, is niet alleen sociaal onrechtvaardig maar ook een economische ramp.

En toch. Zonder de sense of urgency te miskennen, noch het belang van een sterke basisvorming voor iedereen, wil ik hier beklemtonen dat het voorstel om voortaan niet alleen ‘gewone’ eindtermen te ontwikkelen, maar ook eindtermen basisgeletterdheid, geen goede zaak is. Daar zijn verschillende redenen voor. Ik beperk me hier tot de stelling dat een brede basisvorming voor iedereen hiermee op de helling staat.

Eindtermen, in hun oorspronkelijke betekenis, verwijzen naar datgene wat de samenleving minimaal van alle leerlingen verwacht. Ze worden decretaal vastgelegd. Het zijn geen individueel meetbare leerresultaten maar doelen die door het merendeel van de leerlingen, dus op populatieniveau, bereikt moeten worden.

Hoewel er sinds jaar en dag gediscussieerd wordt over de manier waarop men de toevoeging ‘voor het merendeel van de leerlingen’ moet begrijpen, ligt dit eigenlijk voor de hand. Geheel in de lijn van de oorspronkelijke betekenis van de eindtermen zou het uitgangspunt hier moeten zijn dat de eindtermen voor alle leerlingen bereikbaar zijn, maar men houdt er rekening mee dat dit door omstandigheden niet altijd het geval is.

Met andere woorden: de ambitie is maximaal en impliceert ook een oproep aan beleidsmakers, scholen en leraren om hiervoor alle nodige inspanningen te doen. Tegelijk is er een zekere speelruimte opdat noch scholen, noch leerlingen het slachtoffer zouden worden van wat (achteraf) onrealistische verwachtingen bleken.

Nu komen daar eindtermen basisgeletterdheid bij. Het gaat hier over een soort deelverzameling van de gewone eindtermen. Het belangrijkste verschil is dat het hier om het absolute minimum gaat en dat deze doelen door elke leerling moeten worden bereikt. Op zich is er natuurlijk niets mis met ambitie, integendeel, noch met de expliciete ambitie om de eindtermen bij alle leerlingen te bereiken.

Maar, met mij, vraagt u zich wellicht ook af wat dan eigenlijk het statuut van die ‘gewone’ eindtermen wordt? Deze onhoudbare spreidstand tussen twee soorten eindtermen draagt immers een niet mis te verstane boodschap uit, namelijk dat er belangrijke eindtermen zijn en minder belangrijke eindtermen. En wat houden we dan nog over van de oorspronkelijke ambitie om met eindtermen het brede minimum voor iedereen vast te leggen?

Om het anders te formuleren: de vraag is of de overheid met de nieuwe eindtermen nog steeds wil garanderen dat élk kind, om het even waar het school loopt, een kwaliteitsvolle en voldoende brede basisvorming geniet. Of getuigen de nieuwe eindtermen basisgeletterdheid, net als de verplichting om alle eindtermen letterlijk over te nemen in de leerplannen eigenlijk van een andere ambitie? Bijvoorbeeld de ambitie om verder te evolueren naar een soort van Vlaams curriculum dat op uniforme wijze inzetbare en inwisselbare leerresultaten produceert?

De toekomst zal het uitwijzen. Het minste dat we hierover kunnen zeggen, is dat het allesbehalve duidelijk is welk statuut de toekomstige eindtermen nu eigenlijk hebben. Het huidige voorstel van decreet legt symptomatisch bloot dat de overheid geen keuze heeft gemaakt.

Nochtans was dat precies de enige, maar meteen ook de meest krachtige, aanbeveling die onderzoekers van de KULeuven eerder formuleerden inzake de werking en de doeltreffendheid van de eindtermen. “Om eindtermen goed te laten werken zal de overheid keuzes moeten maken”, stellen Simons en Kelchtermans.

En dat geldt niet alleen voor het statuut van de eindtermen, maar ook voor de wijze waarop men ze in de toekomst zal formuleren en voor de plaats die men daarbinnen zal geven aan onderwijsinhouden. Om maar te zeggen: dit is wellicht een gemiste kans!

 

Goele Cornelissen is diensthoofd studiedienst Christelijke Onderwijscentrale

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.