about
Toon menu

Vakbondsboek over Chinese investeringen in Europa

Het vakbondsinstituut ETUI heeft een boek gepubliceerd over de strategie achter de Chinese investeringen in Europa en de invloed ervan op de arbeidsrelaties. De Chinese bedrijven willen vaak een betere technologie tot de hunne maken. Daarbij mag het Europese management meestal aanblijven en wordt verder geïnvesteerd in onderzoek zodat het verloop niet hoger wordt, zo blijkt.
donderdag 12 oktober 2017

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

De Chinese investeringen in het buitenland stegen tijdens de periode 2005-2015 jaarlijks gemiddeld met 30 procent en vorig jaar zelfs met 40 procent. In 2016 investeerden de Chinese bedrijven 35 miljard euro in de EU en dat was 77 procent meer dan in 2015. Het European Trade Union Institute (ETUI) heeft een 277 pagina’s tellende studie gemaakt waarin in 3 delen en 12 hoofdstukken een economische en sociale analyse gemaakt wordt van deze investeringen.

Het eerste deel heeft het over de succesvolle Chinese ‘Challenger multinationals’. Het tweede deel maakt een aardrijkskundige mapping van de Chinese investeringen in Europa: in welke landen en in welke sectoren zijn er 'mergers & acquisitions of greenfield'-investeringen? Een derde deel behandelt een reeks case studies. 

Opmars van Chinese investeringen in Europa

De financiële crisis na 2008 gaf een belangrijke stoot aan de opmars van Chinese investeringen in Europa. Het heette dat de activa er goedkoper geworden waren. Na 2011 maakten de buitenlandse Chinese investeringen een ommekeer van investeren in de natuurlijke hulpbronnen van Zuid-Amerika en Afrika (naast investeren in VS-schatkistcertificaten) naar het verwerven van strategische activa in de VS en Europa. De ‘going out’-strategie vormde een deel van het tiende vijfjarenplan 2001–2005.

Klik op de kaart voor een groter beeld. Bron: https://www.etui.org/Publications2/Books/Chinese-investment-in-Europe-corporate-strategies-and-labour-relations

Het initiatief van de nieuwe zijderoutes had in Europa meer bepaald het ‘16 + 1’-initiatief tot gevolg dat China samenbrengt met de 16 landen van Centraal en Oost Europa. Binnen het kader van de zijderoutes situeren zich de investeringen in de Piraeushaven en de SST Belgrado-Budapest. Tussen 2000 en 2014 werd het meest geïnvesteerd in de sectoren energie (28 procent), auto’s (13 procent), landbouw (12 procent) en vastgoed 11 procent). Na 2015-16 kwam de nadruk met een derde te liggen op geavanceerd maatwerk vooral in machinebouw. ICT was een andere groeisector. Het waren vooral de drie kernlanden Duitsland, het VK en Frankrijk waar het meeste geld naartoe vloeide. In Zuid-Europa viel het opkopen van energie en infrastructuur op. Centraal en Oost-Europa ontvingen weinig maar trokken voornamelijk ‘greenfield’-investeringen aan.

Auto-industrie

De Chinese industriële politiek werd het eerst uitgetest in de auto-industrie. De Chinese overheid wilde dat westerse know how vooral geassimileerd zou worden via het opzetten van joint ventures met westerse partners. Merkwaardig genoeg heeft dit niet de gewenste kampioenen opgeleverd. De succesvolle Chinese multinationals Huawei en ZTE konden echter wel doorbreken via een strategie van nadruk op onafhankelijk onderzoek en ontwikkeling, zij het dat gunstig krediet ook een rol speelde. Geely in de autosector zocht het evenmin via joint ventures, maar door een versnelde internationalisering.

Uit de analyse van de investeringen in de Europese autosector blijkt dat in tegenstelling tot wat gevreesd kon worden, dat het lokale maakwerk, engineering en management na de Chinese inbreng behouden bleven. De Chinese investeringen bleken bedoeld voor de lange termijn.

In Göteborg werkt het Chinese management samen met de Zweedse vakbonden. Het Chinese HR-departement blijkt zelden het lokale HR te sturen. Het boek heeft de indruk dat het Chinees management ontraden wordt interactie te hebben met de werknemersvertegenwoordigers omdat de Chinese vakbondscultuur verschilt van de Europese. Ze begrijpen bijvoorbeeld nauwelijks het verschil tussen de syndicale afvaardiging en de ondernemingsraad. Als er al sprake is van een ‘oog van Beijing’ blijkt dat zich in de financiën te situeren zoals in het derde deel blijkt.

Centraal- en Oost-Europa

Twee hoofdstukken bestuderen de Chinese investeringen in Centraal en Oost-Europa. De landen die er het meest ontvingen zijn Hongarije, Polen, Tsjechië, Slovakije, Roemenië en Bulgarije. Een grote diaspora en vroege diplomatieke betrekkingen brengen met zich dat Hongarije de meeste Chinese investeringen ontvangt. Interessant is de analyse dat bijvoorbeeld Huawei Roemenië gebruikt voor de technische ondersteuning van zijn Europees netwerk, Hongarije voor logistiek en het maakwerk terwijl het onderzoek in West-Europa gebeurt.

Meer details staan beschreven in een vijftal hoofdstukken met case studies. De twee eerste hebben het over Duitse ervaringen. Blijkt dat qua ondernemingsraad en vakbondsvertegenwoordiging wel de wet nageleefd wordt zonder dat de Chinese verantwoordelijken er zich echt actief mee inlaten. Blijkbaar zijn technologie verwerven en een grotere markt een hogere prioriteit. Na de overname komt er vaak wel een Chinese assistent bij de Chief Financial Officer die de cijfers rapporteert aan China. Het management blijft relatief autonoom en de onderneming kan doorgroeien.

Een hoofdstuk bespreekt de koop van de Britse engineering firma voor rollend materieel Dynex: de Britse firma geniet na de overname door haar Chinese partner CSR van een grote autonomie. De Dynex CEO spreekt van een ‘win-win situatie’ waarbij zijn firma, die in 2004 bijna failliet ging, nu haar gespecialiseerde moderne tractieproducten niet enkel kan upgraden, maar voorts met China ook beschikt over een ruimere afzetmarkt.

Griekse haven

Het laatste hoofdstuk behandelt de Chinese aanwezigheid in de Griekse haven van Piraeus waar de staatsonderneming COSCO al een controlerend aandeel verwierf. De Chinese multinational werkt wereldwijd met vier statuten: Het COSCO-topkader bezit het (voordelig) statuut van Chinese topambtenaren en ze genieten vastheid van betrekking. Managers daar juist onder zijn ook vast aangeworven, maar kunnen moeilijker doorstoten naar het topkader.

Het derde soort personeelsleden zijn aangeworven op contractuele basis en dit kan verschillen van land tot land. Ten vierde gebruikt COSCO nog arbeidskrachten die aangeleverd worden door jobdiensten en zij vormen de meerderheid. Opstijgen van het ene statuut naar een bovenliggend blijkt moeilijk. Helaas biedt dit hoofdstuk noch een kwantitatief overzicht van de vier categorieën in Piraeus en nog minder het verschil met het systeem toen de haven nog Grieks van eigendom was. Toch een heus mankement.

Samengevat vindt het boek dat het gevreesde plunderen van technologie niet heeft plaats gevonden. Het lokaal management blijft na de overname meestal op zijn plaats en de onderneming kan verder doorgroeien. Toch waarschuwt het boek ervoor dat naar analogie met de telecomsector waar Chinese multinationals de Europese groten naar de kroon zijn gaan steken, dat ook op andere gebieden kan verwacht worden dat de Chinese bedrijven sterker gaan worden. Het lijkt ons echter universeel dat elke industriële politiek zijn spelers wil versterken ten aanzien van de concurrentie.

Jan Jonckheere is redacteur voor de nieuwssite Chinasquare.be.