about
Toon menu
Opinie

De mens is én gebrekkig én inventief

Vreemde periode, die pre-electorale weken. Discussies laaien op over wat de ‘inzet’ van de verkiezingen zou moeten zijn. Alsof het een spelletje poker betreft, dat we kunnen winnen of verliezen. Maar de bedoeling is wel juist. Verkiezingen bieden inderdaad een kans tot het resetten van de maatschappelijke agenda… al was het enkel een kans.
dinsdag 13 mei 2014

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

De woordenschat waarmee veel debatten gevoerd worden, draagt al een zekere bias in zich. Wat ‘willen’ we? Wat kan welke politieke partij ons ‘geven’? Ongezegd veronderstellen we daarbij dat wij consument-burgers zijn die vanuit een bepaalde behoefte bediend moeten worden. Politiek wordt zo – en is eigenlijk al een hele tijd – serviceverlening. Dan mag je nog zo je best doen de agenda te herdenken, van zodra je je binnen dat discours van vraag en aanbod begeeft, wordt je blik gefilterd.

De vraag rijst: wie zijn wij eigenlijk dat we iets te ‘willen’ hebben? Ik bedoel dit niet fatalistisch in machiavelliaanse zin of iets dergelijks: alsof de man in de straat niet bekwaam genoeg zou zijn om mee te denken over het maatschappelijke belang. Nee, de vraag graaft dieper: naar wie we zijn als mens. Of denken te zijn. Of wensen te zijn. Voor we toekomen aan het opstellen van onze wishlist over wat we willen, zouden we moeten uitzoeken: wie of wat zijn we? Niet slechts als burger, consument, werknemer of werkgever, maar als bewoner van de derde planeet rond de zon. Geworpen in deze wereld en in dit leven en aldus uitgedaagd om zich ertoe te verhouden, bewust dan wel onbewust.

Mensbeeld

Toegegeven, ook dat lijkt een gevaarlijke piste. Al gauw kom je op die manier terecht in politieke modellen die hun veronderstelde absolute ‘waarheid’ in een specifiek mensbeeld gronden, zoals het nationaalsocialisme. Maar daar gaat het nu net om. Elke politieke strekking wortelt in een onuitgesproken mensbeeld. De rechtsen vertrekken van het op zichzelf aangewezen, initiatief nemende individu. De linksen gaan eerder uit van sociale verbanden en wederzijdse solidariteit. Natuurlijk valt die lijn vaak niet strikt te trekken. Maar grof gesteld heeft elk politiek denkbeeld zijn wijsgerig-antropologisch fundament.

Vreemd genoeg daalt een discussie over onze politieke ‘verlangens’ nagenoeg nooit af naar dat niveau waarop die verlangens, naar we kunnen vermoeden, in origine ontstaan, zijnde onze conditio humana. Niet dat we met zo’n manoeuvre ineens alle politieke onenigheden zouden elimineren. Er is immers geen één onbetwijfelbare definitie voorhanden van wat de mens is, zoals het bestaan van verschillende politieke strekkingen al bewijst. En nogmaals, die definitie proberen te vinden om er vervolgens een gans maatschappijmodel op te stoelen, zoals extremistische visies plegen te doen, brengt nog veel meer ellende met zich mee. Maar een open gesprek over wat wij mensen zijn, en vandaaruit over wat we willen zijn, en hoe we dit alles politiek zouden kunnen vertalen, zou onze huidige politieke vooronderstellingen kunnen blootleggen.

Dat betekent weliswaar dat we tenminste tijdelijk voorbij moeten gaan aan debatten die de ‘inzet’ van verkiezingen trachten vast te pinnen. Net zoals de politieke ideeën zelf, suggereren deze discoursen over politieke ideeën hun eigen mensbegrip. Wie politiek voornamelijk wil bediscussiëren in termen van problemen die oplossingen vereisen – ‘mobiliteit’, ‘milieu’, ‘werkgelegenheid’ en dergelijke meer – die op hun beurt ‘objectief’ in cijfers of modellen kunnen uitgedrukt worden, veronderstelt dat er een actor bestaat die deze kwesties vanuit een zekere autonomie neutraal kan beslechten. Wie politiek wil bespreken in termen van vaststelbare feiten en becijferbare budgetten, gaat er van uit dat de discussie aan een soort van wetenschappelijk-mathematische waarheidstoetssteen kan afgemeten worden. Terwijl de mens misschien helemaal geen objectief-efficiënt oplossingsgericht subject is, of toch niet uitsluitend.

Immuunsysteem

Maar wat zijn we dan wel, of wat zijn we nog? Hoe moeten we onze menselijke conditie precies omschrijven? Wel, dat is het nu juist. We zijn grotendeels onbepaald. En dat moet u letterlijk nemen. Wijsgerige antropologen en biologen leren ons dat wij mensen vooral ‘onaf’ zijn. We zijn van nature niet erg bewapend tegen onze omgeving, zoals andere dieren speciaal toegerust zijn met een warme vacht, een schild of stekels. We hebben enorm veel tijd nodig om volwassen te worden – bijna twintig jaar. Dit maakt ons afhankelijk van anderen. Ons lichaam is onderhevig aan tal van kwalen, infecties en aantastingen van het immuunsysteem. En alsof het nog niet genoeg was: ons sterk uitgebouwd bewustzijn doet ons dit alles beseffen, waardoor we op tijd en stond in een flinke existentiële crisis kunnen verwikkeld geraken.

Dat lijkt nu allemaal kommer en kwel. Toch wijzen dezelfde wijsgerig-antropologen erop dat die onbepaaldheid de mens tevens op een positieve manier definieert. Ons basale ‘gebrek’ verplicht ons immers creatief te zijn en zo het gebrek te compenseren. Dat doen we onder andere via cultuur, politiek, wetenschap en technologie. Met andere woorden: wie onaf is, moet vindingrijk zijn. En dat is de mens: mankement en remedie in één. Als je echter een van die twee polen negeert, dreig je een monotoon mensbeeld te koesteren.

Beide perspectieven zien we, ironisch genoeg samen, opduiken in de pre-electorale debatten. Als we zeggen dat we x of y ‘willen’ en dat politicus z ons dat moet ‘geven’, redeneren we vanuit het mankement, vanuit de onvolkomenheid die dringend aanvulling nodig heeft. In dat geval vergeten we dat de mens zélf een hand in het compensatieproject heeft; het komt ons niet zomaar in de schoot gevallen. Wanneer we daarentegen verwachten dat we ‘problemen’ exhaustief kunnen ‘oplossen’, dat er afdoende remedies bestaan, geloven we dat we enkel maar een efficiënte verbeteringsmissie te vervullen hebben. En in dat geval verdringen we het gegeven van onze intrinsiek gebrekkige constitutie; we zien over het hoofd dat we in de grond prutsers zijn. In beide gevallen zouden we kunnen gaan denken dat we respectievelijk ofwel alles verdienen ofwel alles kunnen, zonder rekening te houden met – om enkele zaken te noemen – onze immanente kwetsbaarheid, onze natuurlijke omgeving en, ja, onze sterfelijkheid.

Stichtende verhalen

Hoe halen we die dialectiek van gebrek én soelaas, van teleurstelling én utopische hoop, terug naar het forum van de politieke discussie? Misschien moeten we nog eens ons oor te luisteren leggen bij de Amerikaanse pragmatistische filosoof Richard Rorty. Hij beval aan om verhalen over menselijk leed te lezen, om zo ons vermogen tot solidariteit en medeleven aan te scherpen – een vermogen waarop volgens hem politiek gebaseerd is. Stichtende verhalen hebben we nodig, zegt hij, over de gebrekkige menselijke gesteldheid en hoe die bij tijden, zij het misschien nauwelijks opgemerkt, tijdelijk overwonnen wordt. Die vinden we doorgaans in de kunst en literatuur.

Bij ons biedt de puike Eén-fictiereeks Marsman een mooie illustratie. Zowat alle personages van het verhaal staan in de storm van het leven. Nico Marsman, de protagonist, verloor in korte tijd zijn moeder, zijn job en zijn vrouw. Zijn vrienden doen het strikt genomen niet veel beter. De ene is invalide en alcoholist, de ander een pathologische vreemdganger. Genoeg ellende, zo lijkt het wel. Toch verzandt wonderwel niemand in cynische frustratie. Maar evenmin zie je iemand zichzelf oppeppen om nu maar een keer, in de stijl van Amerikaanse zelfhulpadviezen, op rationeel-effectieve wijze de problemen aan te pakken. Nee, met een mix van ironische gelatenheid en moedige ondeugendheid laveert men tussen laten en doen. Een ware verademing van stoïcisme tussen al het opgefokte ‘willen’ en ‘realiseren’ dat doorgaans zo schaamteloos ons tv-scherm vult. En de electorale koorts voedt.

Een dergelijk gevoel van verademing zou ik ook eens willen krijgen bij het politieke debat. Laat ons even beginnen bij het begin en ons een moment lang klein en nietig voelen ten overstaan van een immense kosmos en de menselijke eindigheid. Vandaaruit kunnen we dan opnieuw gaan dromen en met een wijdere blik, voorbij enkel het becijferbare-oplossingsdenken, ons afvragen wat we als mens écht belangrijk vinden. Ecce homo: geschaafd, kreupel – en wonderlijk veerkrachtig.

Yoni Van Den Eede is FWO-onderzoeker bij iMinds-SMIT, VUB en auteur van Mens en Media (LannooCampus, 2014).