about
Toon menu

'De democratie voorbij' van Luc Huyse

Luc Huyse (1937) toont met ‘De democratie voorbij’ dat hij nog niets van zijn scherp inzicht heeft verloren. Zijn maatschappelijke analyses blijven pertinent.
vrijdag 9 mei 2014

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

DeWereldMorgen.be

Het woord 'voorbij’ komt regelmatig terug in het werk van Luc Huyse. Eerder schreef hij onder meer De verzuiling voorbij (1987), De politiek voorbij (1994), Alles gaat voorbij, behalve het verleden (2006). Nu verscheen De democratie voorbij.

Huyse analyseerde de voorbije veertig jaar met zijn scherpe sociologische blik de maatschappelijke ontwikkelingen in België. ‘De uiterste houdbaarheidsdatum voor de democratie zoals we die nu kennen, komt nabij,’ waarschuwt hij. De houdbaarheidsdatum van deze auteur is gelukkig nog lang niet bereikt. Dat bewijst dit boek waarin geleerdheid wijkt voor wijsheid.

Driehoeksmeetkunde

De driehoeksmeetkunde van Huyse is niet bestemd voor wiskundige bollebozen. De Leuvense gepensioneerde socioloog gebruikt het grafisch symbool van de driehoek om eenvoudig weer te geven wat een samenleving in al haar gedaantes in wezen altijd is.

‘Politiek’, ‘bevolking’ en ‘economie’ vormen de drie hoeken. Staat, markt en bevolking zijn geen aparte eilandjes. Zonder dwarsverbindingen lukt samenleven niet. Een belangrijke bemiddelende rol wordt gespeeld door het ‘middenveld’ (société civile, civil society), dat het cement voor een 'ménage à trois' kan leveren. De onderlinge afstemming tussen de hoeken van de driehoek kleurt de slagkracht en de geloofwaardigheid van de parlementaire democratie.

‘Elke samenleving waar een van de bewoners van de maatschappelijke driehoek de andere koloniseert ontspoort na verloop van tijd.’ (p. 196) De rode draad doorheen het boek is dus de vraag of de parlementaire democratie in haar huidige gedaante nog een toekomst heeft.

Neen, schrijft Huyse. De houdbaarheidsdatum werd bereikt, want in een door de markt uitgeklede staat kan een democratie niet overleven. Voor Huyse kan er maar echt sprake zijn van democratie en burgerschap als meningen ontstaan in een bedding van debat en discussie, van woord en wederwoord. Waar vermarkting de politiek binnendringt, ontbreekt daar de voedingsbodem voor.

Deel I. Een scherpe diagnose

Die stelling ontwikkelt de auteur in de twee delen die De democratie voorbij beslaat. Deel een ‘Diagnose’ stelt dat de honderdjarige stutbalken van de parlementaire democratie – de natiestaat, de ruil tussen kiezers en politici, het pact tussen staat en markten – gecorrodeerd zijn. Daardoor levert de parlementaire democratie zwaar in op efficiëntie en legitimiteit.

Huyse beschrijft hoe politiek als activiteit in stukken gebroken is en hoe die versplintering nog toeneemt. Voortdurende fragmentatie is er ook in de bevolking, die teweeggebracht wordt door immigratie, demografische trends, individualisering en ontwikkelingen in de media.

Deze opsomming klinkt heel wat saaier dan in de vaak zeer fraaie verwoording van de auteur. Ik pluk er een zinnetje uit: "In vele restaurants van het leven is de dagschotel vervangen door eten 'à la carte'. Elk individu is, met andere woorden, bijna zijn eigen planbureau geworden." (p. 39)

Daarna gaat de auteur in op ‘de ontspoorde relaties’, het verbreken van het broze evenwicht tussen marktmechanisme en verdelende rechtvaardigheid in wat hij het ‘democratisch kapitalisme’ noemt van de welvaartstaat na de Tweede Wereldoorlog. Oorzaak is de steeds sterker wordende rol van de markten.

Huyse vermeldt uitdrukkelijk het fenomeen van de 'commodification', het creëren van steeds nieuwe handelswaar, waardoor de kapitalistische economie steeds verder doordringt in het sociale leven. De vermarkting kent geen grenzen meer zoals ouderenzorg, zelfs forensische centra voor geïnterneerden komen in handen van privé-consortia. Dat is volgens hem een zeer kwalijke evolutie.

In De Morgen van 23 april 2014 zegt hij dat een staat zich niet mag laten uitkleden: “Een overheid moet sterk zijn om het hart van de democratie te beschermen. Om die taak te vervullen, heb je een kritische hoeveelheid ‘staat’ nodig. Die is er vandaag niet meer.” Huyse citeert met instemming de Britse socioloog Colin Crouch. Die schreef ironisch dat de mensen de welvaartsstaat mogen behouden op voorwaarde dat het bedrijfsleven er een hoogst rendabel privédomein kan van maken. Voor de auteur is er een herovering van ruimte op de markten nodig, maar ook een grondige wijziging van de rolverdeling tussen overheid en burgers.  

Het middenveld

Luc Huyse hecht zeer veel belang aan het maatschappelijk middenveld als schakel én als drukregelaar. Het speelt een belangrijke rol tot inburgering, tot betrokkenheid op de politiek. Waarom? “De verdediging van de belangen van de burger is uitermate zwak als zij vanuit de positie van louter individu of passieve consument wordt opgezet.” (p. 49)

Het middenveld moet volgens hem niet alleen optreden als bemiddelaar tussen burger en overheid maar ook als drukregelaar. Het gaat immers om meningsvorming, agendasetting en de bundeling van vragen aan parlement en regering. De mooiste voorbeelden hiervan zijn de Antwerpse actiegroepen stRaten-generaal en Ademloos. Die hebben zich in het Oosterweeldossier vastgebeten. Samen met Ringland gaan zij nu de manier waarop beslissingen genomen worden zwaar in vraag stellen.

In het maatschappelijk middenveld onderscheidt Huyse drie ‘ploegen’. Er is het nog steeds verzuilde verenigingsleven (alleen in Vlaanderen zijn er ruim 50.000 verenigingen actief op het terrein van jeugdwerk, sport en cultuur) en de ledenrijke syndicaten die tot het oude middenveld worden gerekend.

Daarnaast is er een tweede groep die lange tijd de label ‘nieuwe sociale bewegingen’ kreeg (milieu, feminisme, mensenrechten, vrede, derde en vierde wereld zijn doorgaans hun werkingsterreinen). Op de derde plaats, steeds sterker, is er de bonte wereld van de kleinschalige comités in buurten, wijken en straten. Volgens Huyse zijn zij de onmisbare spelers op het middenveld. Zij vormen immers de brug tussen bevolking en politiek.

Deel II. Thatcher 2.0

In het tweede deel ‘Medicatie’ onderzoekt Huyse de pogingen die ondernomen worden om de driehoeksverhouding gestroomlijnder te laten verlopen. In het spoor van Duits socioloog Ulrich Beck constateert hij dat we in een maatschappelijke overgangsperiode vol contradicties leven. Het is een sprong in het duister.

De auteur is er wel van overtuigd dat de met veel gedruis gelanceerde hervormingen zoals de Britse Big Society en de 'participatiemaatschappij' in Nederland niet de juiste medicatie leveren. Huyse is een bijzonder koele minnaar van een handig verpakt Thatcher 2.0, met een hang naar een zo slank mogelijke staat.

“Het enige verschil met het thatcherisme is de uitbundige spinning in woord en beeld die de huidige plannen vergezelt.” (p. 132) Met deze stelling zit hij op dezelfde lijn als die andere gepensioneerde socioloog Jan Vranken in zijn boek Thatcher aan de Schelde. Het enige verschil is dat Vranken man en paard (Liesbeth Homans en N-VA) noemt, terwijl Huyse het eerder bij een 'à bon entendeur, salut' houdt.

Oosterweel  

Luc Huyse heeft ook geen goed woord voor de manier waarop de Vlaamse overheid tot nu toe is omgesprongen met het Antwerpse Oosterweeldossier. Hij noemt het een leerrijke casus om te begrijpen hoe men niet met dergelijke megaprojecten moet omspringen. Hij verwijst naar het fenomeen 'verkokering' waarbij verscheidene instanties zich enkel met één bepaald beleidsdomein bezig houden en naast elkaar werken zonder dwarsverbindingen (stadsbestuur, provincie, Vlaamse executieve en parlement, federale regering, de Europese Commissie, de BAM).

Een tweede erfenis van het unitaire België is de neiging om agendapunten met een hoog technisch gehalte toch een sterke partijpolitieke lading te geven. Die monden dan meestal uit in zogeheten package deals. Huyse verwijst uitdrukkelijk naar het boek van stRaten-generaal activist Manu Claeys Stilstand, over machtspolitiek, betweterbestuur en achterkamerdemocratie en naar de studie van Oxford-hoogleraar Bent Flyvberg Megaprojects and Risk. Anatomy of ambition.

Flyvberg stelt een referentiegroepsprognose (RGP) voor als vaccin tegen het democratisch deficit waarmee met megaprojecten wordt omgesprongen. Hij onderscheidt drie stappen:

  1. identificeer een aantal vergelijkbare projecten die in binnen- en buitenland al zijn uitgevoerd;
  2. kom op basis van gegevens over de gemiddelde reële kosten en baten tot het profiel van dat type van infrastructuurwerken
  3. vergelijk het opzet van het eigen project met dat profiel om tot een geobjectiveerde prognose van budget en resultaten te komen. (p. 184).   

Huyse schrijft dat men in Nederland en in het Verenigd Koninkrijk al een tijdje met deze formule werkt. ‘Inspraak en de politieke klasse in Vlaanderen, het wil maar niet lukken,’ besluit de auteur, die volledigheidshalve ook het ‘voorontwerp van decreet betreffende complexe projecten’ vermeldt. In artikel vijf wordt participatie van de burgers en transparantie in de besluitvorming in het vooruitzicht gesteld.

“Wait and see” en Huyse voegt er een driedubbele boodschap aan toe. De inspraakmomenten bij investeringsprojecten zijn vooral bedoeld voor individuele omwonenden. Die hebben in hun wettelijke omschrijving een negatieve gerichtheid (‘bezwaarschrift’, ‘klager’) – wat als burgers met een goed uitgewerkt voorstel voor de dag komen? – en ten derde komen die participatiemomenten meestal te laat.

De Ploeg  

Om de democratie te verrijken ziet Huyse heil in de hierboven al vermelde derde groep van het maatschappelijke middenveld. Deze kan putten uit de juridische, planologische, mediatechnische, sociologische en politicologische deskundigheid van de leden.

Met z’n allen weten ze goed dat politiek personeel en ambtenaren niet meer altijd een kennisvoorsprong hebben. Als voorbeeld vermeldt hij de Antwerpse koepel van buurtverenigingen De Ploeg, die actief is in de wijk rond het Centraal Station. Projectontwikkelaar Kairos wilde in opdracht van Electrabel een nieuw kantoorgebouw neerzetten in de wijk. Hij werd teruggefloten door een gefundeerd bezwaarschrift van De Ploeg.

In plaats van een zoveelste juridische strijd aan te gaan zijn projectontwikkelaar en buurtbewoners, samen met architect Stéphane Beel, aan tafel gaan zitten. Daaruit ontstond een leefbaar compromis voor alle betrokken partijen. Frank de Snoeck van Kairos benadrukte het positieve van dit verhaal. Er werd gezocht naar een consensus tussen de eisen van opdrachtgever Electrabel  en de bekommernissen van de buurtbewoners. Architect Stéphane Beel zei zeer openhartig dat men als architect geen schrik moet hebben van goed doordachte amendementen en kritiek. Hij benadrukte dat die participatieve besluitvorming geleid heeft tot een volgens hem beter resultaat.

Manu Claeys van De Ploeg (en van stRaten-generaal) zei dat dit voorbeeld van 'good practice' zijn weg zou mogen vinden bij de aanpak van grotere infrastructuur- en bouwprojecten. Hij vermeldde uitdrukkelijk de plannen van Ziekenhuis Netwerk Antwerpen om samen met projectontwikkelaar Kairos een nieuw ziekenhuis te bouwen in de buurt van Park Spoor Noord en ook daar de dialoog met de buurtbewoners te starten.

Geen geleerdheid, maar wijsheid  

In een ‘leeswijzer’ achteraan heeft Huyse een wijs citaat opgenomen van de Amerikaanse hoogleraar William Schutz: “Als ik naar de boeken kijk die ik geschreven heb, herken ik in de tekst perfect wat ik toen begrepen had en wat niet. De passages over wat ik zelf nauwelijks begreep ogen wetenschappelijk en staan vol vaktaal. Waar ik wel grip op had staat in een taal die voor iedereen toegankelijk is.” Huyse voegt er bescheiden aan toe: “Het is aan de lezer om te oordelen in welke categorie dit boek thuishoort.”

Ik wil daar als lezer en recensent graag op antwoorden: de sterke opbouw en de elegante, uitgezuiverde stijl van Luc Huyse – zonder voetnoten, met amper sociologisch jargon – maken dit boek toegankelijk voor iedereen die mee wil nadenken over de verdieping van de democratie.

Hopelijk zullen de politici hiervan gebruikmaken. Het zal nodig zijn, want de houdbaarheidsdatum van de parlementaire democratie waarin zij functioneren, is bijna overschreden.

reageer

2 reacties

  • door Marc Depuydt op vrijdag 9 mei 2014

    Prof emeritus Huyse schrijft o.a. dat het middenveld een der belangrijke spelers is in de democratie. Wat te denken dat het middenveld zichzelf onbetrouwbaar maakt als medespeler in de democratische besluitsvorming. Denken we hierbij aan het ACW in verband met de heisa die ontstaan is met de zaak ARCO. Het ACW heeft zich als onbetrouwbare partner opgesteld met dubieuze manipulaties en leugens. Welnu, het is niet te verwonderen dat er meer en meer leden van de ACW een foertstem zullen uitbrengen op de partijen die deze onbetrouwbare partner de hand boven het hoofd houden.

  • door Jan Willems op zaterdag 10 mei 2014

    Huyse heeft in zijn vlot leesbaar en verstaanbaar boek - andere academisch geschoolden kunnen er verdomd veel van leren - terecht verwezen naar het middenveld. Weshalve het in deze ook aan bod komt. Maar hij schenkt ook veel aandacht aan de 'staat', in deze onderbelicht. Ik verwijs naar een reactie mijnentwege op een artikel op deze site, waarin ook veel hoop is gesteld op het middenveld.

    www.dewereldmorgen.be/artikel/2014/05/02/met-ons-wordt-het-minder-erg

    Met empathie voor een zwaar zieke buurman zullen we die persoon wel kunnen helpen door bijvoorbeeld geld in te zamelen om een peperdure operatie mogelijk te maken, maar niet de problemen van de dure gezondheidszorg ongedaan maken.

Lees alle reacties