Brief aan Benoît  (1)
Internationale politiek, Communautaire kwestie -

Brief aan Benoît (1)

donderdag 8 september 2011 22:50

Ik vroeg het mij deze morgen af, beste Benoît :  “Doe ik hem af of laat ik hem staan ?” Ik geef toe, het is geen existentiële vraag. Waarschijnlijk eerder een teken van slechte spijsvertering, de nacht ervoor.

Natuurlijk blijf ik achter de idee staan. Dat gans het  communautaire circus voor alles één grote farce en volksmisleiding is, een slecht opgevoerde, politieke klucht. Laat het ons met de woorden van Jacques Brel zeggen, toen hij destijds pleitte om elke Vlaming en Waal tijdens zijn legerdienst (2) zes maanden  te laten doorbrengen aan de andere kant van de taalgrens : “Dan zou iedereen ontdekken dat zij op dezelfde manier tandpijn hebben, op dezelfde manier naar hun vader en moeder kijken, en van spinazie houden of spinazie haten op dezelfde manier. De rest zijn volgens mij nogal lage problemen van een gemene politiek. België is meer waard dan een taalstrijd”.

Deze ‘gemene politiek’ wordt meer dan ooit duidelijk met de huidige actualiteit. In volle financiëel-economische crisis kan je immers moeilijk blijven volhouden dat BHV tot de essentie der dingen behoort.

Er zijn zo nog enige schijnmaneuvers uitgevoerd de laatste jaren. Meer en meer begint het bijvoorbeeld door te dringen wat de gevolgen zijn van de ganse nine eleven story. Niet alleen dat een ganse  generatie opgescheept werd met een Islamfobie waarin  de Wildersen en de Breiviken een goede voedingsbodem vonden. Of dat miljarden per dag werden verspild aan een waanzinnige ‘global war on terror’. Met in Irak de vondst door ‘the coalition of the willing’ van niet bestaande massavernietigingswapens als ultiem argument.

Vooral wordt duidelijk dat het ganse toneelstuk (3) in belangrijke mate heeft bijgedragen om een misdadige wereldeconomie te laten uitgroeien tot een kwalijke kanker. Enerzijds door onzinnig grote militaire uitgaven. Anderzijds door het kritiekloos blijven aanvaarden van een economisch wereldsysteem dat systematisch de verkeerde keuzes maakte.

Dit monopolie van de vrijemarkteconomen wordt uitvoerig beschreven in het boek van Ha-Joon Chang over het kapitalisme (4). Hij toont aan hoe grote ondernemingen, regeringen en internationale organisaties decennialang, zonder veel tegenkanting, een verkeerde en onrechtvaardige vrijemarkteconomie hebben kunnen uitbouwen. Een evolutie die, zo maakt het boek duidelijk, vele malen de gevolgen van 9/11 overstijgt.

Chang pleit voor de wederopbouw van de wereldeconomie. Naast zijn fundamentele kritieken op het vrijemarktkapitalisme pleit hij voor herwaardering van het industriebeleid, voor een grotere en meer actieve rol voor de overheid, voor herwaardering van waarden als vertrouwen, solidariteit, eerlijkheid en samenwerking. Het is hier niet de bedoeling een samenvatting van het boek neer te pennen, maar toch enkele interessante passages.

Het principe van ‘maximalisatie van aandeelhouderswaarde’ bijvoorbeeld, dat vanaf de jaren tachtig opgang maakte en dat Chang de ‘heilige graal van de wereldeconomie’ noemt. Het betekent dat professionele managers beloond moesten worden naar het bedrag dat zij hun aandeelhouders kunnen geven. Om dit te realiseren moest eerst de winst worden gemaximaliseerd door meedogenloos te kappen in de kosten (lonen, investeringen, voorraden, middenmanagers …). Vervolgens diende het grootst mogelijke deel van deze winst aan aandeelhouders toekomen via dividenden en aankoop van nieuwe aandelen.  Om managers aan te moedigen zich op deze wijze te gedragen moet een groter deel van hun beloningspakket in de vorm van aandelenopties worden uitgekeerd, zodat zij zich meer identificeren met de belangen van de aandeelhouders.

Zo steeg de uitgekeerde winst als percentage van de totale ondernemingswinst in de VS van  25 à 40 procent (ook al niet onaardig) tot 60 procent. Chang beweert dat het grootste nadeel van deze praktijk nog was dat de ondernemingen zelf erdoor kapot gingen. Hij haalt het voorbeeld aan van General Motors dat zijn absolute dominantie in de mondiale auto-industrie verkwanselde en uiteindelijk over de kop ging, terwijl het bedrijf vooropliep voor wat betreft maximalisering van aandeelhouderswaarde door voortdurend af te slanken en af te zien van investeringen.  Het doet Jack Welch (voorzitter van General Electric in de VS, jarenlang een belangrijke verdediger van de praktijk aan wie de uitdrukking ‘aandeelhouderswaarde’ wordt toegeschreven) nu opbiechten dat “de aandeelhouderswaarde waarschijnlijk het stomste idee van de wereld is”.

De  visie op de rol van de overheid is een ander voorbeeld. Voor de achtbare vrijemarkteconomen moet het deel van de economie dat beheerst wordt door politici en bureaucraten tot het minimum worden beperkt. Deregulering en privatisering zijn niet alleen economisch efficiënt, maar ook politiek zinvol, omdat ze de mogelijkheid dat officiële functionarissen de staat gebruiken als middel om hun eigenbelang te bevorderen ten koste van het brede publiek, minimaliseren.

Sommigen, de zogeheten ‘Public Management  school’, gaan nog verder en bevelen aan dat het management van de overheid zelf aan meer marktwerking dient te worden blootgesteld, door een gerichter gebruik van prestatiegerelateerde beloning en kortlopende contracten van ambtenaren, door uitbesteding van publieke dienstverlening, en een meer actieve uitwisseling van personeel tussen publieke en private sector (5).

Als reactie op de zogeroemde superieure dynamiek van de Amerikaanse economie, of op de Thatchers aanpak van de ‘Britse ziekte’ wijst Chang op de negatieve uitkomst van dergelijke doorgedreven privatiseringen. Hij toont ook aan (het voorbeeld van de twee snelst groeiende economieën in de periode na 1990, Finland en Noorwegen) dat groeiende economie en een omvangrijke verzorgingsstaat perfect samen kunnen gaan.

Ook over inflatie vind je een verhelderende visie. Chang constateert een obsessie van de vrijemarkteconomen voor inflatie. Sinds de jaren tachtig hebben zij de wereld ervan overtuigd dat  koste wat het kost dient gestreefd te worden naar economische stabiliteit die dan gedefiniëerd wordt als zeer lage (6) inflatie, want inflatie is slecht voor de economie. Dit excessief anti-inflatiebeleid bleek niet alleen schadelijk voor investeringen en groei, het creëerde ook een valse stabiliteit. Zo is de wereld in de afgelopen drie decennia met een streng anti-inflatiebeleid instabieler geworden, in die zin dat het aantal en de omvang van financiële crises is toegenomen.

Chang toont aan dat het beleidspakket van de vrije markt, vaak aangeduid als het neoliberale beleidspakket, vooral nadruk legt op lagere inflatie, grotere kapitaalmobiliteit en grotere baanonzekerheid (eufemistisch een flexibeler arbeidsmarkt genoemd), en in essentie is afgestemd op de belangen van de bezitters van financiële activa.

Het boek wijst ook op de ernstige gevolgen van overdreven orthodoxie tegenover inflatie. Hij haalt hierbij het Duitse voorbeeld aan als gevolg van Wereldoorlog I. Toen Duitsland was achterop geraakt bij de herstelbetalingen bezetten Franse en Belgische troepen het Duitse Ruhrgebied, om hun herstel te krijgen in goederen als steenkool en staal in plaats van in waardeloos papier, waarvan de waarde snel verder zou slinken. Uiteraard liep na deze bezetting de Duitse inflatie volledig uit de hand en de prijzen stegen nog eens met een factor 10 miljard (miljard ja, niet duizend of zelfs miljoen) totdat in november 1923 de Rentenmark werd ingevoerd.

De Duitse hyperinflatie heeft diepe en blijvende sporen achtergelaten in het verloop van de Duitse en de wereldgeschiedenis. Sommigen beweren, op goede gronden, dat de hyperinflatie de voedingsbodem vormde voor de opkomst van de nazi’s. Wie deze visie onderschrijft zegt impliciet dat de Duitse hyperinflatie van de jaren twintig één van de voornaamste oorzaken was van de Tweede Wereldoorlog. Het Duitse trauma van de hyperinflatie was van dien aard dat de Bundesbank van na de Tweede Wereldoorlog vermaard werd vanwege zijn buitensporige afkerigheid om het monetaire beleid te versoepelen. Zelfs na de geboorte van de euro, en de facto de opheffing van nationale centrale banken in de eurozone, heeft de invloed van Duitsland ervoor gezorgd dat de Europese Centrale Bank, zelfs in tijden van hardnekkige hoge werkloosheid, vasthield aan dit restrictief monetair beleid, totdat de financiële wereldcrisis van 2008 haar ertoe dwong samen met andere centrale banken wereldwijd over te gaan tot een ongekende verruiming van het monetair beleid.

Chang heeft het in zijn boek ook over Afrika. Vooreerst rekent hij af met een aantal ‘structurele factoren’ die steevast gebruikt worden om de economische impasse te verklaren : ongunstig klimaat, ongelukkige geografie, gebrekkige instituties, ongunstige cultuur… Voor hem is de werkelijke oorzaak van de stagnatie van Afrika in de afgelopen drie decennia  het vrijemarktbeleid dat het werelddeel  gedurende deze periode gedwongen werd te implementeren.

Na een periode (1960 tot 1980) van redelijke groei werden sinds het eind van de jaren zeventig (te beginnen met Senegal in 1979) de landen van Afrika bezuiden de Sahara gedwongen een beleid van vrije markten en vrijhandel door te voeren, onder de condities die werden opgelegd door de zogeheten Structurele Aanpassingsprogramma’s (SAP’s) van de Wereldbank en het IMF (en de rijke landen die het daarin uiteindelijk voor het zeggen hadden). Met als gevolg dat, bijna dertig jaar van ‘beter’ (dat wil zeggen vrijemarkt-) beleid, het inkomen per hoofd vrijwel op hetzelfde niveau ligt als in 1980.

De structurele factoren zijn eigenlijk alleen maar door vrijemarkteconomen bedachte uitvluchten. Toen ze zagen dat het beleid dat ze voorstonden niet tot mooie resultaten vermocht te leiden, moesten ze andere verklaringen vinden voor de stagnatie in Afrika (of zelfs terugval als je de groeipiek van de laatste paar jaar, als gevolg van de grondstoffenhausse die al weer is afgelopen buiten beschouwing laat). Voor hen was het ondenkbaar dat dit correcte beleid kon falen.

Als men de 750.000 met de hongerdood bedreigde Somaliërs en de bevolkingsgroepen die op de vlucht zijn voor de extreme droogte en de voortdurende gevechten (7) bekijkt vanuit dit economisch falen, kan men zich terecht afvragen of er niet enige andere prioriteiten dienen gelegd in Den Haag (8). Een gedachte die ook opkomt, geconfronteerd met de één miljoen oorlogsslachtoffers van de oorlogen in Irak en Afghanistan.

Ik realiseer mij nu, beste Benoît, dat mijn briefje wat uit de hand is gelopen. En dan hebben wij nog geen alinea aan de milieuproblematiek besteed (9). Duidelijk wordt in alle geval het zeer relatieve belang van onze nationale politieke spelletjes (op ‘t eerste gezicht : ze zijn weer goed bezig). Het enige positieve dat je ervan kan zeggen is dat we mekaar nog niet de kop hebben ingeslagen. Maar ook dat is eigenlijk niet meer dan een schrale troost, wat denk je zelf ?

Met hartelijke groet.

(1) Benoit Poelvoorde, acteur en regisseur, schaarde zich op 12 januari achter de actie van Nicolas Buytaers, RTL journalist, die zich niet meer gaat scheren tot een nieuwe regering in België de eed aflegt.

(2) Er was in zijn tijd nog legerdienst. Twaalf maanden zelfs. Ik zou hem daarom niet direct verdenken militarist te zijn.

(3) Waarin de media hun rol van great communicator jarenlang met de meest toegewijde deskundigheid hebben gespeeld.

(4) ’23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme’, van econoom Ja-Joon Chang verscheen in 2010 bij Nieuw Amsterdam (ISBN 978 90 468 20247 2)

(5) Heb je ook de indruk dat de Vlericksen en andere denktanken wat van hun pluimen hebben verloren ?

(6) Idealiter 0 procent. De inflatiedoelstelling ligt ergens tussen 1 en 3 procent, naar de aanbeveling van Stanley Fischer, voormalig hoogleraar economie aan het MIT en chef-econoom van het IMF tussen 1994 en 2001.

(7) Zie hiervoor het artikel van Jan Van Criekinge elders op deze website.

(8) Het Internationaal Strafhof bevindt zich eens te meer op veilige bodem (heeft Nederland altijd al niet mooie banden kunnen voorleggen met het land van Peter Stuyvesant?). We hadden het hoger al over Wereldbank en IMF. Er zijn dus wel wat vragen rijzen bij de eerbiedwaardige Internationale Instellingen van Ban Ki-moon en Co.

(9) Horen wij Rick Perry, Texaanse (niets dan goed over deze regio) gouverneur en ernstige Republikeinse presidentskandidaat in de VS voor 2012, niet zeggen dat hij tegen maatregelen is om de CO2 uitstoot in te perken? “Een hypotheek voor onze economische toekomst”, oreert hij. Perry trekt, samen met zijn illustere Texaanse voorganger, ook het verband in twijfel tussen de opwarming van de aarde en broeikasgassen.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!