Boekrecensie -

Joël De Ceulaer is niet de vriend van de democratie

Met 'Hoera! De democratie is niet perfect' probeert Joël De Ceulaer een lans te breken voor de democratie. Helaas gebeurt het tegendeel. Thomas Decreus legt uit waarom.

maandag 7 oktober 2019 16:57

Wat is filosofie? Die vraag probeerden de Franse filosofen Gilles Deleuze en Felix Guattari te beantwoorden in het in 1991 uitgebrachte Qu’est-ce que la philosophie? Hun antwoord was zowel verrassend als bedrieglijk eenvoudig. Filosofie, zo stelden ze, heeft in weerwil van wat vaak wordt aangenomen, niet de taak om oplossingen te bedenken voor complexe problemen of om antwoorden te bieden. Het is net andersom. Filosofie creëert problemen en crisissen waar er aanvankelijk geen waren.

Ook al lijkt deze visie op filosofie op het eerste zicht niet vanzelfsprekend, als we een snelle blik werpen op de geschiedenis van de filosofie dan is het moeilijk om Deleuze en Guattari geen gelijk te geven. Wat deed Socrates anders dan wat schijnbaar evident was te bevragen tot het niet langer vanzelfsprekend was en een filosofisch probleem werd? Of denk aan Descartes, de man die al zijn waarnemingen in vraag trok tot op het punt dat hij niks nog met zekerheid kon beweren. En Marx, die van het kapitalisme een economisch, filosofisch en politiek probleem maakte. Een filosoof is iemand die problemen creëert en wat een filosoof interessant maakt is de manier hij of zij een eenvoudige werkelijkheid oneindig complex kan maken, aldus Deleuze en Guattari. Dat is het criterium om kwalitatieve filosofie van oppervlakkige meningen te kunnen onderscheiden.

Als we het criterium van Deleuze en Guattari aanwenden om het soortelijke gewicht van het nieuwe boek van Joël De Ceulaer te bepalen dan kunnen we dat bezwaarlijk filosofisch noemen. Nu goed, Joël De Ceulaer heeft natuurlijk niet de pretentie om zich te profileren als filosoof. D’accord. Maar de hele inzet van het boek bestaat erin om aan te tonen dat de problemen die politieke denkers ontwaren eigenlijk geen problemen zijn. Dat is een leuk motiefje, en soms schiet je er ook mee raak. Maar als dit het uitgangspunt wordt om een boek van een kleine driehonderd bladzijden aan vast te hangen, snap je niet waar het in politieke filosofie en democratietheorie om draait.

Democratie wordt immers vanuit theoretisch en filosofisch oogpunt pas interessant wanneer een bepaald aspect ervan wordt geproblematiseerd. Zeker, die problematisering kan soms hyperbolisch of eenzijdig bevonden worden, maar dat is vaak nodig om iets te kunnen zien. Kritiek ontstaat dankzij de problematisering van wat evident lijkt. Geen kritiek zonder crisis dus. Maar dat idee gaat er bij De Ceulaer moeilijk in. Volgens hem zijn de meeste critici van de democratie, irrationele doemdenkers. Doemdenker bij uitstek is David Van Reybrouck die “zo laatdunkend schrijft over het moment waarop wij als burgers de mensen kiezen die ons vertegenwoordigen” dat hij volgens De Ceulaer “flirt met de engste anti-democratische tendensen die de geschiedenis ooit heeft gekend”. Slik.

Modegril

Intellectuele tegenstrevers wegzetten als doemdenkers komt niet alleen neer op een miskenning van waar het in het denken om draait, het betreft ook altijd een poging om de tegenstrever de legitimiteit te ontnemen en zichzelf op het schild van de Redelijkheid te hijsen. Vanop dat schild ziet De Ceulaer het als zijn taak om “tegen het doemdenken in, het positieve te zien.” Hiermee volgt hij een bepaalde modegril ter rechterzijde van het politieke-intellectuele landschap die haar raison d’être haalt uit het aantonen dat tegenstrevers op irrationele wijze pessimistisch zijn. Grote roerganger van deze stroming is natuurlijk Steven Pinker die het als zijn levenswerk ziet om met tonnen omstreden cijfermateriaal en een stevige dosis ideologisch beladen axioma’s aan te tonen dat de wereld nog nooit zo’n vredige en fijne plek was om te vertoeven als vandaag. In Vlaanderen werd dit vrolijke optimisme geïmporteerd door Maarten Boudry wiens De wereld is nog niet naar de knoppen kan gelezen worden als een Nederlandstalig doorslagje van het werk van Pinker. De Ceulaer is het doorslagje van het doorslagje. Hij doet wat Pinker en Boudry doen, maar dan op het gebied van democratietheorie.

Eén van de cruciale problemen met de school van Pinker is dat het een antifilosofie is. Iedere fundamentele kritiek van het bestaande wordt weggezet als irrationeel en gesmoord in het bedwelmend parfum van een verplicht optimisme. Geen wonder dat de conclusies die uit deze school voortkomen steevast neerkomen op een rituele bevestiging van de bestaande orde. Het absolute tegendeel van problematisering dus. Ook bij De Ceulaer zien we dat patroon terugkeren. Na tweehonderdvijftig pagina’s betoog wordt de lezer deze banale conclusie voorgeschoteld: “Mijn voorlopige slotsom is relatief simpel. Ik zie geen enkele reden om de representatieve democratie zoals we die kennen, revolutionair te hervormen, aan te vullen met of te vervangen door andere systemen die de wil van het volk aan het licht kunnen brengen.”

Toch zou het te makkelijk zijn om Pinker en zijn Vlaamse epigonen te begrijpen als loutere verdedigers van de bestaande orde. Hun defensieve optimisme heeft ook een offensieve kant. Pinker is een vurige verdediger van de vrije markt en het kapitalisme. In zijn werk steekt hij veel energie in het bestrijden van wat hij ‘politieke correctheid’ en ‘social justice warriors’ noemt. Hij is iemand die zich uitdrukkelijk inschrijft in een liberale traditie en wil het bestaande ook vormgeven vanuit die traditie. Dit laatste geldt evengoed voor De Ceulaer. Hij treedt in zijn jongste boek duidelijk naar voor als liberaal door krek dezelfde geschiedenisopvatting als Pinker te reproduceren: “Het trio vrije markt, wetenschap en liberale democratie bezorgde ons respectievelijk welvaart, kennis en vrede.”

Voor alle duidelijkheid, het is natuurlijk perfect legitiem om een bepaalde ideologische positie in te nemen. De vraag is of het mogelijk is om iets zinnigs te zeggen over politiek zonder zelf van een ideologisch-politieke positie te vertrekken. Ik denk het niet. Denken over politiek betekent altijd ook een stap in de politiek zetten. Dat De Ceulaer zich tot een liberalisme à la Pinker bekent, hoeft niet per se het object van kritiek te zijn. Wat ik wel wil bekritiseren is het vertekende beeld van de democratie dat door dit soort liberalisme wordt gecreëerd.

Vreemde kronkels

Ondanks het feit dat De Ceulaer vertrouwd is met het werk van auteurs als Chantal Mouffe en Carl Schmitt, herhaalt hij de klassieke fout van iedere liberaal: politiek wordt los van het concept macht gedacht. In het boek van De Ceulaer verschijnt de samenleving als een vlakke ruimte waarin individuen bestaan die van mening kunnen verschillen, kunnen botsen met elkaar en lang niet dezelfde preferenties hebben maar waartussen geen grote, structurele machtsongelijkheden bestaan. De democratie is volgens De Ceulaer slechts “een systeem dat mensen met verschillende wensen, ideeën, verlangens en temperamenten in staat stelt om vreedzaam te leven.”

Het is een opvatting over democratie die geheel analoog is met de manier waarop het liberalisme de vrije markt begrijpt. Ook de vrije markt is volgens de liberaal slechts een middel om mensen met verschillende economische behoeften en specialisaties op vreedzame wijze met elkaar te verzoenen. Wat in de liberale conceptie van zowel markt als democratie ontbreekt, is het idee van een reële machtsongelijkheid. Slechts een minderheid van wie zich in een vrije markt bevindt, is daadwerkelijk vrij. Voor de meerderheid is een vrije markt een systeem van abstracte dwang. Op een zelfde manier gaat het in een democratie niet over het beheersen van een conflictualiteit die voortkomt uit psychologische verschillen tussen individuen, maar wel over het vormgeven van een machtsstrijd tussen groepen. Een strijd die voortkomt uit oorspronkelijke ongelijke machtsverhoudingen die heersen binnen de samenleving.

De Ceulaer slaagt er op geen enkel moment in om die machtsverhoudingen als startpunt voor reflectie te hanteren. Dat leidt tot vreemde kronkels. In navolging van Gwendolyn Rutten en andere liberale coryfeeën schaart De Ceulaer zich bijvoorbeeld achter het idee dat de liberale democratie een superieur systeem is. Hij verbaast zich erover dat ‘progressieve mensen’ die these bekritiseren. Want, zo stelt hij, “op dit moment ken ik geen systeem waarin ik liever zou leven”. Dat klopt. Voor een witte, goed betaalde senior writer in Vlaanderen anno 2019 is dit politiek systeem gul en is het niet zo makkelijk om een beter alternatief te verzinnen. Maar of de liberale democratie superieur is, hangt volledig af van de machtspositie die binnen dat systeem wordt ingenomen. De liberale democratie – of ‘ons systeem’ – superieur noemen, betreft een veralgemening van een geprivilegieerde positie binnen dat systeem en miskent de systematische exclusies op basis van klasse, gender en kleur die liberale democratieën vanaf het prille begin doelbewust gereproduceerd hebben.

Nog een ander voorbeeld? In het eerste hoofdstuk verdedigt De Ceulaer de stelling dat democratie nogal wat boosheid opwekt. Hij ziet boosheid – opnieuw – als een soort psychologische reactie op het feit dat de democratie onbevredigend is en niet als een politieke uiting. De boosheid van mensen die dagelijks lijden onder racisme wordt bijvoorbeeld op gelijke hoogte gesteld als de boosheid van witte supremacisten tegenover vluchtelingen. Maar de boosheid van de één is een reactie op een structurele machtsongelijkheid, terwijl de boosheid van de ander dat structureel machtsevenwicht net in stand houdt. Die twee vormen van boosheid gelijkstellen, kan enkel wanneer je abstractie maakt van reëel bestaande machtsverschillen. Eenmaal je van die reële verschillen vertrekt, wordt de vergelijking absurd.

Nog één voorbeeldje om het af te leren. De Ceulaer probeert in zijn boek een heel scherp onderscheid te maken tussen wetenschap en democratie. “Een democratisch debat”, zo poneert De Ceulaer, “kan in principe eeuwig blijven aanslepen, een wetenschappelijk debat kan worden afgesloten. Het zijn twee verschillende werelden en systemen. De democratie laat ons toe om vreedzaam samen te leven, ondanks onze diepe meningsverschillen, de wetenschap is een systeem om aan waarheidsvinding te doen.” Zo’n scherp onderscheid tussen democratie en wetenschap is enkel mogelijk wanneer de innige band tussen wetenschap en macht ontkend wordt. Nochtans is het een historisch feit dat moderne wetenschap vanaf zijn prille bestaan nauw heeft samengehangen met de ontwikkeling van zeer specifieke vormen van macht. Denk bijvoorbeeld aan de manier waarop het tot stand komen van de statistiek, economie, fysica of chemie samenvielen met nieuwe technieken om de bevolking te organiseren, collectief gedrag te sturen en het ontwikkelen van nieuwe machines, wapens of opsporingstechnieken. Dat wil niet zeggen dat wetenschap een louter verlengstuk is van de macht, maar wel dat er een complexe relatie bestaat tussen wetenschap en macht. Er zit heel wat wetenschap in de politiek en heel wat politiek in de wetenschap. Dat ontkennen om een normatief onderscheid tussen wetenschap en politiek ingang te laten vinden, kan enkel door het bestaan van macht vlak af te ontkennen – en dus de realiteit zelf te negeren.

In de schoot van revoluties

Wie niet in staat is macht te zien, is evenmin in staat om strijd te zien. Strijd is nochtans cruciaal want het is de manier waarop machtsverhoudingen kunnen gewijzigd worden. Vrijwel alle grote emancipatorische veranderingen, alle vormen van verdere democratisering van de democratie, zijn het resultaat van strijd. De uitbreiding en veralgemening van het stemrecht, het tot stand komen van sociale rechten, de legitimiteit van vakbonden, het einde van de segregatie en apartheid, de democratisering van het onderwijs en talloze andere verworvenheden werden niet gerealiseerd door braafjes om de zoveel jaar naar de stembus te trekken. Ze zijn het gevolg van vooral buitenparlementaire strijd. Op de werkplaats, op de straten, in de families, in de kerken en in de scholen.

Mensen die omwille van klasse, kleur, gender, herkomst of geaardheid uitgesloten werden van de demos, hebben hun rechten opgeëist door zichzelf kenbaar te maken, zich te organiseren en soms – letterlijk – een strijd op leven en dood te voeren om machtsverhoudingen in hun voordeel om te buigen. Maar voor die historische realiteit is geen enkele plaats in Hoera! De democratie is niet perfect. Volgens De Ceulaer zijn emancipatorische overwinningen geen politieke maar ‘morele overwinningen’ die het gevolg zijn van een zeker voortschrijdend inzicht dat ontstaat door ‘botsende ideeën’. Het klinkt als een mooi sprookje en dat is het ook, want die verklaring heeft geen enkele pendant in de historische realiteit.

Het achterwege laten van de notie strijd verklaart waarom in De Ceulaers versie van de democratie geen plaats is voor wat in Vlaanderen het middenveld wordt genoemd: dat gebied tussen individu en staat waarin mensen zichzelf organiseren en (tegen-)macht weten op te bouwen. In de democratie van De Ceulaer hebben vakbonden, ngo’s of drukkingsgroepen nauwelijks democratische legitimiteit. Enkel verkiezingen zijn volgens De Ceulaer het geijkte instrument om machtsverhoudingen te herscheppen. Op die manier wordt het kloppende hart van de democratie miskend. Zoals de Franse filosoof Claude Lefort het ooit prachtig verwoordde: […] de eigenlijke bron van de democratie zijn de eisen en het verzet van zij die uitgesloten zijn van de voordelen van de democratie”. De kern van de democratie is daarom dus geen institutie en geen procedure, maar een zich steeds herhalende act waarbij rechten, vrijheden en waardigheid worden opgeëist door zij die daar niet van kunnen genieten.

De geschiedenis van de democratie is in dat opzicht niet (alleen) de geschiedenis van parlementen en ronkende verklaringen maar evengoed, en misschien vooral, de geschiedenis van boerenverzet tegen feodale heren, van stedelingen tegen vorsten, van levellers en diggers tegen enclosures, van inheemse volkeren tegen kolonisatoren, van slaven tegen plantagehouders, van arbeiders tegen kapitalistische uitbuiting, van vrouwen tegen patriarchale structuren, van mensen van kleur tegen racisme in al zijn vormen. Democratie is ontstaan in de schoot van revoluties en vindt zichzelf steeds opnieuw uit in alle strijden die vrijheid en gelijkheid als vertrek- en eindpunt vooropstellen. De democratie bewaken betekent in de eerste plaats de ruimte bewaken en vrijwaren die deze strijd mogelijk maakt. Wat De Ceulaer doet komt eigenlijk neer op het tegendeel ervan. Zijn boek is een onbeschaamd pleidooi voor het primaat van de politiek en leunt dichter aan bij een ondemocratische traditie dan hij zelf kan vermoeden.

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!