Sihame El Kaouakibi: Een visie op lange termijn

Sihame El Kaouakibi: Een visie op lange termijn

Belgen met andersculturele roots werken al langer aan de superdiverse samenleving. Sinds het maatschappelijk trauma in Parijs worden ze vaker betrokken in het debat.In de lente van vorig jaar hadden wij al een interview met Sihame El Kaouakibi. Met 'Let's Go Urban' helpt ze jongeren op weg.

donderdag 22 januari 2015 18:46



Sihame El Kaouakibi – Foto © Studio Schrever

Met haar project ‘Let’s Go Urban’ dat ze in 2009 opstartte,
drukte ze een meer dan ongewone stempel op de grootstedelijke jeugdcultuur van
Antwerpen, ze behaalde er in 2011 de Cultuurprijs voor én werd even later -op
haar zesentwintigste!- uitgenodigd voor een TedX-toespraak. 

‘Op m’n eenentwintigste, na mijnstudies voor onderwijzeres, begon ik aan ‘Let’s Go Urban’, waarmee ik jongeren
wilde aanspreken en hen tools aangeven om zich te ontwikkelen in een diverse
samenleving. Het onderwijs was daarin beslist mijn inspiratie maar tegelijk ook
mijn frustratie. Want het voldoet geenszins aan de grootstedelijke context en
is te veel gericht op cognitie zonder uit te gaan van de persoonlijke talenten
van jonge mensen. Daardoor maakt het onderwijs al een rangschikking van mensen
op basis van kennis, wat een kortetermijnvisie is. En dat kan volgens mij niet
de bedoeling zijn van het onderwijs dat jonge mensen net middelen moet
aanreiken om zich volledig te kunnen ontplooien tot waardevolle individuen en
zich te integreren in een veranderende maatschappij. Komt daarbij nog het
integratiebeleid dat een evenzo kortetermijnvisie heeft, waarin de focus wordt
gelegd op mensen met een exotisch kleurtje, een andere religie of een vreemde
taal. Dit alles in combinatie met mijn
eigen jonge ik die deel uitmaakt van de nieuwe jonge generatie, ging ik me
afvragen wat ik daaraan dan zou kunnen helpen veranderen. Ik zag in dat er een
langetermijnvisie ontbrak. 
Langs de ene kant wilde ik niet in
het onderwijs gaan, maar ik wilde wel maar al te graag een andere aanpak
stimuleren en niet aan de zijlijn blijven staan. Maar ik wilde dat kunnen doen
als autonome partner van het onderwijs, van het beleid, van de cultuursector.’
Mogen we daaruit begrijpen dat u wat
anders wilde bereiken dan wat de gevestigde instellingen beogen?

‘Goh, ‘anders’ dan bedoeld als dat
ik vooral wil tegemoet komen aan de noden van vandaag. Ik stel vast dat veel
organisaties zijn blijven steken in de tijd zonder mee te evolueren in die
voortdurend veranderende maatschappij. In het middenveld -de culturele sector,
de welzijnssecor..- zijn er wel positieve signalen maar de demografie is zo
veranderd dat ook de visie moet blijven mee veranderen en dat zag en zie ik
niet genoeg gebeuren.
De nieuwe generatie is blijven
veranderen net als de demografie. Het beleid moet meer gaan over doorstroming.
Terwijl het in die instellingen nog te vaak gaat over behoudsgezindheid en
cijfers, waardoor ze jongeren wel op een traject op weg helpen, maar daar dan
niet verder kunnen in gaan. En dat is net wat nodig is, dat elke persoon de
kans krijgt om door te stromen naar verdere ontwikkeling. Die stap ontbreekt
vaak in vele organisaties. Het is een moeilijke stap, maar het is beslist
mogelijk.

Authenticiteit

Wat ontbreekt er dan aan veel van zulke
initiatieven?

Het grote probleem is dat we teveel
in hokjes blijven denken. Ook het beleid denkt teveel in hokjes, zodat
doorstroming moeilijk wordt. We moeten écht out of the box denken en gaan voor doorstroming. Anderzijds wordt er ook teveel
gesproken over de thema’s: we spreken over de diversiteit, maar we zijn het
niet. Bovendien zijn we ook een bange
samenleving die liever geen uitblinkers ziet, wat ook een gevolg is van dat
denken in hokjes. Iedereen die boven de lat heen groeit is eigenlijk te
ambitieus voor Vlaanderen.
Daardoor rendeert de investering
niet: we helpen mensen wel op een traject, maar daar stopt het te vaak. Dat is
een discripantie, een gemiste kans in al de talenten die we in huis hebben, en
daar heb ik het moeilijk mee. ie investering kan meer renderen
als we niet zo versnipperd zouden werken, maar meer met een visie op lange termijn
en met ambitie om het potentieel in de rijke regio die Vlaanderen is, ten volle
tot ontwikkeling te brengen. Daarin kan elke organisatie haar autonomie
behouden, maar met eenzelfde duidelijke visie op lange termijn.
Daarom ben ik voorstander van grass-roots
organisaties zoals Let’s Go Urban, die van onderuit groeien en die niet
geïnstitutionaliseerd worden, bottom-up, waarin elk individu de kans krijgt
talenten te ontwikkelen. In onze organistatie doen we dat rond dans en urban
culture, maar dat kan vanuit elke ander thema zoals een bepaalde sport of een
specifieke cultuur of ethnie. Als het maar authentiek blijft waarin elkeen zich
ten volle kan ontwikkelen tot een onmisbare persoon die zijn of haar
verantwoordelijkheid neemt in de maatschappij.
Heeft u daarvan dan concrete voorbeelden
gezien in andere landen of culturen?

Die vraag wordt me vaak gesteld,
maar het antwoord is neen. Vanuit andere landen vragen ze het me ook wel ‘s hoe
ik het project heb opgebouwd, maar zelf heb ik geen inspiratie geput uit het
buitenland.
Mijn boek #believe (Uitg. Lannoo,
red.) is een naslagwerk van de voorbije vijf jaar waarin ik het project vorm
gaf, vanuit mijn eigen ervaring en beleving in onze samenleving, over de
confrontatie die ik als persoon en als organisatie dagelijkse meemaak.
In die vijf jaar ben ik natuurlijk
ook zelf veranderd, ik ben harder geworden en ook zakelijker, omdat ik vlug
inzag dat dat nodig was om hierin vooruit te raken. Waardoor ons project veel
betere groeikansen had, omdat we niet enkel op subsidies bouwen. Wij passen
niet in dat hokje van de subsidies.
Het boek, dat als draaiboek voor dit
project dient, kan zeker vertaald worden naar andere grootsteden maar het is
zeker geen copy-paste verhaal, omdat de context altijd anders is.
Ik ga ook vaak naar Amerika waar het
onderwijs er veel slechter aan toe is dan hier en er een totaal andere
mentaliteit heerst: Let’s Go Urban zou daar ook antwoorden kunnen bieden maar
kan er zeker niet letterlijk toegepast worden.’
Het was m.a.w. hard werken om het
project gevestigd te krijgen temidden van de bestaande diensten en
instellingen?

‘Het zijn vijf harde jaren geweest
en het blijft hard werken. We moeten waakzaam blijven. Het wordt niet altijd in
dank afgenomen dat we het anders aanpakken. We moeten ons mannetje staan, dat
is zeker.
En in die eerste jaren heb ik
geleerd me hard op te stellen om in te gaan tegen behoudsgezinde mensen en
instellingen opdat ze me niet zouden claimen of over me heen zouden lopen.
Zeker wel. Ik stond er alleen voor en moest meteen m’n stanpunt blijven
benadrukken, want je bent te anders en schopt daarin ook wel ‘s tegen schenen.
Mijn visie is dat het anders moet.
En dat maakt sommige mensen wel bang.
Als nieuwe generatie zijn we het beu
en we willen het anders, dus moeten we zelf het heft in handen nemen.
Uiteraard ga ik ook veel met
bedrijven, beleidsmakers en politici praten, om een dialoog op gang te brengen
die het project kan vooruit helpen. Dat is een andere missie van mij, om zoveel
mogelijk mensen te bereiken met die visie van de nieuwe generatie en daarvoor
ga ik graag op pad.’
Hoe kan die dialoog concreet helpen om
het project vooruit te stuwen?

‘Wel, zeker in de privésector, die
allang zit te wachten op een project dat authentiek is en onafhankelijk van de
overheid, krijg ik veel gehoor en dat opent deuren.
Het verschil zit er ‘m ook in dat we
het ook doen: we praten niet alleen over een visie hoe het moet, we voeren het
ook uit, het project is er. Net als het boek niet een aframmelen van een
strategie is, maar een concrete casus hoe die uitgebouwd is.
Dat bevordert natuurlijk de
geloofwaardigheid van ons project. En dan mogen academici er zoveel over praten
als ze willen, hier kunnen ze meteen komen meedraaien, wat een totaal ander
gegeven is. Laat hen maar ‘s komen proberen in het leven van alledag zoals we
het hier meemaken. Dat is iets heel anders.’

Wij/zij

Is de
superdiversiteit van de organisatie een bewuste keuze?

‘De hele bonte mix van de
maatschappij is hier inderdaad vertegenwoordigd. Ik wil niet dat we ons enkel
zouden gaan richten naar kansarme jongeren, of mensen met een andere culturele
achtergrond zoals ikzelf: hier zijn zowel mensen die nieuwe kansen nodig hadden
als mensen uit de rijkere middenklasse. Het mag geen verenging zijn van enkel
mensen uit de golf-club, net zoals het geen samenbrengen mag zijn van
uitsluitend mensen met Arabische roots die het alleen maar over de organisatie
in de moskee zouden hebben. Dat is geenszins de bedoeling.
De publieke opinie denkt dat wel
vaak, dat we ons enkel richten naar kansarme jongeren, maar dat is dus niet zo.
Uiteraard zijn die er, maar ik zal me nooit richten naar één groep omdat ik die
mensen daarmee niet vooruit help. Net integendeel is het heel belangrijk dat
zij in contact komen met andere netwerken, met andere mensen. En ook net
andersom, kunnen mensen uit de rijkere klasse ook beter mensen in armoede leren
kennen als evenwaardige mensen. Het is een heel realistische context, waarin
niet enkel een klasse mensen aanwezig zijn. En dat is heel belangrijk.’
Kan uw initiatief
het denken in termen als wij/zij doorbreken?

‘Ik denk het wel, doordat ik ervoor
kies om niet te investeren in dertigers, veertigers of vijftigers, waar te vaak
nog dat wij/zij denken heerst. Net integendeel investeer ik in jongeren, van
zes tot dertig jaar, die niet in die termen denken. Zij denken niet na over
superdiversiteit, zij zíjn dat gewoon.Door evenementen te organiseren voor
een publiek waar alle mensen vertegenwoordigd zijn, maken wij daarin het
verschil. Op de voorstelling van ‘Shakespeare in Love’ (dansvoorstelling van
Let’s Go Urban die momenteel loopt in Culturele Centra in Antwerpen, red.)
vorige zaterdag in de Bourla Schouwburg in Antwerpen, zaten zowel minister
Turtelboom als the sweet
kids around the corner
, om het zo te zeggen. Iemand merkte ook op dat het
ongezien was om zoveel jongeren te zien staan drummen om de Schouwburg binnen
te raken. Je kan jongeren dus wel bereiken, maar je moet er als organisator
iets voor over hebben en hen iets aanbieden dat hen aanspreekt.’
U heeft het ook moeilijk met
subsidiëring. Hoezo?

‘Subsidiëring is heel gericht op
hokjesdenken: ofwel jeugd, ofwel cultuur ofwel welzijn. Wij starten vanuit
jongeren, maar richten ons zowel op jongeren als op welzijn, als op cultuur,
als op onderwijs en zelfs op ondernemen want we zorgen ook voor een
doorstroming in het werkveld. Onze organisatie valt niet onder een enkele
noemer. Er is geen eenzijdige visie. Ook niet die van diversiteit.
Het is ook een fout uitgangspunt is
om aparte subsidies te gaan bedenken voor diversiteit. Als organisatie bén je
dat, je neemt je verantwoordelijkheid als organisatie en dan ga je ervoor om
dat te bereiken.
Extra geld krijgen omdat je je richt
op kansarmen of allochtonen, dat is misbruik maken van heel veel mensen.
Op een bepaald ogenblik was het
inderdaad hoog tijd om vanuit het beleid budgetten te gaan voorzien voor
diversiteit en integratie, maar we zijn nu meer dan tien jaar verder en dan is
het heus nodig om dat te herzien zodat het kan renderen. En dat kan niet in
hokjes, het moet overkoepelend gebeuren. Wat hebben die organisaties die al
tien jaar die subsidie gebruiken intussen bereikt? Kan iemand mij de resultaten
daarvan tonen? Neen, want die zijn er niet.
Diversiteit moet als geheel
beschouwd worden en niet in een hokje.
Integratie kijkt teveel naar kleur
en taal, en dat is niet goed. Integratie moet zich ook richten op de oudere
Vlaamse burger die het moeilijk heeft met de veranderende maatschappij. Anders
is het weggegooid geld, waar veel betere initiatieven mee ondersteund kunnen
worden, waar integratie inherent deel van uitmaakt maar waarmee nog veel meer
doelstellingen kunnen bereikt worden.’ 

Urban Culture

Was het een grote stap om vanuit Boom
waar u opgroeide naar Antwerpen te komen?

‘Boom is een kleine gemeente,
terwijl de grootstad een bruisende en dynamische omgeving is. Ikzelf ben zelf
ook heel dynamisch, dus voelde ik me meteen thuis in de stad. Het is een
perfecte match.
Vanuit ieder ander land terug
thuiskomen in Antwerpen is gewoon zalig. Dan weet ik dat ik thuis ben.’ (ze glimlacht)
Hoe reageerde uw eigen familie en
omgeving op uw plannen voor Let’s Go Urban (LGU)?

‘Ik ben de tweede jongste uit een
gezin van zeven kinderen, waar studie en carrière niet echt belangrijk zijn.
Als enige in het gezin ben ik gaan verder studeren en heb ook nog een eigen
bedrijf opgericht (A Woman’s View dat o.m. Let’s Go Urban uitbouwt, red.), dus
dat was eerst een beetje schrikken voor mijn ouders. Ze zien wel dat die vijf
voorbije jaren me veranderd hebben. Ook mijn broers en zussen merken dat: ze
zien me opduiken in alle media, wat ook wel impact heeft op mijn privé-leven.
Mijn jongere broer Youssef werkt mee
in de dansproducties en in het bedrijf, wat een heel fijne ervaring is. We
vormen een goed team: hij is heel verschillend waardoor we prima op elkaar
kunnen inspelen. Door als broer en zus samen te werken maken we beslist ook
binding met de rest van de familie. Zij volgen ons enthousiast en bewonderend
op. En dat doet deugd natuurlijk.
Maar het is niet zo dat die
ondernemersmentaliteit al aanwezig was in onze familie.’
Kon u snel gehoor krijgen bij de
jongeren?

‘Jawel, het was ook meteen
vernieuwend en uitdagend. De jongeren hadden meteen iets van ‘hier worden we
naar waarde geschat’ en daarin wilden ze maar al te graag mee. Ze zagen ook dat
er doorstroming was naar andere sectoren zowel in de bedrijfswereld als in het
onderwijs. En dat zijn mooie perspectieven voor jonge mensen. Die perspectieven werden meteen
vanaf de eerste dag meegegeven: dat was wat de jongeren heel gericht aansprak.
Intussen hebben we veertig
ambassadeurs, mensen die van onderuit zijn doorgestroomd en die onze visie
blijven uitdragen in andere sectoren. Sommigen hebben niets meer met LGU te
maken maar houden contact met ons en blijven dankbaar voor de kansen die ze
hier kregen om zich verder te ontwikkelen. Dat is voor het leven, die erkenning
blijft.’
Met hoeveel mensen werkt LGU?
‘In LGU werken we met een veertigtal
groepen, 800 jongeren per week, plus ook nog 1500 kinderen op vijftien scholen
per week. Maar we blijven een kleine organisatie.’
Waarin verschilt LGU met de commerciële
dansprogramma’s?

‘LGU is verschillend omdat we geen
dansschool zijn; we werken aan individuele ontwikkeling. We doen geen
copy/paste met de visie van de dansleraar.
Dans is altijd mijn persoonlijke
interesse geweest. En we kozen ervoor om dat uit te bouwen in die Urban Culture
omdat dat een samensmelting is van al wat met creativiteit te maken heeft en
een levend geheel is dat constant in evolutie is. Dat maakt het ook boeiend.’

Vrijheid

Had u in uw schooltijd zelf ook wel ‘s
te maken met racistische opmerkingen?

‘Het is in mijn kindertijd en jeugd
wel ‘s gebeurd dat onwetende mensen mij op een foute manier beoordeelden, zeker
wel. Maar ik heb daar nooit een punt van gemaakt omdat ik wel beter wist. Ik
tilde er met andere woorden niet aan.’
Heeft dat ook met bewustzijn te maken?
‘Zeker wel. Als je er bewust van
bent, neem je er ook een andere houding in aan, waardoor je er niet door
geraakt kan worden. En daardoor kan je groeien.’
Hebben jongeren in de grootstad daarin
ook een voordeel? Dat ze meer gewapend zijn in bewustzijn?

‘Absoluut, omdat ze moeten. Het
leven is hier harder, je moet jezelf staande houden, je moet er voor knokken.
In mijn boek heb ik de elementen
genoemd die mij daarin geholpen hebben. Net zoals bv. de Dalai Lama vertelt wat
voor hem geholpen heeft en ieder vrij laat kiezen om eruit te halen wat nuttig
kan zijn in zijn specifieke situatie.’
U haalde de Dalai Lama aan, die
wereldwijd bekendstaat om boeddhistische zingeving, meer bepaald
boeddhistisch. Is spiritualiteit voor u dan belangrijk?

‘Eigenlijk niet, althans niet in de
strikte zin. Maar ik kijk wel op naar mensen die charisma hebben, en die een
boodschap uitdragen. Iconen zoals de Dalai Lama zijn belangrijk om veel mensen
te inspireren. Zulke voorbeelden houden ons ook met onze voeten op de grond,
dat we onszelf niet zouden voorhouden dat onze ideeën absolute waarheid zijn.
Want dat is niet zo. In bepaalde visies en contexten zijn deze ideeën
belangrijk terwijl ze dat niet zijn in een andere opstelling.’
En wat met uw culturele spiritualiteit?
Hoe belangrijk is de Islam voor u?

‘We zijn opgevoed met de Islam als
religie. Ieder moet vrij zijn om dat te beleven op zijn of haar manier, vind
ik. Maar verder ben ik daar niet zo erg mee bezig. Ik laat daarin ook ieder
ander vrij. De generatie van mijn ouders beleeft de religie nog op een heel
andere manier en dat is maar logisch ook.’
U heeft een duidelijke visie. Om af te
ronden wil ik nog vragen wat uw grootste droom is?

‘Ik ben volop bezig met mijn droom
te realiseren: iets kunnen geven aan deze maatschappij, jongeren aanzetten om
te evolueren, ervoor zorgen dat er zoveel mogelijk geïnvesteerd wordt in de
nieuwe generatie, dat er niet meer gedacht wordt in termen van wij/zij. En als ik oud
zal zijn, zal ik daar ook wel de vruchten van plukken.’ (ze kijkt even
voor zich uit)

Nog eentje om het af te leren: Waar
haalde u het lef en de moed om LGU op te starten vanuit het niets?

‘Wel, ik kan niet toekijken en ben
iemand die uitdagingen nodig heeft. Ook daarom ben ik gaan verder studeren aan
de VUB als vrije student -wat me gelukt is. Ik heb een bepaalde visie op onze
maatschappij en ik wil die uitdragen. Daarvoor heb je wel moed en soms ook
voldoende lef nodig, dat is waar. Als je andere mensen wil bereiken met een
visie, is het nodig dat je die met hart en ziel uitdraagt. En dat is mijn
missie: investeren op korte termijn voor een rendement op lange termijn.’

(tekst en foto’s © Wim Schrever; bron:
www.giesbaergskekoleurengazette.be)

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!