Banksy

|Column| Philippe Diepvents: Tegengif voor de zomerziekte

De weken net voor de zomervakantie zijn zowat de meest vervelende periode van het jaar. Nee, ik ben niet into zelfkastijding en ik ben ook nog niet bezweken aan de trendy mantra van oh-wat-hebben-we-het-druk-en-wat-ben-ik-toch-onmisbaar. Karel Van Eetvelt laat mij qua charismatisch leiderschap volledig koud. Natuurlijk houd ook ik van vakantie, maar wat me mateloos tegensteekt is hoe we er elke zomer meer opgefokt en prikkelbaar bij lijken te lopen.

donderdag 3 juli 2014 13:55
Spread the love

Onlangs reed ik in de spits van de Dampoort naar Oostakker.
Op de Antwerpse Steenweg stond een file. Er was een opstootje
blijkbaar. Twee auto’s stonden stil en blokkeerden samen de rijstroken in beide
richtingen. In de ene auto zaten twee vrouwen en een jongeman, in de andere een
kalende vijftiger. Er was geen aanrijding gebeurd en ze stonden niet in panne.
Ze waren gewoon laaiende ruzie aan het maken. Wat de lont in het kruitvat heeft
gestoken, was niet meteen duidelijk. Om beurten stapte het viertal in en uit hun wagens om
daar dan midden op straat wat tegen de ander te staan roepen en tieren. Een van
de vrouwen had blijkbaar iets afgenomen van de vijftiger en het kwam tot een
handgemeen. Trekken, duwen, van beide kanten. Een tik hier en daar, een goed
gemikte schop zelfs. De chauffeurs in de zich in beide richtingen uitstrekkende
rij auto’s stonden erbij en keken ernaar, mezelf incluis.

Uiteindelijk kwam er een Turkse jongen tussenbeide, die de
ruziemakers tot bedaren bracht en iedereen kordaat in de juiste auto duwde,
waarna ze elk hun weg verderzetten en het probleem opgelost geraakte.
(Hierbij wil ik me excuseren aan Hans Vandeweghe omdat het bovenstaande
misschien wat te politiek correct overkomt. Ik kan er ook niet aan doen dat de
ruziemakers Vlamingen waren en de verzoener een Turk. Volgende keer bericht ik
over allochtone marginalen of een handtassengevecht tussen alleen vrouwen,
oké?)

Twee straten verder stond er langs de kant van de weg een
(Vlaamse, nogmaals sorry) moeder keihard te brullen tegen haar dochter. Ik
bedoel niet vermanend of in de zin van ‘schiet eens op’ of zo, maar echt razen
en tieren, verwijtend als betrof het een dronken ruzie in een kroeg. Het kind
was amper acht. Automatisch vertraagde ik iets om te kijken wat er aan de hand
was. Daarop werd ik langs rechts voorbijgestoken door een dure terreinwagen met
gierende banden en een uitstekend werkende claxon. De man aan het stuur stak z’n
middelvinger naar me op.

Klopt mijn vaststelling dat ons emotioneel emmertje
makkelijker overloopt vlak voor de vakantie? Ligt het aan de deadlines en de
laatste loodjes dat we bitsiger zijn dan anders? Zijn het de nog niet afgelaten stoom en de
gereden kilometers van het werkjaar die in de kleren kruipen?

Misschien ligt het ook aan de cultus van het vitten. Door
de opkomst van de sociale media zijn we allemaal tot de status van commentator verheven.
Maar ook tot het object van commentaar. Foutjes worden ons niet meer vergeven. Als
er iemand in de hoek gezet kan worden, dan zijn we erbij. Schrijffouten,
verkeerd opgezochte Wiki-quotes, een per abuis gefotografeerde stommiteit,…

Maar ook publiek vitten op groepen mensen vinden we te gek. Politici
zijn wezels, of althans ze gebruiken wezelwoorden. Want jargon, dat
tolereren wij alleen als het over voetbal gaat. En van die voetballers
gesproken, die moeten toch wel minstens tot in de kwartfinale geraken vooraleer
we stoppen met zeuren dat ze weliswaar gewonnen hebben, maar dat ze toch niet
echt goed hebben gespeeld. Die constante kritiek, dat mekaar steeds dichter op de
huid zitten over onnozelheden, zou dat ook niet een deel van onze
prikkelbaarheid kunnen verklaren?

Wees gerust: ik pretendeer niet heiliger dan de paus te
zijn. Ook ik vit doorgaans lustig mee. Maar vorige week maakte ik iets mee dat
me tot een nieuw inzicht bracht. Ik heb geaarzeld om erover te schrijven omdat
het gaat over de dood. En de dood, daar dient volgens veel mensen angstvallig
over gezwegen te worden, of er mag hoogstens in serene toonaarden over worden
bericht.

Ik had een afspraak in Gent, in Sint-Amandsberg eigenlijk,
vlak bij het kerkhof van Campo Santo. Door omstandigheden was ik een halfuur te
vroeg en ik besloot wat door de buurt te kuieren en te genieten van het mooie
weer. Toen ik langsheen het kerkhof liep, moest ik terugdenken aan een vriendin
van me van wie de urne daar iets meer dan tien jaar geleden was bijgezet.
Sofie heette ze. Ze was drieëntwintig toen ze stierf en werd zomaar op een
ochtend gevonden in haar douche. De speculaties over zelfmoord dan wel
CO-vergiftiging bleven een hele tijd de ronde doen, omdat de dokters niet verder waren gekomen dan een eerlijke maar onbevredigende diagnose die stelde dat haar hart
gewoon, zonder aanwijsbare reden, plots was opgehouden met slaan. Soms gebeuren
dat soort wrede dingen, blijkbaar.

Tijdens haar begrafenis werd een gedicht van haar
voorgelezen, hetwelk ook op het doodsprentje was afgedrukt. Ik weet niet meer
precies hoe het ging, mijn geheugen laat me in de steek, maar het was
iets als dit:  hoe zal het zijn wanneer het verbod opgeheven wordt? / geen verboden
meer en geen geboden / alleen vrede en gelijkheid
.
Wat ik wel nog weet, is dat ze in de originele versie niet “opgeheven” maar
“opgehoffen” had geschreven en dat men in de gedrukte en voorgelezen versie die
taalfout had rechtgezet. Ik weet ook nog dat ik daar ongelooflijk kwaad om
werd. Het was ongetwijfeld goed bedoeld, maar ik kon er maar niet bij dat we
ons zelfs in de dood moeten schikken naar de regeltjes en obsessieve correcties
van anderen, dat we zelfs dan nog dat soort irritante kleine verbeteringen
moeten ondergaan. Laat dat kind toch opgehoffen
zeggen in haar gedicht, dacht ik toen en eigenlijk vind ik dat nog steeds. Waarom
kan iedereen mekaar niet gewoon wat meer met rust laten? Wie maalt er om zo’n
foutje? Vaag je niet meer weg dan je wint, wanneer je zoiets corrigeert?

Maar wat ik eigenlijk over Sofie wou vertellen, is dit: Ik
heb Sofie leren kennen tijdens een jongerenuitwisseling in Bosnië, met zo’n
veertig deelnemers uit verschillende landen die mekaar grotendeels niet kenden.
Ik was toen organisator/begeleider. Een van de kennismakingsspelletjes die we
deden met de groep was dat je een naam moest trekken uit een hoge hoed en die persoon
moest je gedurende de komende week stiekem verwennen. Er iets leuks voor doen
zonder dat ie het merkte: briefjes schrijven of een extra dessert, bloemen,
enfin, je mocht het invullen zoals je wou, als het maar in het geheim
gebeurde.  

Ik deed als begeleider ook mee, maar door een stom toeval trok ik het briefje met mijn eigen
naam erop. Omdat het spel toch vooral voor de deelnemers bedoeld was, zei ik er
niks over, maar via de geruchtenmolen was Sofie het toch te weten
gekomen. De komende week vond ik regelmatig leuke attenties terug aan de deur
van mijn kamer. Pas later ben ik te weten gekomen dat zij het was die die
dingen deed. Ze deed het niet uit amoureuze overwegingen of zo, mocht u dat
denken. Ze deed het gewoon omdat ze vond dat iedereen een geheime verwenner
verdient.  

Misschien is het een illusie om te denken dat we ooit zullen
stoppen met vitten op mekaar, maar wat we wel dringend moeten doen is ophouden
met het totaal buiten proportie reageren. Is het werkelijk nodig om
werkweigeraars als untermenschen te klasseren? En is het daarna echt zo
moeilijk om gewoon te zeggen: “Sorry, ik
heb overreageerd”? Als u niet op vakantie kan vertrekken omdat
treinbeambten staken (omdat zij niet
op vakantie kunnen) dan is dat hoogst vervelend, maar is dat ook voldoende
reden om hen op nieuwssites smerige ziektes toe te wensen?

(Begin nu niet te vitten dat de voorbeelden die ik geef te ‘links’
zijn. Als ze u inhoudelijk storen, kies dan gerust andere. Er zijn er
genoeg.)

Misschien kunnen we wat
dat vitten en zeuren betreft al beginnen met onszelf het volgende voor te nemen:
elke keer wanneer we mekaar bekritiseren, compenseren we dat voortaan door ook een
anonieme goeie daad te stellen. Door iets positiefs te doen voor een bekende of
onbekende medemens. Misschien dat ook dat overreageren op de dingen dan vanzelf
wat wordt getemperd.

Toen Sofie destijds
stierf, was ik op reis naar Curaçao. Eigenlijk was ik net op de terugweg. Ik had voor een hele groep vrienden souvenirtjes mee. Voor
allemaal hetzelfde: een soort zogenaamd gelukbrengende olie in een flesje, gekocht
van een lokale kruidengoeroe. Het flesje dat voor Sofie bestemd was, heeft
meer dan tien jaar ergens in een stoffige kast gestaan en het is zelfs een paar
keer mee verhuisd. Een paar dagen geleden ben ik teruggegaan naar het kerkhof
om het eindelijk bij haar urne te zetten. Ik heb het in een glazen
bokaal met gekleurd zand gestoken, zodat het wat mooi oogt en tegen de
elementen opgewassen is. Een te late wederdienst, voor mijn geheime
verwenner. Maar het is alvast een begin.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!