(foto: Jo Vervoort)

|VERKIEZINGSINTERVIEW| Minder sociale ongelijkheid in het onderwijs alstublieft

DeWereldMorgen.be brengt de komende weken verschillende portretten over het dagelijkse leven van gewone mensen. Vandaag het verhaal van Sofie Strobbe, directrice van jenaplanschool de Fenix in de Brugse Poort in Gent. “Dat iedereen zich als een gelijkwaardige burger moet kunnen voelen in mijn school, dat is belangrijker dan leren schrijven en rekenen.”

maandag 28 april 2014 10:03

Ik neem de bus vanuit het station
Gent-Dampoort en kom terecht in de multiculturele wijk de Brugse
Poort. Het is woensdagnamiddag dus ik verwacht een lege school. Tot
mijn verbazing zie ik dat verschillende kleuterleidsters en
leerkrachten er hun middag doorbrengen. Voor Sofie Strobbe is het het
engagement dat telt. “Deze kleuterleidsters en leerkrachten geloven
echt in de jongeren.”

Vraagtekens bij schaalvergroting

“Jenaplan staat voor community. Dit
wil bijvoorbeeld zeggen dat ik alle leerlingen bij naam wil kennen.
Voor de jongeren en hun ouders maakt dit meestal een groot verschil.
Dit kan niet als je een heel grote school hebt.”

“Mijn school telt momenteel 400
kleuters en leerlingen die allemaal tussen de 2,5 en 12 jaar oud
zijn. Dat is echt het maximum. Mijn ideale school zou een school zijn
met maximum 400 kleuters en leerlingen, maar dan doorgetrokken tot
het laatste jaar van het secundair onderwijs. Ik ben gaan kijken in
Duitsland bij een Jenaschool waar ze dit doen. Daar heb je de oudere
leerlingen uit de hogere klassen die je bijna als gelijkwaardige
partners kan beschouwen in de opbouw en werking van jouw school.“

Van top-down naar bottom-up

“We proberen binnen de krijtlijnen
van het beleid en het leerplan een eigen aanpak te ontwikkelen. We
doen dit samen. Agendapunten op de teamvergadering worden eerder
door de teamleden aangebracht.”

“Om een voorbeeld te geven: de
manier van rapporteren en evalueren. Als leerkrachten tegen mij
zeggen dat ze op voorhand al kunnen raden hoe kinderen op een toets
gaan scoren en als ze systematisch aangeven dat ze zich vaak de zin
en onzin van toetsen afvragen, dan weet ik dat onze aanpak op termijn
moet veranderen. De ouders en de kinderen beginnen ook meestal te
stresseren voor een toets. De leerkrachten hebben veel papierwerk
door die klassieke evaluatievormen. Dit betekent niet dat ik de
toetsten de volgende dag afschaf maar dat we een groeitraject
inzetten om bepaalde manieren van evalueren op lange termijn af te
bouwen of te vervangen.”

De schoolgebouwen ‘storten’ in

“Er is in sommige scholen
decennialang niet gerenoveerd, met alle gevolgen van dien. Soms
ontstaan er daardoor echt onveilige situaties. Te kleine
speelplaatsen, lekkende daken et cetera. Ik weet dat we in een
economische crisis zitten, maar er moet meer geld komen voor
infrastructuur en in het bijzonder voor schoolgebouwen. Ik spreek dan
voor alle duidelijkheid over bestaande gebouwen.”

“We hebben ook een
capaciteitsprobleem. Als ik hier in de Brugse poort rondloop, dan zie
ik dat er heel wat wooneenheden bijkomen, maar geen schoolgebouwen of
locaties voor sociaal-culturele verenigingen. Het beleid moet dit mee
incorporeren in haar manier van werken. Nu krijg je vaak van die
snel-snel oplossingen zoals een container hier en daar en enkele
“noodscholen.”

Sociale ongelijkheid in het onderwijs

Sociale ongelijkheid is een hot
issue, ook in het onderwijs. Voor Sofie Strobbe is het de essentie
van waar het in het onderwijs misgaat.

“Dat iedereen zich als een
gelijkwaardige burger moet kunnen voelen in de school, is eigenlijk
nog belangrijker dan leren schrijven en rekenen. Als ik de
behoudsgezinde partijen hoor in de media, dan zijn die heel sterk
gefocust op de excellente jongeren. Op die manier wordt het een heel
moeilijke opdracht om iedereen zich gelijkwaardig te laten voelen. Er
kan niet genoeg aandacht zijn voor jongeren die het moeilijk hebben.”

“Vanuit de behoudsgezinde hoek zijn
ze bovendien zeer bezorgd dat de goede (individuele) presteerder zijn
niveau erop achteruit zal gaan. En dat we teveel naar de “zwakke”
kinderen kijken. De enige manier om deze patstelling te doorbreken,
is zorgen dat iedereen meekan. En niet focussen op dat klein selecte
groepje dat er sowieso zal geraken. We moeten af van begrippen zoals
achterstand en voorsprong.”

Maar op de vraag of het beleid iets
doet aan sociale ongelijkheid in het onderwijs, geeft ze een
verassend antwoord.

“Het beleid speelt hier gelukkig op
in. Een voorbeeld is het LOP (Lokale Overleg Platform), dat probeert
de indeling van zwarte en witte scholen te doorbreken. Het is wel een
zoektocht hoe je zoeits organiseert, maar we zijn op de goede weg.
Het LOP kijkt naar de samenstelling van kansrijke en kansarme
jongeren in de scholen en stuurt scholen bij als het moet. Dat vind
ik fantastisch.”

“Mijn school is “de witte school
in de Brugse poort”. Wij tellen momenteel 48% kansarme kinderen.
Tien jaar geleden vertegenwoordigden ze bijna 100%. Blijkbaar trekken
methodescholen een ander, kansrijker publiek aan. Tweedeverdieners
zijn vaak sterk geïnteresseerd in methodescholen. Dit mag niet ten
koste gaan van de kansarme groep. Nu zorgt het LOP er door middel van
buurtkenmerken en contingering voor, dat de schoolpopulatie een
afspiegeling is van de buurt. De Brugse poort kent ongeveer 70%
kansarme jongeren en dus klopt het niet dat er maar 48% van mijn
jongeren op school uit die groep komen. Persoonlijk voel ik me beter
wanneer er iets meer kansarme jongeren in de school zitten. Nu we
onder de helft zitten maak ik me er zorgen over dat De Feniks te
kansrijk wordt.”

Weg met de prestatiecultus

“We zien onderwijs op onze school
niet louter als kennisoverdracht. Onderwijs en opvoeding gaan samen.
Jenaplan bereidt voor op de maatschappij, op het samenleven. Daarom
is het belangrijk dat een school mee is met de veranderingen in de
samenleving. Ik vind de kijk op onderwijs vandaag te neoliberaal.
Binnen die ideologie moet het individu al zijn kansen krijgen, soms
ten koste van andere individuen. Wij focussen graag op de groep zodat
ieder individu voelt dat hij/zij een puzzelstuk is van die groep.”

“Kinderen mogen geen kinderen meer
zijn. Ze voelen al op vroege leeftijd de maatschappelijke druk:
toppresteren op alle terreinen. Zo moeten ze verschillende sporten
kunnen beoefenen en op school tot de allerbesten behoren en ga zo
maar verder. Die jongeren riskeren al op jonge leeftijd een burn-out.
We hebben geen prestatiecultuur meer, maar een prestatiecultus.”

Teveel controle op de leerkrachten

“We vergeten soms hoe stressvol een
loopbaan in het onderwijs kan zijn. Ten eerste worden de
leerkrachten gecontroleerd door de leerlingen zelf. Een klas telt
gemiddeld vijfentwintig jongeren en het zijn allemaal unieke
inspecteurs. Voor mij zijn die kinderen wel de belangrijkste
controleurs. Daar komen in tweede instantie de ouders bij. Die hebben
ook bepaalde verwachtingen ten aanzien van de leerkrachten en ze
verwachten steeds meer, ondersteund door wat er in de pers
verschijnt. Aan de ouders vraag ik ook vertrouwen. De scholen zijn
stilaan service-instellingen aan het worden als we niet opletten. Dan
heb je de collega’s zelf die elkaar op een manier controleren. En
dan controleer ik als directrice ook nog eens, én uiteraard zijn er
de interne evaluaties die we als school gezamenlijk organiseren.”

“De inrichtende macht
(schoolbestuur – voor Feniks is dat IVA Stad Gent ) controleert de
scholen ook. Plus uiteraard de doorlichting. Ten laatste heb je de
mediacontrole, die constant zegt en schrijft dat de kwaliteit van het
onderwijs achteruit gaat. Begrijp je nu waarom het leerkrachtenberoep
een knelpuntberoep aan het worden is?”

“Er haken te veel leerkrachten af.
Misschien hadden ze de job niet realistisch ingeschat? Wat ik vraag
aan het beleid en de politiek en aan de publieke opinie, is
vertrouwen in de leerkrachten. Natuurlijk moet er worden
gecontroleerd, maar het is teveel doorgeslagen naar de controle van
de controleerbare en meetbare dingen en ik noem het persoonlijk
afgeef-bewijscultuur.”

“Alles moet in checklists worden
gegoten. Teveel administratie en papierwerk. Leerkrachten moeten hun
energie vooral in de kinderen kunnen steken.”

De hervorming van het secundair
onderwijs

In 2009 werd er door de
commissie-Monard een visienota voorgesteld om het secundair onderwijs
te hervormen. De toenmalige Vlaams Minister van Werk, Onderwijs en
Vorming, Frank Vandenbroucke, was hier voorstanderd van. Onder de
huidige minister Pascal Smet werd een light versie aangenomen omdat
de N-VA in de Vlaamse regering het plan niet zag zitten.

“Welke school je in de toekomst ook
zal hebben, een brede eerste graad in het secundair onderwijs moet
daar deel vanuit maken. Ik geloof sterk in de uitgestelde
studiekeuze. Laat kinderen maar eerst proeven van het aanbod. Een
toekomstige loodgieter moet volgens mij weten wie Shakespeare is en
het zou ook leuk zijn als academici iets weten van loodgieterij.”

“Ik ben voorstander van de
oorspronkelijk hervorming van Monard die is uitgetekend in 2009. Het
allereerste plan, daar konden we mee iets aanvangen. Maar de versie
die nu op tafel ligt is te ‘light’. Om een voorbeeld te geven: de
scholen mogen binnen de brede eerste graad niveaugroepen organiseren.
Maar dan zijn we terug bij het klassieke onderwijs dat we vandaag
hebben. Waarbij er grote verschillen zijn tussen ASO-TSO-BSO.”

“Ik vind het een beetje utopisch
dat je denkt dat alles zal veranderen door een nieuw decreet te
schrijven. Als ik de eerste verkennende gesprekken volg, dan wordt
het nog een zware bevalling. Er is veel angst bij een groot deel van
het onderwijspersoneel”.

De afgelopen maanden kwam meermaals
in het nieuws dat de leerkrachten bang zijn voor de nieuwe
hervorming. Terwijl zij het net zijn die tegen de problemen
aanlopen. Strobbes antwoord is simpel en duidelijk.

“Ik denk dat ze weinig geïnformeerd
zijn en dan word je natuurlijk bang. Het is positief dat er iets
nieuws komt, maar wat de mensen hogerop systematisch vergeten is het
werkveld bevragen en betrekken. Er wordt boven hun hoofden beslist.
Het is een top-down manier van werken en dat gaat niet lukken. Het
moet een bottom-up benadering zijn, zoals ik trouwens in De Feniks
zelf probeer te doen. Als we iets willen veranderen dan is dat op
vraag van het team.”

Lerarenopleiding hervormen

“Ik heb de indruk dat de
lerarenopleiding aan de hogescholen niet zo hard is veranderd ten
opzichte van dertig jaar geleden. Stagiairs uit hogescholen moeten
zich enorm aanpassen als ze bij ons terecht komen.”

“We spelen in op wat er in de
school gebeurt en dat is meestal nieuw voor de studentenstagiairs.
Ook denken vele studenten nog dat het een gemakkelijke job is met
veel vakanties. Er moet een betere link komen tussen de opleidingen
en de gewone school. “

“Leerkrachten moeten ook na het
behalen van hun diploma permanent gevormd worden. Permanente
visievorming en professionele vorming zijn belangrijk. Enerzijds door
nascholingen, anderzijds door informatieverstrekking vanuit de
inrichtende macht wat de onderwijsactualiteiten betreft. Zo blijven
leerkrachten mee met de veranderingen. Vandaag de dag is het te
vrijblijvend.”

Maximumfactuur ook voor het secundair
onderwijs

In het basisonderwijs bestaat er een
dubbele maximumfactuur. Scholen uit het
basisonderwijs kunnen bijvoorbeeld een maximumbedrag vragen voor
reisjes die niet noodzakelijk zijn voor het behalen van de eindtermen
en ontwikkelingsdoelen. Dit wil zeggen dat de school geen extra
kosten mag vragen aan de ouders boven dat bedrag.

“De dubbele maximumfactuur is een
geschenk uit de hemel, maar ze mag ook worden doorgetrokken naar het
secundair onderwijs. Zaken zoals uniformen voor het turnen zouden wat
mij betreft geen geld mogen kosten. Voor gezinnen met veel kinderen
stapelen de kosten zich al snel op. Daar moet men allemaal rekening
mee houden en sommige scholen doen dat niet. Ze organiseren ondanks
de sociale ongelijkheid dure reizen naar het buitenland en dat
schrikt veel ouders van kansarme gezinnen af om hun kind in te
schrijven.”

“Ik blijf het zeggen. Het draait
allemaal om sociale ongelijkheid.”

We nemen afscheid van elkaar. We
stappen naar buiten en doen nog een gezellige babbel. We praten
natuurlijk nog door over het onderwijs. Ze doet me een aanbod dat ik
zeker ga aannemen. “Mohamed, als je volgende keer in Gent bent
tijdens een gewone schooldag, kom ons zeker bezoeken.”

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!