about
Toon menu

Een geschiedenis van Syrië in de twintigste eeuw (1): 1914-1940

woensdag 30 mei 2012
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.
  1. De Eerste Wereldoorlog (1914-1918)

Op 29 oktober 1914 treedt het Ottomaanse rijk toe tot de oorlogsvoerende landen, aan de zijde van de Centralen (Duitsland en Oostenrijk-Hongarije). De Ottomaanse vloot beschiet dan een aantal Russische havens aan de Zwarte Zee. Sommige Arabische onderdanen (waaronder de 'Syriërs') van het Ottomaanse rijk koesteren hoop op verandering. Eén groep hoopt op een eengemaakte nationale Arabische staat. Een andere groep van enkele Arabische prinselijke families hoopt op een opstand tegen de Ottomaanse sultan om zo koninkrijken voor henzelf op te kunnen richten. De meeste Arabieren blijven het rijk echter steunen tot het einde van de oorlog, omdat de Ottomanen een dam zijn om de westerlingen buiten de deur te houden.

In april 1915 proberen de Geallieerden een doorbraak te forceren aan de Dardanellen (tussen de Egeïsche Zee en de Zee van Marmara). De Ottomanen, geholpen door Duitse generaals, bieden stug weerstand (oa. Mustafa Kemal) en in januari 1916 zien de Geallieerden zich gedwongen zich terug te trekken. De Ottomaanse oorlogscampagnes van hun kant verlopen ook niet goed: ze lopen zich vast in de Kaukasus tegen Rusland. Ook het Suezkanaal in Egypte kunnen de Ottomanen niet veroveren op de Britten. In Irak nemen de Britten - na aanvankelijke tegenslagen - in 1917 Baghdad in.

In juni 1916 komen Arabieren onder leiding van Sherif Husayn van Mekka in opstand in de Hejaz (nu de Saoedische Rode-Zeekust). In de maanden voor de opstand hebben de Britten al contacten gelegd met de Arabieren (oa. met de emirs van staatjes als Qatar, Bahrein en Oman en met Ibn Saud). Nu knopen ze ook contacten aan met Husayn, de gouverneur van Mekka (en rivaal van Ibn Saud). Deze contacten gebeuren via briefwisseling tussen sir Henry McMahon, de Britse hoge commissaris van Egypte, en Husayn. McMahon spiegelt Husayn Arabische onafhankelijkheid voor, in ruil voor steun tijdens de oorlog. Deze onafhankelijke staat zou in het noorden een grens hebben tussen Alexandretta (nu Iskenderun in Turkije) en Iran, en in het zuiden reiken tot aan de Perzische Golf met inbegrip van het westelijke deel van het Arabische Schiereiland (het oostelijke deel was protectoraat van de Britten: Oman, Golfstaatjes, Bahrein, Qatar, Koeweit). Uitgesloten van die Arabische toekomstige staat zouden de gebieden zijn ten westen van de lijn Damascus - Homs - Hama - Aleppo: op dit gebied (Libanon, Latakia) had Frankrijk zijn oog laten vallen. Faisal, de zoon van Sherif Husayn, ondertekent in 1915 het Damascus Protocol, waarin de beloofde grenzen staan opgelijst. Husayn zal dit document gebruiken als stok achter de deur om verder met de Britten te onderhandelen. Maar voorlopig is alles nog koek en ei: Husayn gaat akkoord en laat de Arabische Opstand beginnen.

Ondertussen hebben de Geallieerden (voornamelijk Groot-Brittannië, Frankrijk en Rusland) ook niet stilgezeten. Ze onderhandelen met elkaar enkele geheime verdragen waarvan de voornaamste zijn:

  • Het Pact van Londen in 1915 om Italië aan geallieerde zijde in de oorlog te betrekken. Italië wordt de Dodekanesos (Rhodos, Kos en nog een handvol Griekse eilanden), alle rechten op Libië en Antalya in Turkije beloofd.
  • Het Sykes-Picot-Akkoord in 1916 (genoemd naar sir Mark Sykes en François-Georges Picot, de voornaamste onderhandelaars). Rusland zou volgens dit akkoord de Zeestraten (Bosporus en Dardanellen) krijgen. Frankrijk wordt de kuststrook van Syrië (met Libanon) beloofd en zuidoostelijk Anatolië. Groot-Brittannië zou een enclave rond Haifa en Akko krijgen (waar een belangrijke oliepijpleiding uitmondt) en verder nog Iraakse gebieden van Baghdad tot aan de Perzische Golf. Palestina ten westen van de Jordaan zou onder internationaal beheer komen (Heilige Plaatsen met oa. Jeruzalem, Bethlehem, Nazareth). Ze bakenen ook twee invloedssferen af. Syrië met Damascus en Aleppo, en het gebied rond Mosul in Irak zouden onder Franse invloed komen. Het gebied van Aqaba in Palestina (nu Jordanië) en Kirkuk in Irak onder Britse invloed.

Het Sykes-Picot-Akkoord zorgt voor felle reacties van Sherif Husayn, die hier een tegenspraak ziet met de territoriale beloftes van Henry McMahon. De Italianen gaan ook niet akkoord en eisen meer land. Hun eisen worden ingewilligd in 1917 wanneer Frankrijk en Groot-Brittannië westelijk (Izmir) en zuidwestelijk Aantolië beloven aan Italië. Jammer genoeg gebruiken ze diezelfde gebieden (en Cyprus) als lokaas om Griekenland aan geallieerde zijde aan de oorlog te doen deelnemen. En dan is er nog een derde gesloten overeenkomst:

  • De Balfour Verklaring in 1917 van de Britse minister van Buitenlandse Zaken Lord Balfour aan Lord Rothschild voor een 'national home for the Jewish people' in Palestina. Zionisten ijverden al jaren voor deze erkenning: ze zouden een goede voorhoede kunnen vormen voor de bewaking van het Suezkanaal, strategisch verschrikkelijk belangrijk voor Groot-Brittannië. De Britten wilden via deze Verklaring steun verwerven van de joden in de Verenigde Staten en Rusland. Sherif Husayn van Mekka zag ook deze belofte absoluut niet zitten.
  • En dan waren er nog de Veertien Punten van de Amerikaanse president Woodrow Wilson uit 1918. Het twaalfde punt voorsprak "secure sovereignty" aan de Turkse delen van het Ottomaanse rijk en dat andere nationaliteiten (Arabieren, Grieken, Armeniërs, Koerden) kansen moesten krijgen voor een eigen ontwikkeling. Sommige Arabieren zagen hierin een bevestiging van de beloftes van McMahon aan Sherif Husayn.

In 1917 bereikten de Britten en hun hulptroepen een doorbraak in het oorlogstheater van het Midden-Oosten. In december 1917 nam de Britse generaal Allenby vanuit Egypte Jeruzalem in en in oktober 1918 Beiroet. De Arabische Opstand intussen had de Arabieren onder leiding van Faisal en de Britse kolonel T.E. Lawrence (Lawrence of Arabia) tot aan Aqaba gebracht. Eveneens in oktober 1918 namen de Arabieren Damascus in, ongeveer tegelijkertijd met de Britten van Allenby. Op 30 oktober 1918 tekent het Ottomaanse rijk de zo goed als onvoorwaardelijke Wapenstilstand van Mudros. Het Ottomaanse leger wordt ontbonden, de geallieerden bezetten Constantinopel (Istanbul) en de Zeestraten en de Ottomaanse leiders ontvluchten het verkruimelende rijk.

De oorlog had een enorm zware tol geëist in het Midden-Oosten. Maar vele mensen in de regio kwamen nu voor de eerste keer rechtstreeks in contact met westerlingen (soldaten, weliswaar). Deze impact van het Westen zou alleen nog naar toenemen. Voor het Midden-Oosten breekt nu een nieuw tijdperk aan waarin op Europese leest geschoeide territoriale natiestaten in de plaats komen van het etnisch enorm gevarieerde Ottomaanse rijk (dat als basis had: trouw aan de Ottomaanse dynastie en aan de islam). Eén van die nieuwe staten is Syrië.

2. De nasleep van de Eerste Wereldoorlog (1918-1920)

Na de Eerste Wereldoorlog volgden de grote vredesconferenties, waar de grootmachten beslisten over het lot van Europa en van het Midden-Oosten. Laten we hier verder op inzoomen.

  • De vredesconferentie van Parijs in 1919. Het Midden-Oosten had geen belangrijke plaats tijdens de onderhandelingen in Parijs. De meeste aandacht ging naar het verslagen Duitsland. Wat het Midden-Oosten betrof, moesten er verschillende tegenstrijdige beloftes en belangen met elkaar verzoend worden: Pact van Londen (1915), Sykes-Picot-akkoord (1916), Balfour-verklaring (1917), Husayn-McMahon-correspondentie (1915-1916), Wilson Veertien Punten (1918), de boodschappen van bevrijding die de Britten brachten in Baghdad en Jeruzalem (1917) en de leuze "to make the world safe for democracy". Daar kwamen dan nog de nationale en imperiale belangen van Frankrijk en Groot-Brittannië bij en de verlangens van nationale en nationalistische groepen uit alle windstreken. De Britse premier David Lloyd George zag het groots: de Britten hadden het Midden-Oosten bevrijd, dus moest het hele gebied op zijn minst onder Britse invloed komen. De Franse premier Georges Clemenceau aasde op Syrië en zuidelijk Anatolië. De Amerikaanse president Woodrow Wilson wilde zijn Veertien Punten gerealiseerd zien. Ook prins Faisal, de zoon van Sherif Husayn, kwam naar Parijs (geflankeerd door T.E. Lawrence 'of Arabia'). Zionisten waren er ook, om erop toe te zien dat de Balfour- Verklaring werkelijkheid zou worden. Dit vloekte echter met de principes van zelfdeterminatie van Wilson: in Palestina leefde een Arabische meerderheid tegenover 15% joden. Als het meerderheidsprincipe zich had doorgezet, dan was Palestina misschien onderdeel geworden van een grotere Arabische staat. Wilson wilde een onderzoekscommissie naar het Midden-Oosten sturen om te weten te komen wat de plaatselijke bevolking dacht van zelfdeterminatie. De Fransen, Britten en Italianen gingen eerst akkoord, maar weigerden later mee te werken. Dus trok enkel een Amerikaans team onder leiding van Henry C. King en Charles R. Crane in de lente van 1919 naar het Midden-Oosten. Hun eindrapport werd door Frankrijk en Groot-Brittannië genegeerd. Zij hadden al eerder onder elkaar afspraken gemaakt.

In Parijs werden geen beslissingen genomen ivm het Midden-Oosten. De Amerikanen waren tegen mandaatgebieden. Rusland moest afrekenen met een burgeroorlog en Italië ging door een diepe binnenlandse crisis. Dus moest Frankrijk en Groot-Brittannië maar onder elkaar uitmaken wat ze met het Midden-Oosten gingen aanvangen. Ondertussen bleef het gebied onder de knoet van bezettingslegers: de Britten van Allenby in Egypte, Palestina en Libanon; Brits-Indische troepen in Irak; en Sherif Husayn en Faisal in de Hejaz en in het binnenland van Syrië (met Damascus).

In de winter van 1919 besloten Britten en Fransen het Sykes-Pïcot-Akkoord ten uitvoer te brengen. In Libanon kwamen Franse troepen de Britse vervangen. Intussen stond het hele Midden-Oosten in rep en roer. Arabische nationalisten protesteerden tegen de komst van de Franse troepen. In Palestina braken anti-joodse rellen uit. In Damascus verkozen de afgevaardigden van het Arabische Nationale Congres Faisal tot koning van Syrië en zijn broer Abd Allah tot koning van Irak. In Egypte en in Irak braken opstanden uit. De Britten en de Fransen beseften dat ze dringend een regeling voor het Midden-Oosten moesten treffen.

  • Een eerste regeling ging over de olie van Mosul (in Iraaks Koerdistan). Het Sykes-Picot-Akkoord had Mosul toegewezen aan Frankrijk. De Britten eisten en kregen echter de aansluiting van Mosul bij Brits Irak. In februari 1920 sloten ze een overeenkomst waarbij Frankrijk 25% van de Iraakse olie mocht opkopen.
  • Een tweede regeling werd getroffen op de vergadering van Sanremo op 24 april 1920. Hier werden de mandaatgebieden vastgelegd (evenals de rechten op olie en pijpleidingen). Groot-Brittannië verkreeg het mandaat over Irak en Palestina. Frankrijk verkreeg het mandaat over Syrië en Libanon. Hun mandaatgebieden zouden officieel onder supervisie staan van de nieuwe Volkenbond. In Brits Palestina werd de Balfour Verklaring ingeschreven in het officiële mandaathandvest. Frankrijk kreeg in ruil de vrije hand in Syrië om Faisal te verdrijven - met geweld als het moest. Sherif Husayn werd wel erkend als koning van de Hejaz, maar hij verwierp de conclusies van Sanremo.
  • Een derde regeling werd getroffen in Caïro in maart 1921 onder leiding van Winston Churchill, toen Brits minister van Koloniale Zaken. Faisal, intussen uit Syrië verjaagd door de Fransen, mocht koning worden van Irak. Zijn broer Abd Allah, in Damascus uitgeroepen tot koning van Irak, kreeg van Churchill een gloednieuw koninkrijk ten oosten van de Jordaan in Transjordanië (zijn nakomelingen zijn nu nog koningen van Jordanië). De Britten hadden nu de volledige controle over de olieroute van Mosul tot aan de Middellandse Zee.

3. Syrië onder het Franse mandaat (1918/1920-1940)

3.1. De Franse bezetting van Libanon en Syrië (1918-1920)

Op 3 oktober 1918 betraden de troepen van Faisal de huidige Syrische hoofdstad Damascus. Sommige nationalistische Arabieren hoopten dat er nu snel een Arabische natiestaat zou komen. Ondertussen bezetten de Britten de kuststrook van Syrië (met Libanon), terwijl de Arabieren van Faisal met Britse (financiële) steun het binnenland in hun greep hadden. De Arabieren wilden een snelle start maken met de oprichting van hun nieuwe natiestaat. Maar ze waren erg verbitterd over het Frans-Britse akkoord van september 1919 waarbij de Britse troepen in Syrië zouden worden vervangen door Franse. In december kwamen de eerste Franse troepen onder bevel van generaal Henri Gouraud aan in Beiroet en andere Syrische (en Libanese) kustplaatsen. Dit was het begin van de Franse militaire bezetting van Syrië.

In het voorjaar van 1920 kwam het eerste Algemene Syrische Congres samen, met verkozenen van onder heel Syrië (Palestina en Libanon inbegrepen). Ze verklaarden Syrië tot een onafhankelijk koninkrijk met Faisal als koning. Ze riepen ook de onafhankelijkheid van Irak uit met Faisals broer Abd Allah als vorst. Tot slot herriep het Congres het Sykes-Picot-Akkoord, de Balfour-Verklaring en het idee van mandaatgebieden. Op 8 maart 1920 riep het Syrische Congres de onafhankelijkheid van Syrië uit, met inbegrip van Libanon en Palestina. Op 24 april 1920, tijdens het Congres van Sanremo, spraken de geallieerden deze acties tegen door het Franse mandaat over Syrië en LIbanon vast te leggen. De oude Syrische elite was woedend op Faisal, die hen niet naar behoren had kunnen beschermen.

Faisal zat nu gevangen tussen de militaire macht van de Fransen en de dromen en hoop van de Syrische politieke elite. Bovendien was zijn regering zo goed als bankroet na het vertrek van de Britten uit de regio. In juli 1920 zond generaal Gouraud een ultimatum naar Faisal: de Syrische Arabieren dienden het Franse mandaat onvoorwaardelijk te aanvaarden. Intussen rukte het Franse leger op vanuit Beiroet naar Damascus. Faisal ging in eerste instantie akkoord, maar daarop verscherpten de Fransen hun voorwaarden. Een militaire nederlaag van de Syriërs bij de pas van Maisalun legde de weg naar Damascus open voor de Fransen. Enkele dagen na deze nederlaag veroverden de troepen van Gouraud Damascus en ontvluchtte Faisal het land (hij zou door de Britten worden heropgevist om koning van Irak te worden).

De Fransen begonnen meteen aan hun koloniale taak. Generaal Gouraud, nu de officiële hoge commissaris voor het mandaatgebied, vaardigde een decreet uit voor de territoriale opdeling van Syrië en Libanon in vier gebieden: Groot-Libanon, Aleppo (met Alexandretta/Iskenderun), Latakia en Damascus (inclusief het gebied van de Druzen in het zuiden en de woestijngebieden in het oosten). Verdeel en heers!

3.1. Het mandaatgebied Syrië (1920-1930)