Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.

Ja, ik wil steunen

Sluit dit venster

about
Toon menu

Plaasmoorde, kolonialisme en de landkwestie

woensdag 25 april 2018
Deze blog werd geschreven door een van onze lezers. Wil je zelf ook beginnen bloggen in onze community, ga dan meteen aan de slag.

Begin maart kreeg het fenomeen van de “plaasmoorde”, gewelddadige (en vaak met martelpraktijken gepaarde) overvallen op hoofdzakelijk blanke boeren in ruraal Zuid-Afrika, een grote zichtbaarheidsboost in de Vlaamse media. Weinig verrassend is dat het Vlaams Belang al sinds 2006 dit thema probeert te populariseren; het is echter pas sinds N-VA zich enkele weken geleden bij hun koor voegde, bijgestaan door de graffiti van de met Vlaams Belang gelinkte studentenclub NSV, dat dit onderwerp de weinig kritische mainstreampers haalde.

De plaasmoorde worden geprofileerd als een raciale clash, geïnspireerd en gepromoot door een overheidsgesteund zwart populisme, met negatieve gevolgen voor de nationale economie. Hierbij moet nauwelijks gezegd dat dit beeld drijft op een opeenstapeling van racistische stereotypen en denkbeelden: zwarte wilden, eens vrijgelaten door het wijze blanke koloniale bestuur, kunnen niet anders dan zich bijna reflexmatig onderwerpen aan corrupte tirannen en zich in een zelfdestructieve rassenstrijd werpen om de orde en welvaart die de kolonisten brachten te vernietigen. In het Afrikaans bestaat een term voor deze vrees, die onder apartheid diende om twijfelende blanken in het gareel te houden: Swart gevaar. In dezelfde trant slaagt N-VA’er Peter Luycks erin te zeggen dat er in Zuid-Afrika een “anti-blank racisme” heerst, alsof blanken er structureel onder de knoet gehouden worden ten voordele van dezwarte meerderheid.

Jasper Rommel, van het Fonds voor Ontwikkelingssamenwerking, publiceerde kort daarop een repliek in Knack die overtuigend aantoont dat deze narratief enkel aangehouden kan worden door feiten en statistieken zéér selectief te interpreteren. Het loont de moeite zijn cijfers te herhalen: wanneer rechtse groeperingen focussen op de 71 plaasmoorde uit 2016, ontwijken ze het feit dat datzelfde jaar ruim 19.000 moorden plaatsvonden – waarvan dus slechts 0.4% plaasmoorde betreffen. Verder stelt hij vast dat

“[…] tussen 1994 en 2012 1,8% van de moordslachtoffers blank [waren], terwijl ze zo'n 8,85% van de bevolking uitmaken. Dat betekent dat van alle bevolkingsgroepen, blanken het minst kans lopen om vermoord te worden.”

De rode draad die deze cijfers verbindt – en Luycks’ aantijgingen definitief weerlegt – is van economische aard: Rommel schrijft dat negentig percent van de Zuid-Afrikaanse rijkdom in handen is van een (overweldigend blanke) 10% van de bevolking, terwijl de tachtig percent have-nots zwart kleuren. De economie die door de plaasmoorde zogenaamd verstoord zou kunnen worden, werkt duidelijk nu al niet voor de overgrote meerderheid van de Zuid-Afrikanen.

Wat echter ontbreekt in Rommels artikel (net als in dat van Yves T’sjoen, eveneens gepubliceerd in Knack) is een dieper gegraaf naar de oorzaken van de zwarte armoede, de landkwestie en de plotse relevantie ervan in westerse media. Rommel vermeldt de landherverdelingsmotie die in februari gestemd werd en T’sjoen vermeldt bijdehands dat de “corrupte” president Jacob Zuma vervangen is door “nieuwkomer” Cyril Ramaphosa. Maar wat betekent dit allemaal echt? Wat houdt “expropriation without compensation” precies in en waarom is het er nog niet eerder van gekomen? Houdt dit effectief verband met de plaasmoorde? Om dat te weten te komen moeten we een omweg maken door het verleden.

Apartheid

De apartheidseconomie die sinds 1948 de koloniale slavernij-economie in witgewaste versie toestond verder te bestaan, was gedefinieerd door contradicties. In het begin van de twintigste eeuw was de regio die later Zuid-Afrika zou worden, toen nog een volwaardige kolonie van Groot-Brittannië, de scéne van een pseudo-revolutie: net zoals in de Amerikaanse vrijheidsstrijd, kwam het koloniale garnizoen (de blanke Boeren) in opstand tegen de Londense metropool overzees waarnaar ze verwacht werden de opbrengsten van slavenarbeid over te maken. Deze opstand mislukte, maar ze maakte wel aan de Britse burgerij duidelijk dat de Boeren een zekere autonomie moesten krijgen teneinde ze koest te houden. Dit resulteerde in de fundamenten van apartheid. In 1913 werd de Native Land Act ondertekend, die 20% van het Zuid-Afrikaanse territorium en 7% (agricultureel minderwaardige) landbouwgrond voor de zwarte reservaten voorbehield. Wilde een zwarte bewoner daarbuiten een leven opbouwen, was dat enkel toegestaan als die blijk kon geven werknemer te zijn in het gebied in kwestie. Daar de economische macht van de blanken absoluut was, betekende dit in de praktijk dat zwarten zich moesten verknechten in ruil voor een greintje bewegingsvrijheid.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de apartheidsstaat officieel in het leven geroepen. De reservaten werden Bantoestans, de wetten die aangaven welke beroepen door welke rassen uitgevoerd mochten werden verder uitgewerkt en de zwarte bevolking moest zich als vanzelfsprekend tevreden stellen met de goedkoopste en gevaarlijkste arbeid en het slechtste land. Net zoals onder de nazi’s waren interraciale huwelijken en ‘immorele praktijken’ verboden. Een zogenaamd “driekamersysteem” gaf een politieke stem aan blanken, een kleiner deel aan Indiërs en ‘kleurlingen’ (die zwart noch blank waren) en helemaal geen representatie voor zwarten. Het sterftecijfer lag bij zwarte boorlingen in 1980 op een hallucinant 120 per 1000, waar dit bij de blanke bevolking slechts 12 per 1000 was. De onderontwikkeld gelaten derdewereldsinfrastructuur die dergelijke sterftecijfers in stand hield kaderde binnen een gezinsplanningspolitiek die men met recht en rede eugenetisch kan noemen.[1]

Om deze brutale ongelijkheid in stand te houden, blies het politiek leiderschap steevast onderlinge stammentwisten op in de hoop om een echte antikoloniale strijd te dwarsbomen.[2] Desondanks groeide het verzet tegen apartheid gestaag, opgezweept door de hoopgevende successen van Afrikaanse leiders als Kwame Nkrumah in Ghana en Patrice Lumumba in Congo. Reeds in 1950 werd de SACP, de communistische partij die vooral uit blanke arbeiders bestond, verboden en zette ze haar verzet tegen apartheid ondergronds verder. Veel leden en leiders van de SACP werden lid van het Afrikaans Nationaal Congres (ANC), de brede anti-apartheidspartij, waarin zij als snel sleutelposities gingen bekleden. Op 21 maart 1960 opende de politie het vuur op een betoging tegen de pass laws in Sharpville waarbij 69 actievoerders om het leven kwamen. Weken van grote betogingen, stakingen en rellen in heel het land volgden. Ook in de rest van de wereld kwamen mensen op straat tegen het optreden van de Zuid-Afrikaanse ordediensten. Daarop werden ook het ANC en het Pan-Afrikaans Congres (een afsplitsing van de SACP) verboden en in 1964 werd ANC-leider Nelson Mandela gevangen gezet op het Robbeneiland, waar hij bleef tot zijn vrijlating in 1990 onder druk van een wereldwijde solidariteitscampagne.

Intrigerend is in deze context de verhouding tussen apartheid en kapitalistische marktprincipes. Paradoxaal genoeg bleek een systeem dat economische en politieke vrijheden beperkte tot een blanke elite op lange termijn niet houdbaar voor haar grootste gedienden, de rijke blanke ondernemers en internationale investeerders. Steeds meer onderzoek toont aan dat de segregatie slecht was voor de business, aangezien de apartheidsstaat gedwongen was ook de armste lagen van het blanke “garnizoen” een voorkeursbehandeling te geven inzake jobs, huisvesting, etcetera. Zonder deze verdeel-en-heerspolitiek zouden gevaarlijke ras-overstijgende socialistische ideeën wortel kunnen schieten, met het risico dat arme blanken en arme zwarten zich samen zouden verenigen tegen hun gezamenlijke uitbuiters. Het regime zag zich dus verplicht de vrije arbeidscompetitie, die al snel de lonen voor blanke ongeschoolde arbeid naar beneden zou trekken, in te perken.[3]

Daar kwam bij dat door de toetreding van Groot-Brittannië tot de Europese Economische Gemeenschap in 1973 de Zuid-Afrikaanse landbouweconomie zou moeten concurreren met de Europese.[4] Dit was een erg heikel punt, daar de traditionele Zuid-Afrikaanse bron van inkomsten (diamanten en goud, in de handen van enkele steenrijke families als De Beer, Rhodes en Oppenheimer) al een tijdje aan het slinken was. De potentiële verarming van de Boeren zou daarna een kettingreactie veroorzaken, aangezien ze een erg belangrijke afzetmarkt voor de binnenlandse warenproductie vormden. Dit zorgde vervolgens voor extra nervositeit bij de grote multinationals die tot dusver in Zuid-Afrika investeerden.

De blanke liberalen, die vanwege deze opeenstapeling van kopzorgen een transitie uit apartheid predikten (en dit trouwens al deden sinds 1948, zonder enige impact), zagen maar één uitweg uit deze economisch doodlopende straat:

  1. De binnenlandse consumptie moest uitgebreid worden door de zwarte bevolking, voorheen te slecht betaald om te sparen of goederen te kopen, politiek en economisch te emanciperen. Dit betekent natuurlijk het einde van (officiële) apartheid.
  2. De exportmarkt moest uitgebreid worden naar de rest van de wereld, en vooral de meest nabijgelegen Afrikaanse staten.[5] Dit vereiste ook in die landen een emancipatie van de zwarte bevolking.

Dat de marktlogica noodzakelijkerwijs het apartheidsstelsel aanvrat betekent niet dat de liberalen hier hard voor streden. Integendeel, net doordat ze van twee walletjes aten (onder apartheid zaten ze op hun gemak, maar door de illusie van weerstand tegen dit stelsel oogstten ze kleinburgerlijke erkenning) hadden ze weinig enthousiasme om het racistische systeem daadwerkelijk te bevechten.[6] Die eer komt toe aan de decennialange strijd van het African National Congress (ANC), de Zuid-Afrikaanse Communistische Partij (SACP) en de vakbondsbeweging COSATU, die vanaf 1994 samen als ‘Tripartiete Alliantie’ de eerste post-apartheid regering leidde (met tijdelijke representatie van de apartheidspartij NP).

De “democratische” regenboognatie

Hoewel de legale status van Zuid-Afrikaanse zwarten officieel gelijk werd aan die van blanken en vanaf nu het staatsapparaat ook in zwarte handen kwam, betekende dit niet dat de socio-economische status van de overgrote meerderheid van de bevolking noemenswaardig vooruitging, of dat de economie zelf gedemocratiseerd werd. Dit heeft verschillende oorzaken, waarvan de meeste terug te brengen zijn naar de ANC-NP-deal.

Eerst en vooral slaagde de ANC er niet in om hun radicale freedom charter, waarin opgeroepen werd de mijnbouwsector en andere gemonopoliseerde industrieën te nationaliseren, volledig door te drukken. In plaats daarvan werd een liberale koers gevoerd, welwillend jegens buitenlands kapitaal en binnenlandse entrepreneurs. Deze laatste bleken, ongeacht huidskleur, de Zuid-Afrikaanse bevolking niet noemenswaardig minder te exploiteren dan de Britse kapitalisten. De schuld van deze liberale misstap legt de SACP bij toenmalige president Nelson Mandela.

Deze vrijemarktprincipes werden ook toegepast op de kwestie van de landherverdeling, waarbij de blanke elite de teugels stevig in handen hield. In 1994 was 86% van de landbouwgrond (en 68% van de totale landoppervlakte) verdeeld onder zo’n 60.000 blanke eigenaars. Terzelfdertijd leefden meer dan dertien miljoen zwarten, velen verjaagd van hun traditionele landbouwgronden in de vroege twintigste eeuw, in volstrekte armoede in de voormalige Bantoestans.[7] Van de 1.7 miljoen rurale zwarte huishoudens die wel toegang hadden tot land bewerkte de helft minder dan één hectare – te weinig om op te overleven – en 94% minder dan vijf hectare.[8] De nieuwe regering zag in dat landherverdeling noodzakelijk was om miljoenen burgers een degelijke bestaansgrond te geven, maar net zoals bij de schatrijke mijnbouwgiganten wilde ze de blanke landbouwelite niet voor het hoofd stoten. Het “Willing seller, willing buyer”-programma werd gelanceerd, met als achterliggende filosofie dat de allerarmsten via Land Banks toegang kregen tot beurzen ter aankoop van land van blanke boeren, mits beide partijen instemmen. Het oorspronkelijke doel – na vijf jaar 30% van de blanke grond herverdelen – werd bijlange na niet gehaald: in 2014 was slechts 8% van de grond van blanke naar zwarte handen overgeheveld.[9] Deze cijfers zeggen daarbij niks over de kwaliteit van de grond of de vorm van de transactie, en studies tonen aan dat de slaagkansen van ‘nieuwe’ zwarte boeren – die niet enkel moeten opboksen tegen de gigantische blanke boerderijen, maar ook tegen de internationale import die dankzij het liberale anti-protectionistische beleid zo goed als vrij spel heeft – erg laag liggen.

Figuur 1: Philips et al, 2014, p 47. Zuid-Afrikaanse inkomensverdeling uit 2006, per percentiel. Negen op tien inwoners zijn ongeveer even arm, terwijl de rijkste paar procenten een astronomisch groot vermogen hebben. De raciale erfenis van apartheid op deze verdeling is navenant.

Al deze factoren leidden ertoe dat sinds het einde van apartheid de GINI-coëfficiënt, die economische ongelijkheid meet, niet gedaald maar zelfs gestegen is. Zwarte gezinnen verdienen jaarlijks gemiddeld 69.632 Rand (ongeveer €4.700), terwijl blanke gezinnen het gemiddeld met meer dan het vijfvoudige daarvan stellen.[10] Met andere woorden is de liberaal-democratische multiraciale rechtstaat efficiënter in het segregeren van haar inwoners dan de apartheidsdictatuur die ze opvolgde. Als die laatste nog voor een mate aan bescherming voor de binnenlandse industrie zorgde, is de democratische regenboognatie een flinterdun omhulsel dat als neokoloniale appendix aan de eerste wereld bevestigd is. De Zimbabwaanse landbouwkundige Sam Moyo stelt in een onafgewerkte paper dat het steeds moeilijker is om van een autonome Zuid-Afrikaanse burgerij te spreken, daar de toplaag via haar koloniale banden als Euro-Amerikaanse stofzuiger fungeert en de niet-genationaliseerde economie stevig in buitenlandse handen ligt. De communistische partij gaf de vijand een naam: de white monopoly capitalist class (WMC).[11]

Jacob Zuma

Dit relaas brengt ons bij de woelige periode 2015-2018. Dat Jacob Zuma ondanks zijn socialistische pretenties net als elke andere ANC-leider zijn heil zocht in een liberale appeasement-politiek jegens de krachten van de markt, en er bij tijd en stond een percentje voor zichzelf bij wist af te romen, leek bevestigd door de Nkandla-saga. Dit laatste verwijst naar zijn privé-ranch, die hij op kosten van de staat liet renoveren en uitbouwen. Hier hing een prijskaartje van meer dan tweehonderd miljoen Rand aan. Nieuwssite eNCA, die via een ingewikkelde financiële constructie[12] in de pocket van blanke multimiljardair Johann Rupert zit, schreef er al 479 artikels over. De andere grote smet op Zuma’s blazoen is de nepotistische vriendjespolitiek die hij voert met betrekking tot zijn naasten en de notoire Gupta-familie, die een voor niet-blanken relatief groot aandeel in de mijnbouw- en mediasectoren bezit. Deze zou namelijk in ruil voor genereuze financiële bijdragen toegang krijgen tot allerlei postjes en gunstige politieke invloed bij het uitbouwen van hun interessegebieden in Zuid-Afrika. Corruptieschandalen van deze aard zijn op hun beurt aanleiding tot speculatie over de nakende state capture: tenzij de malafide topmannen uitgeschakeld worden, zal dra de Zuid-Afrikaanse staat en haar economie “gevangen” zijn door privé-concerns.

Deze vrees gaat er echter vanuit dat er nog zoiets is als een vrij, “ongevangen” Zuid-Afrika. Niets is echter minder waar: daar de tripartiete alliantie tijdens de democratische overgang in 1994 er niet in slaagde een zwarte, nationale overname af te dwingen van de hoofdindustrieën (waaronder voornamelijk mijn- en landbouw, maar ook financiën, vastgoed en ICT), blijft de economie – en dus de staat – in de handen van een ondemocratische oligarchie. Zelfs SARB, de centrale bank van het land, is bezit van private investeerders, en de binnenlandse bankensector in haar geheel is voor slechts 24% een Zuid-Afrikaanse aangelegenheid! Vandaar is het, voor zover de kans op state capture door nieuwe kandidaten – zoals de Gupta’s – realistisch is, toepasselijker te spreken van jaloerse koloniale White Monopoly Capital die angstvallig en preventief concurrenten demoniseert en uitschakelt.

Het is dus binnen dit kader dat men de “kruistocht” tegen Zuma’s corruptie dient op te vatten: het gaat hier niet om een absoluut moreel oordeel – in een neokoloniale economie stroomt het kapitaal per definitie weg van de massa die haar nodig heeft – maar een machtsverhouding ten opzichte van bepaalde mogendheden. Is er dan sprake van een heroriëntering onder Zuma, waardoor hij zich de woede van de koloniale economische elites op de hals haalde?

Ten eerste gaf Zuma blijk weg te willen stappen van de ineffectieve marktconforme herverdeling van grondstoffen en middelen, en zich in plaats daarvan te concentreren op directere ingrepen die hem op ramkoers met WMC zouden brengen. Zo richtte hij in 2011 het nationaal mijnbouwbedrijf AEMCF op dat als doel had steenkool te voorzien aan de nationale energieverdeler Eskom. In 2017 riep hij daarbij een handvest in het leven dat alle mijnbouwbedrijven zou verplichten haar zwart aandeelhouderspercentage binnen het jaar naar dertig procent op te krikken. In hetzelfde jaar verzocht hij in het parlement alle ‘zwarte’ partijen zich achter land expropriation without compensation te werpen – de landhervorming waarvan de noodzakelijkheid al sinds twee decennia overduidelijk was. Later datzelfde jaar willigde hij de eisen in van de Fees Must Fall-protesten door gesocialiseerd gratis hoger onderwijs af te kondigen, teneinde een “skills-revolutie in gang te zetten om de beloofde radicale socio-economische transformatie te verwezenlijken”. Dit initiatief zou deels gesponsord worden met het kapitaal van commerciële banken. Wat die sector betreft: Zuma kondigde aan dat de centrale bank genationaliseerd wordt. Daarbij versterkte hij antitrustwetgeving om de verregaande industriële monopolisering tegen te gaan en zuurstof te geven aan zwarte entrepreneurs.

Ook op geopolitiek vlak gaf Zuma de WMC hoofdpijn. Sinds 2013 zocht hij politieke en economische toenadering met China en in 2015 gaf ANC een policy-document uit, getiteld “A Better Africa in a Better and Just World”. Dit werd door een Amerikaans politiek magazine beschreven als “differing sharply from the more balanced multipolar approach of Nelson Mandela, who served as president from 1994 to 1999 [being] an upsurge of anti-Western, particularly anti-US, paranoia”. Concreet tekent het een geopolitieke visie uit die nauwere samenwerking van de BRICS-landen stimuleert, om zo een sterkere positie tegenover het westen te bemachtigen. Het bekritiseert openlijk het imperialisme en de Amerikaanse militaire AFRICOM-aanwezigheid in Afrika, en pleit ervoor samen met China een plan uit te tekenen om Zuid-Afrika in snel tempo te industrialiseren.

Het heeft echter niet mogen zijn. Na een bitse strijd binnen de ANC, versterkt door onophoudelijke mediacampagnes en beschuldigingen vanuit de oppositie, werd Jacob Zuma in februari 2018 met een vote of no confidence uit zijn ambt ontheven. Zijn opvolger, Cyril Ramaphosa, was onder Zuma vicepresident. Hij is geen onbesproken figuur: Ramaphosa is de tweede rijkste zwarte miljardair in Zuid-Afrika, met een geschatte waarde van meer dan vijf en een half miljard dollar. Mede dankzij wetten die hij zelf hielp implementeren zetelde Ramaphosa in raden van allerlei profijtelijke concerns, waaronder een brouwerij, financiële groepen en metaalverwerkingsbedrijven. In 2012 droeg hij deels de schuld aan de moorddadige security-interventie bij een mijnwerkersstaking in Marikana, toen hij de stakers criminelen noemde en pleitte voor actieve repressie. Hierbij zouden 47 arbeiders om het leven komen.

Overigens reageert blank kapitaal stukken beter op Ramaphosa’s presidentschap dan op dat van zijn voorganger: de nationalisering van de centrale bank heeft hij in de koelkast gestoken, het mijnbouwhandvest is geannuleerd, de zogenaamde state-owned enterprises (waaronder Eskom) worden op kosten van het volk geprivatiseerd, gratis hoger onderwijs wordt beperkt tot het eerste jaar, taksen op levensmiddelen worden betaald door algemene prijsstijgingen en als kers op de taart is de landhervormingswet, die in het westen zo’n verbazing en angst uitlokte, gereduceerd tot een onderzoekscommissie die vermoedelijk pas na de verkiezingen van 2019 een antwoord gaat geven op de vraag of de hervorming eigenlijk gewenst is – een kwestie die ondertussen overduidelijk is.

En nu?

In deze context dat het westers imperialisme haar greep op Zuid-Afrika terug versterkt, komt niet toevallig de oude apartheidscultuur bij de Boeren terug boven water in de vorm van de Plaasmoorde-cultus. De mythe van het Swart gevaar wordt in leven gehouden met acties en marsen, symbolische kerkhoven met honderden witte houten kruisen en een internationale campagne in samenwerking met de politieke krachten in het westen die tot 1994 het apartheidsregime met volle overgave steunden. Onder andere een groot deel van de Vlaamse beweging maakte zich daar schuldig aan. Zowel de oude CVP als de Volksunie, maar natuurlijk vooral het Vlaams Blok telden heel wat apartheidssupporters in hun rangen.

Dat verklaart waarom het Vlaams Belang en enkele N-VA’ers zoals Peter Luycks vandaag de Plaasmoorde-mythe gretig ventileren. Op het congres van Vlaams Belang Jongeren op 10 maart kreeg naast de Amerikaanse alt-right ook het lot van de Zuid-Afrikaanse boeren een prominente plaats, omdat zij “af te rekenen krijgen met brutale ‘plaasmoorde’ en onteigeningen zonder compensatie”.[13] Op 22 maart 2018 hield de extreemrechtse studentenclub NSV haar jaarlijkse betoging in Gent met ‘stop de plaasmoorde’ als ordewoord. Hier was ook de racistische slogan ‘white lives matter’ hoorbaar, waarmee de alt-right in de VS het idee verspreidt dat zwarten en migranten een bedreiging voor de blanken zijn.

Het doet de haren te berge rijzen dat kranten als De Morgen en De Standaard over deze congressen, acties en uitspraken van N-VA en VB berichten zonder één kanttekening over hoe heel de mythologie bol staat van tegenfeitelijkheden en misrepresentaties, laat staan dat ze durven te wijzen op de imperialistische agenda achter de plaasmoorde-campagne. Zoals steeds gebruikt extreemrechts racisme om sympathie te vinden voor de belangen van de allerrijkste westerse roverkapitalisten. Die mogen schijnbaar op beide oren slapen: nu de bank- en landhervormingen uitgevoerd worden door een van hun bondgenoten, is er weinig gevaar dat de multinationale investeerders of de blanke landbouwelite zwaar komen te lijden. Of het in strijd gestaalde Zuid-Afrikaanse volk dit verraad zal pikken, valt echter nog te bezien.

Voetnoten:

[1] Chimere-Dan, Orieji. “Apartheid and Demography in South Africa” African Population Studies, Volume 1992, Issue 7, Apr 1992, p. 28 – 38. https://hdl.handle.net/10520/AJA08505780_31.

[2] Biko, Steve. I Write What I like. Picador Africa, 2004. p 39.

[3] Zie bijvoorbeeld: Lundahl, Mats. “Some stepping stones in the economic modelling of apartheid”, Economic History of Developing Regions, 2014, 29:2, 126-145, DOI:10.1080/20780389.2014.955274. en Moll, Terence. “Did the Apartheid Economy ‘fail’?” Journal of Southern African Studies, 1991, 17:2, 271-291, DOI: 10.1080/03057079108708278.

[4] Babu, Abdulrahman Mohamed. African Socialism or Socialist Africa? Zed Press, Londen, 1981. p 114-115.

[5] Ibid.

[6] Biko, Steve. I Write What I Like. Picador Africa, 2004. p 71-72.

[7] Lahiff, Edward. “’Willing Buyer, Willing Seller’: South Africa’s failed experiment in market-led agrarian reform” Third World Quarterly, 2007, 28:8. p 1578. DOI: 10.1080/01436590701637417.

[8] Moyo, Sam. African Land Questions, the State and Agrarian Transition: Contradictions of Neoliberal Land Reform. 2004. p 29-30.

[9] Philip, Kate et al. The impact of social and economic inequality on economic development in South Africa. United Nations Development Programme, New York, 2014. p 27.

[10] Ibid, p 47.

[11] http://www.cosatu.org.za/show.php?ID=2354

[12] Zie https://remgro.com/group-investments/media-and-sport/ en https://uncensoredopinion.co.za/know-history-call-white-monopoly-capital-owned-controlled-media/.

[13] https://sceptr.net/2018/03/vlaams-belang-jongeren-herkiezen-bart-claes-tot-voorzitter/. Hierbij moet meteen gezegd worden dat de plaasmoorde een ‘normale’ uitdrukking van criminaliteit zijn – eenzame, rijke boerderijen zijn nu eenmaal makkelijker te beroven dan de zwaarbewaakte voorstedelijke gated communities – en in geen enkele zin iets te zien hebben met een progressieve herverdeling van grond of goederen, zoals de expropriation bill beloofde te zijn.

Deze nieuwssite is niet-commercieel, onafhankelijk en 100% gratis dankzij uw steun. We rekenen op uw fair share. Maandelijks, Jaarlijks, Eenmalig. Giften vanaf 40 euro zijn fiscaal aftrekbaar.