about
Toon menu
Mediakritiek

Waarom onze media niet neutraal zijn

Al doen sommige journalisten en redacties sterk hun best om ‘objectief’ nieuws te brengen, onze media zijn nooit neutraal. Net als in elk ander domein van de samenleving, spelen er ook in de media bepaalde belangen en is het noodzakelijk van die te leren (her)kennen.
dinsdag 31 oktober 2017

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

De media worden soms ‘de vierde macht’ genoemd naast de wetgevende macht (d.w.z het parlement), de uitvoerende macht (d.w.z. de regering) en de rechterlijke macht (d.w.z. het juridische apparaat). De media wordt op die manier gezien als een noodzakelijke kracht in de samenleving die in de eerste plaats bestaat om het bredere publiek te informeren en de bestaande machtsstructuren aan een kritische blik te onderwerpen.

 Verschillende media-analyses wijzen echter uit dat de media die opdracht vaak niet vervult. Ze slagen er dikwijls niet in om burgers correct te informeren of werkelijke kritisch met de bestaande machtsstructuren om te gaan. Dat heeft verschillende redenen. Zo wordt bijvoorbeeld geregeld aangehaald dat de media al te snel te werk moeten gaan. Door de verwachting dat mediakanalen hun lezers, luisteraars en kijkers steeds zo snel mogelijk informeren, hollen ze dikwijls achter de feiten aan en wordt niet altijd voldoende tijd genomen om bepaalde nieuwsinformatie grondig te checken. Ook de concurrentiedruk tussen mediabedrijven wordt vaak vernoemd. Deze zorgt er immers voor dat vele mediakanalen niet meer instaat zijn om grondige onderzoeksjournalistiek te betalen.

Het gaat echter dieper dan dat. In de hedendaagse werking van de media spelen een aantal processen die vaak onderbelicht blijven maar die een grote impact hebben op de berichtgeving en die er voor zorgen dat de meeste mediakanalen hun functie van kritische informatieverstrekker niet voldoende (kunnen) opnemen. Eén van de bekendste analyses van dergelijke onderhuidse processen is het propaganda model van Edward S. Herman en Noam Chomsky. Dit model duidt een vijftal ‘filters’ aan die er voor zorgen dat de beeldvorming in onze media dikwijls sterk gekleurd is, weinig kritisch uit de hoek komt en uiteindelijk vooral een bevestiging vormt van de dominante normen in onze samenleving.

  • Mediabedrijven zijn commerciële instellingen. Omwille van hun bedrijfsmodellen (zeker van de hedendaagse mediagiganten) streven zij in de eerste plaats winst na en niet zozeer het objectief verstrekken van informatie. Mediabedrijven zullen daardoor eerder aandacht schenken aan zaken die winst opbrengen omdat ze veel gelezen, beluisterd of bekeken worden dan over zaken die soms complex zijn en moeilijk te begrijpen door een breed publiek. Nieuws is bijgevolg niet altijd ‘interessant’ voor een mediabedrijf omdat het nuttige informatie biedt maar wel omdat het controversieel, spannend of schokkend is.
  • Het inkomen van deze op winst gefocuste mediabedrijven wordt in hoofdzaak uit advertenties gehaald en niet uit abonnementsgeld. Indien een mediabedrijf financieel het hoofd boven water wil houden is het dus niet zozeer van belang of de lezers en kijkers zich geïnformeerd weten, het is vooral van belang dat men adverteerders kan aantrekken en deze niet voor het hoofd stoot. De berichtgeving zal dus zo min mogelijk ingaan tegen de belangen van de adverteerders – die per definitie tot de meer kapitaalkrachtige en dus dominante groepen in de samenleving behoren.
  • Door de inherente snelheid van hun werk zullen media vooral vertrouwen op informatie die afkomstig is van staatsinstellingen, hooggeplaatste politici, experten uit grotere organisaties of woordvoerders van belangrijke bedrijven. Er zal daarentegen minder moeite gedaan worden om rapporten van onafhankelijke en kleinere onderzoeksinstellingen of NGO’s grondig door te nemen. En zelfs indien deze aandacht krijgen, zal deze aandacht in verhouding veel kleiner zijn.
  • Redactieteams krijgen ook heel wat negatieve reacties over zich heen wanneer ze al te kritische opinies en nieuwsitems naar voor schuiven. Soms zijn deze aanvallen georkestreerd maar veelal zijn zij het evidente gevolg van het feit dat de dominante groep in de samenleving zich aangevallen voelt. Het zorgt er voor dat redacties op hun hoede zijn om niet overmatig veel negatieve reacties over zich af te roepen – zeker wanneer dat de relatie met de adverteerders in de weg zou staan.
  • Hoewel men journalisten graag afschildert als ‘objectieve berichtgevers’, kunnen we er niet om heen dat ook zij er altijd een specifiek mens- en wereldbeeld op na houden. Dat specifieke mens- en wereldbeeld zorgt er voor dat men bepaalde feiten en gebeurtenissen op een specifieke manier interpreteert en er bijgevolg op een specifieke manier over bericht. Daarenboven behoren journalisten in hoofdzaak tot de dominante groep van de samenleving. Hun interpretatie en de beschrijving van de actualiteit gebeurt bijgevolg ook al te vaak op basis van de dominante norm.

Dat laatste punt is uiterst belangrijk. Journalisten en redactieleden staan immers op geen enkele manier los van de maatschappelijke omwentelingen. Zij zijn, net zoals ieder van ons, doordrongen van een bepaalde kijk op de mens en de samenleving – een kijk die ze ook geregeld reproduceren en mee in stand houden. Dat wordt nog eens versterkt door het feit dat het doelpubliek van de meeste mediakanalen tot de dominante groep behoort. Onze media gebruiken daarom vooral bewoordingen en beelden die binnen het denkkader passen van die dominante groep.

Dus al doen sommige journalisten en redacties sterk hun best doen om ‘objectief’ nieuws te brengen, onze media zijn nooit neutraal. Net als in elk ander domein van de samenleving, spelen er ook in de media bepaalde belangen en is het noodzakelijk van die te leren (her)kennen.

Wanneer we die belangen erkennen dringt zich echter een evidente vraag aan ons op: hoe gaan we in de praktijk dan om met die mediafilters? Het antwoord op die vraag is gelukkig niet zo moeilijk: als ‘mediaconsument’ komt het er vooral op aan verschillende bronnen naast elkaar te leggen, je niet te laten leiden door één specifiek mediakanaal en bewust alternatieve media te raadplegen die een andere stem laten weerklinken.

Dat kost natuurlijk veel tijd en moeite, maar de keuze is eenvoudig: of men blijft consequent kritisch of men wordt opgezadeld met een vertekend wereldbeeld. Dat is niet omdat de ‘mainstreammedia’ geen goede journalisten in huis hebben. Integendeel. Behoorlijk wat journalisten doen wel degelijk hun best om kritische berichtgeving naar buiten te brengen. (Voor de alternatieve media geldt trouwens hetzelfde: ook daar kan men heel wat degelijke (burger)journalisten aantreffen, maar worden zeker ook veel fouten gemaakt.)

Zoals deze filters duidelijk maken, gaat het uiteindelijk om een structureel probleem van vervlochten handelsbelangen en diepgewortelde wereldbeelden. Om wat meer bestand te zijn tegen zo’n structurele dynamieken, zal het altijd zoeken zijn naar spelden in de hooiberg die de dominante beeldvorming kunnen doorprikken.