about
Toon menu

Mensen zijn het kotsbeu enkel consument te zijn

In het laatste nummer van Oikos in 2014 publiceerde coördinator Dirk Holemans een open brief. Hij waaierde onder de titel 'Autonomie: samen de toekomst vormgeven' breed uit over de problemen en uitdagingen van deze tijd. Holemans' conclusie is dat de toekomst in het heden ligt. Een samenvatting.
vrijdag 23 januari 2015

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

Beste wereldgenoten,

Hebt u ook het gevoel dat u meegesleurd wordt in het leven? Dat de lat elk jaar hoger komt te liggen? Dat de zoektocht naar een goed leven lijkt op een wedstrijd die je niet winnen kan?

Wat me vooral opvalt, is dat we een aantal vragen niet meer stellen die misschien wel tot de kern van het menselijk bestaan en onze beschaving gaan. Over wat we belangrijk vinden in het leven. En of we onze samenleving daarvoor op de juiste wijze inrichten.

De Oude Grieken bogen zich al over de vraag naar het goede leven. Er zijn ook nieuwe vragen en antwoorden nodig. Voor het eerst is de invloed van het menselijk handelen op de aarde de grootste factor van verandering. We leven niet langer in het holoceen. Wetenschappers benoemen onze geologische tijd sinds kort als het antropoceen, omdat mensen het klimaat en de atmosfeer drastisch beïnvloeden.

Ongeveer iedereen is het erover eens is dat de leefbaarheid op aarde op het spel staat. Zelfs de Wereldbank spreekt van een klimaatopwarming van 4° Celsius bij ongewijzigd beleid. Tezelfdertijd stellen meer en meer mensen zich vertwijfeld de vraag of hun kinderen het nog wel beter gaan hebben dan zij zelf. Alleen leggen we zo weinig verband tussen deze twee zaken. En daar zit de sleutel: wat bedoelen we met ‘beter’?

Als het gaat om ‘meer van hetzelfde’, namelijk een Vooruitgangsgeloof dat we eenzijdig zijn gaan invullen door het opstapelen (en weggooien) van materiële spullen, dan kan het moeilijk ‘beter’ gaan. Dan gaan we niet meer vooruit. Dat is dus de hamvraag: wat verstaan we onder beter? En beantwoorden we die vraag zelf, in dialoog? Of laten we dat aan anderen over, waarbij we onze autonomie uit handen geven?

Bij wijze van denkoefening introduceer ik drie vragen.

  • Stel dat je in een samenleving leeft met heel veel houten tafels, verschillende per woning, en amper nog bossen. Is het dan logisch dat we houten tafels blijven kopen en daarvoor de laatste bossen kappen?
  • Welke autonome, zelfbeheerde kennissystemen, over natuur, landbouw, voeding en onszelf zijn we de voorbije decennia kwijtgespeeld? Is het normaal dat heel wat burgers niet meer weten waar hun voedsel vandaan komt?
  • Kunnen we een wereld bouwen waarbij we geen rekening houden met de natuur?

Autonomie, eerste bezoek

Wat verstaan we eigenlijk onder autonomie? Intrigerend is alvast wat Van Dale schrijft: het woord komt van het Griekse autonomia, en betekent ‘de vrijheid om de eigen wetten te volgen’. Maar hoe maken we die wetten?

I. De fiets van de 20ste eeuw

Ons model uit de twintigste eeuw biedt geen toekomstperspectief meer. Barbara Muraca vergelijkt ons sociaaleconomisch systeem met een speciaal type fiets. Niet alleen moet je voortdurend blijven trappen, op deze fiets moet je ook steeds sneller fietsen, anders blijft hij niet stabiel. Dat is de paradox van ons systeem: het is enkel stabiel als het versnelt.

De toenemende welvaart steunt op een voortdurende stijging van de productiviteit. Dat betekent eenvoudig: meer spullen maken met dezelfde mensen per uur. Of iets meer spullen met minder mensen. En daar zijn we heel goed in geslaagd. Wat er echter gebeurt als er bijvoorbeeld meer auto’s worden gemaakt dan we nodig hebben, hebben we de laatste twintig jaar kunnen merken. Dan sluiten autoconcerns productiefabrieken. En naarmate de automarkt meer verzadigt en de productiviteit verder stijgt, hebben we nog minder fabrieken nodig, en dus minder jobs.

In ons model van welvaartsstaat hebben we ervoor gekozen om de koopkracht te doen stijgen en veel minder om de werkweek te verkorten en zo extra jobs te creëren. Maar omdat hogere productiviteit meestal wordt gehonoreerd met koopkrachtverhoging, zitten we in de vicieuze cirkel van werken en uitgeven. We werken harder, en gaan dan met de verhoogde koopkracht op zoek naar een ontspannende compensatie.

Nadien is hetzelfde perspectief toegepast in onderwijs en zorg. Waarom zouden we een ziekenhuis niet organiseren als een efficiënte fabriek? Ons gezond verstand kent het antwoord: verzorging of leerlingen kennis bijbrengen veronderstelt menselijk contact, vertrouwen en interactie. Maar ondertussen zitten we met dat doorgeslagen efficiëntiedenken in alle domeinen van de samenleving.

De razende stilstand

Hartmut Rosa beschrijft in Snelle samenleving, trage democratie drie categorieën van versnelling: de technische, die van het levenstempo en die van sociale verandering. De technische versnelling is de meest evidente: een citytrip over de oceaan is mogelijk geworden. De versnelling van het levenstempo handelt over het aantal zaken dat we per tijdseenheid willen doen. We droomt er niet van multitasken? De versnelling van sociale verandering gaat over versnellingen van de samenleving zelf, die leidt tot de inkrimping van het heden. De ‘houdbaarheidsdatum’ van onze ervaringen en verwachtingen wordt steeds korter.

De inkrimping toont zich helder in gezin en werk. Vandaag de dag is de flexibiliteit er eigen aan: een relatie duurt een liefde lang, je huidig werk tot de volgende jobkans of bedrijfsherstructurering. Een motor van maatschappelijke versnelling is het concurrentieprincipe, ook voor hobby’s, partners, vrienden, enz. En omdat er meer te zien en ervaren is dan een mensenleven toelaat, proberen we dit euvel te verhelpen door ‘dubbel zo snel te leven’. In die zin bestempelt Rosa ons modern leven als tragisch: we hebben nog nooit zo hard gehold, om de indruk te krijgen dat we steeds meer missen… De razende stilstand noemt hij dat, terwijl er geen ruimte meer is voor een toekomstverhaal. Voor Rosa ondermijnt zoiets de neiging en de mogelijkheid om zich stukjes wereld eigen te maken en verrijkende relaties op te bouwen. Zo vormt de voortdurende dynamisering de lont bij duurzame relaties. De prijs daarvoor is een permanente rusteloosheid en een radicaal verlies van autonomie.

Grenzen aan de Groei

De op hol geslagen versnelling is ook ecologisch onhoudbaar. Elk jaar gebruiken we meer fossiele brandstoffen, halen we meer grondstoffen uit de aarde, stoten we mondiaal meer broeikasgassen uit… We komen stilaan op kantelpunten aan, waar ecosystemen kunnen in elkaar storten en waar een stabiele temperatuur, zoet water of visbestanden geen evidentie meer zijn.

Als elke aardbewoner zou leven als een Belg, hebben we meer dan vier aardes nodig. Het gaat dus ook over ecologische rechtvaardigheid, want waarom zou niet elke mens recht hebben op een even groot aardeaandeel? Hoe onrechtvaardig is het niet dat juist die landen die in het verleden amper hebben bijgedragen tot de uitstoot van broeikasgassen net nu het hardst worden getroffen? We hebben in het Westen hierbij een belangrijke opdracht. Dat betekent dat wij onze voetafdruk drastisch moeten terugschroeven, bijvoorbeeld onze uitstoot van broeikasgassen met 90%.

En de uitputting van de aarde staat niet op zich. Dat werd me recent duidelijk door het bericht dat steeds meer mensen terechtkomen in een burn-out. En dat is tragisch, want dat gaat veel dieper dan een depressieve bui. Na een burn-out geraak je meestal niet terug op het energieniveau van ervoor. In mensentaal: onze samenleving maakt steeds meer mensen ziek, beschadigt ze voor het leven, beperkt hun autonomie. De definitie van burn-out luidt: ‘het eindstadium van langdurige, vaak jarenlange, roofbouw op het lichaam’. En de term is dus net zo goed van toepassing op mensen, als op de planeet aarde. En wie denkt over alle grenzen te kunnen gaan, krijgt misschien eerst een kick maar beschadigt finaal zijn of haar autonomie. Daarenboven lijkt het alsof we geen tijd of ruimte hebben om eruit te stappen, aan een nieuw samenlevingsmodel te werken. Van echte autonomie is dan ook weinig sprake. Of lijkt dat maar zo?

II. De fiets van de 21ste eeuw

Als het oude model krakend vastloopt, hebben we nood aan een nieuw maatschappelijk model. Hoe zo’n model er in detail eruitziet, weten we niet. Maar de contouren zijn helder: draait enkel op hernieuwbare energie, stoot 90% minder broeikasgassen uit, brengt uitputbare grondstoffen in een gesloten kringloopeconomie, zorgt ervoor dat ecosystemen zich kunnen herstellen – en dat in een samenleving waar mensen terug op adem kunnen komen en waar de homo economicus vervangen is door de homo collaborans.

Door spullen te delen, hebben mensen wat ze nodig hebben zonder alles te moeten kopen. Hierdoor is minder koopkracht nodig, wat goed uitkomt want ze werken ook minder. En in peer-to-peer netwerken zijn ze ook terug producent geworden, werken samen in de nieuwe microfabrieken. En last but not least: van consumenten zijn ze terug burgers geworden, die greep hebben gekregen op de naaste omgeving én op grootschalige uitdagingen zoals klimaatverandering.

Autonomie, tweede bezoek

Hoe verwerven we die autonomie? Daarvoor is een kleine terugblik nodig op hoe we autonomie zijn kwijtgeraakt. Het huidige gevoel van onmacht was afwezig bij ecologische denkers van het eerste uur, zoals André Gorz of Ivan Illich. Ze geloofden sterk in de kracht van samenwerking en de uitbouw van een alternatief systeem.

Vier decennia geleden ging het voor Gorz om greep te krijgen op de eigen leefomgeving, tegen oprukkende industrieterreinen en een autoritaire overheid. Zijn tijdgenoot Illich omschreef autonomie als goed samenleven onder de term 'convivialiteit', waar we vrijheid realiseren in onderlinge verbondenheid. De bevrijding van de burger en het ontstaan van nieuwe sociale bewegingen vond echter onvoldoende snel weerklank in de traditionele politiek. Klassiek links vond geen antwoord op de economische crises van de jaren ’70 toen oliesjeiks de kraan dichtdraaiden. Dat gaf aan rechts de ruimte om aan zet te komen. Ondertussen evolueerde de identiteit van mensen verder. Het moderne ideaal van emancipatie krijgt nu gezelschap van de verbrokkelde identiteit verbonden met, zoals Zygmunt Bauman dat noemt, de vloeibare moderniteit.

Paul Verhaeghe omschrijft krachtig hoe onze identiteit tot stand komt: als resultaat van voortdurende interactie met anderen. Onze identiteit zit niet al in ons, helemaal klaar, om zich dan slechts te ontpoppen. Tim Jackson voegt hieraan toe dat onze identiteit vorm krijgt in voortdurende interactie met consumptiegoederen. Ook zij communiceren in feite elk merklogo dat we zien. In de versnellende samenleving ontstaat zo een flexibele en gefragmenteerde identiteit, die moet voldoen aan de eisen van de verhardende arbeidsmarkt, meer gericht is op het heden, en consumptie ziet als belangrijke vorm van expressie en identiteitsopbouw. Jackson besluit: “Mensen worden aangemoedigd om, met geld dat ze niet hebben, dingen te kopen die ze niet nodig hebben, om een niet blijvende indruk te maken op mensen om wie ze niets geven.”

De crisis, een keerpunt

Etymologisch betekent crisis ‘een beslissend keerpunt; een periode van ernstige stoornis’. En dat merken we elke dag in de samenleving. Mensen zijn het kotsbeu enkel consument te zijn van een losgeslagen systeem dat enkel onzekerheid produceert. En als er geen zingevende grote verhalen meer zijn, dan steken ze zelf de handen uit de mouwen. Ze beginnen aan een project van stadslandbouw, zoals een samenmoestuin, organiseren een repaircafé of ruilbeurs, willen een energie-coöperatieve oprichten of starten een transitiewijk op.

Tweestromenland

Ons maatschappelijk model van de sociale verzorgingsstaat uit de twintigste eeuw kreunt in al haar voegen. Dertig jaar neoliberaal beleid, nog altijd de hoofdstroom in onze samenleving, hebben de publieke sector uitgekleed. De markt krijgt een grotere rol en er wordt geknipt in de sociale rechten. En terwijl de overheid de financiële elites ongemoeid laat, stijgt de disciplinering van sociaal zwakkere groepen. In Europa heerst, na de eeuw waar gelijkheid de kern van het maatschappelijk project vormde, de crisis van de ongelijkheid. En gelukkig oogst deze afbouw van de welvaartsstaat veel protest. Vakbonden en andere middenveldorganisaties mobiliseren meer dan honderdduizend mensen voor een protestbetoging. Laat ons de ecologische agenda integreren in deze sociale agenda. Want de sociale rechten van de toekomst kunnen enkel vorm krijgen als ze hand in hand gaan met de aanpak van de ecologische crisis, de opbouw van ecologische rechten.

Daarom is het hoopvol dat er terug een tegenstroom ontstaat die werkt aan toekomstvaardigheid. Het is logisch dat nieuwe initiatieven zich ontwikkelen als hoopvolle eilanden in de zee, en interessante ideeën ontspruiten zonder dat er zicht is op een samenhangend geheel. De tegenstroom bestaat nog vooral uit beekjes en riviertjes zonder veel samenhang. Zoals Harald Welzer stelt in Zelf Denken, gaat het hier om de sociale beweging die nog niet weet dat ze bestaat. De opdracht is dan ook om het toenemend aantal initiatieven, lokale praktijken en netwerken met elkaar te verbinden.

Ik zie alvast drie paden om elkaar in synergie te versterken.

  • Binnen een sector kan een veelheid aan initiatieven een trendbreuk op gang brengen. Hét voorbeeld is de Duitse Energiewende, de ambitie om vanuit een krachtig klimaatbeleid de Ökostrom te stimuleren. Door een stabiel regelgevend kader ging het aandeel ecostroom in Duitsland van 3,4% in 1990 naar ondertussen meer dan een kwart. Elke maand komen er nieuwe burgerinitiatieven bij. Daardoor zijn Duitse burgers, al dan niet in coöperaties, eigendom van bijna de helft van hernieuwbare energie-installaties! Burgers vervangen technologie die hun leefmilieu bedreigt en waar ze geen greep op hebben (zoals kernenergie) door een gedecentraliseerd netwerk van lokale, hernieuwbare energieproductie. Dat is autonomie ten voeten uit.
  • Wereldwijd nemen vooral steden het initiatief om werk te maken van transitie. Ze zijn koploper op vlak van klimaatneutraliteit, duurzame mobiliteit en alternatieve voedselsystemen. De nieuwe lokale initiatieven staan voor de uitdaging om zich te verenigen, samen met bestaande middenveldorganisaties, tot een nieuw lokaal middenveld dat mensen kan mobiliseren. Dat is belangrijker dan het lijkt. In de eenentwintigste eeuw zijn we gegaan van government naar governance: lagen van overheid.
  • In onze internetsamenleving zijn lokale initiatieven tegelijk open en verbonden. Deze netwerkvisie sluit naadloos aan bij het belang dat Michel Bauwens in De Wereld Redden onderstreept van peer-to-peer netwerken. Er zijn nu niet alleen open source softwaresystemen, ook in de productiesector zijn er initiatieven zoals open hardware en open design. Met de huidige technologie (3D-printers, krachtige software, …) ligt de weg open voor lokaal beheerde microfabrieken die vraaggestuurd produceren. Autonomie heroveren gaat ook uitdrukkelijk over de economische sfeer.

Herpolitisering

Een soms terecht geuite kritiek is dat mensen zich beperken tot het realiseren van hun lokaal transitie-initiatief, denk aan een samenmoestuin. Hoe waardevol ook zal dat de wereld niet veranderen. Transitie staat voor systeemverandering. En daar hoort systeemverstoring bij! Wie een ander voedselsysteem wil, moet ook een vuist maken tegen de bestaande machtsconcentratie bij een handvol multinationals. En wie investeert in hernieuwbare energie, moet het gevecht aan met de grote olieconcerns. Zoals Naomi Klein schrijft, is eigen aan deze nieuwe protestbeweging dat ze niet meer onderhandelt, niet opnieuw gaat zoeken naar compromissen. Waarom vruchtbare landbouwgrond, kwetsbare rivierdelta’s en historische cultuurlandschappen opofferen, als 80% van alle fossiele brandstoffen onder de grond moet blijven?

Autonomie 2.0

Voor ecologische denkers slaat autonomie op de vrijheid om het goede leven te kunnen realiseren. Als een agressieve markt of de autoritaire overheid onze autonomie inperkt en heteronomie introduceert, verliezen we ‘het vreugdevolle potentieel om de wereld zelf vorm te geven’ (Illich). Autonomie overstijgt een eenzijdige individualisering. Autonomie betekent vanuit ecologisch perspectief ook niet dat we alles altijd onder controle hebben: met andere mensen samenwerken betekent openstaan voor hun ideeën en reacties, de vrijheid aanvaarden dat het dus morgen anders kan lopen dan verwacht.

Autonomie is ook geen abstract begrip. Het verwijst naar het domein waar burgers zich organiseren los of complementair van markt en staat (zonder systeemdruk vanuit deze sferen). Daar maken burgers ruimte voor andere levensdimensies. Het kan gaan om activiteiten die de markt en de overheid ook organiseren. Toch spelen er in de autonome sfeer andere sociale verhoudingen. En al deze systemen kunnen gevat worden onder de term commons: het ‘zorgbeheer’ door burgers van gemeenschappelijke natuur, goederen of diensten.

III. Wat staat ons te doen?

1. Identiteit

Als we het belang van identiteit aanvaarden, dan is het de hoogste tijd werk te maken van een omgeving die een andere identiteitsopbouw mogelijk maakt, weg van concurrentie en vermarkting. Dat betekent dat we onze omgeving bevrijden van de dagelijkse tsunami aan reclame. Daarmee kunnen we goed begin maken in de publieke ruimtes.

Deze zienswijze laat ons ook toe pagina 1 van heel wat economiehandboeken anders te lezen. Daar staat dat economie gaat om de bevrediging van behoeften. Niets verplicht dat dit moet gebeuren binnen een marktsfeer gedomineerd door winststreven. We kunnen onze autonomie dus sterk verhogen als we erin slagen als burgers onze wensen, noden en capaciteiten beter af te stemmen in hedendaagse civiele ruil- en handelssystemen zoals LETS.

2. Collectieve actie

Als we ons voortdurend laten reduceren tot individuele consument, zullen we nooit krachtdadig worden. Enkel als we ons collectief als burger mobiliseren, met positieve concrete praktijken én grote betogingen van verontwaardiging, doen we van ons spreken, kunnen we op de maatschappelijke agenda wegen. Vanaf vandaag is het storten van een donatie voor een ngo, of het ondertekenen van een Facebook-petitie, hoe zinvol ook, dus niet meer voldoende: word actief lid of start zelf een vereniging op.

3. De eigen economie ontwikkelen

Uiteraard gaan we morgen niet allemaal een job vinden in de alternatieve economie. Maar ze mee ontwikkelen kunnen we wel. Op de Belgische spaarboekjes staat meer dan 240 miljard euro. Als we daar jaarlijks 1% investeren in infrastructuren van de toekomst, van hernieuwbare energienetwerken tot lokale voedselsystemen, komt er veel in beweging. En door te kiezen voor echte groene stroom en lokaal voedsel uit de plaatselijke biowinkel, hebben we meer impact dan we denken.

Er zijn zoveel mogelijkheden. Het komt erop neer de graaieconomie te vervangen door een balanseconomie, waar mensen een evenwichtig leven kunnen leiden, en de economie in balans is met wat de aarde kan dragen.

Autonomie: de cirkel is rond

In de jaren zeventig van de vorige eeuw hadden ecologische denkers een duidelijk beeld van autonomie. André Gorz verzette zich tegen het principe dat experts meer en meer beslissingen nemen, over de hoofden van de mensen heen. Ivan Illich omschreef toen de opdracht waar we nu voor staan: “In plaats van instituties en technologieën te ontwerpen ten dienste van de productiviteit en efficiëntie van een winstgebaseerde groei-economie, is het nu tijd voor ontwerpers ten dienste van conviviaal samenleven.”

Daar voegen we een les van Michel Bauwens aan toe. Het nieuwe systeem dat we dromen en ontwikkelen zal ontstaan in de schoot van het oude. De naïeve gedachte van een ‘revolutie van de ene dag op de andere overnacht’ zal niet werken. En dat betekent dus elke dag zo ver gaan als we kunnen, maar ook leren leven met paradoxen en contradicties. Dat een stad ernaar streeft autoluw te worden terwijl de hogere overheid miljarden blijft investeren in auto-infrastructuur van de twintigste eeuw. En we dus het ene moeten uitbouwen en het andere bekampen. Er is werk te doen.

Met hoopvolle groet,

Dirk Holemans

Denktank en tijdschrift Oikos organiseert op 31 januari een feestcongres. Plaats van handeling is de Vooruit in Gent. Met de inspirerende denkers Michiel Bauwens, Olivier De Schutter, Paul Verhaeghe en Harald Welzer. Inschrijven via www.oikos.be

reacties

2 reacties

  • door Robrecht Vanderbeeken op vrijdag 23 januari 2015

    Boeiende denkoefening - ideaal om een paar amendementen aan toe te voegen. De nadruk op ‘autonomie’ los van de staat leest als Proudhon. De geschiedenis lijkt zich dus te herhalen: Marx schreef er een kritiek op in 1849 (de armoede van de filosofie).

    De blinde vlek in deze analyse is de rol van de staat. Die is hier meteen ‘autoritair’, negatief dus. Het klopt natuurlijk dat onze sociale overheid vandaag steeds meer naar een kapitalistische staat evolueert (als butler van bank en beurs) en dus dat een exodus, loskomen van die staat (i.e. de uitbouw van een civiele samenleving) aangewezen is. Maar dan wel als opstap voor een herpolitisering van ons openbaar bestuur.

    De hier omschreven 'autonomie' is hier dus eerder een middel dan een doel. Het is namelijk een illusie te denken dat je zonder een sterke sociale overheid tot een sterke civiele samenleving kan komen. Die overheid is nodig als garantie (collectieve en democratische planning) en bescherming (tegen het winstbejag van de markt) van de uitbouw van een sociaalecologische maatschappij.

    Dat brengt ons tot het verschil tussen 'autonomie' zoals hier omschreven en soevereiniteit: zelf ethisch en ecologisch in alle noden willen voorzien (voedsel, energie, transport…) is ondanks het waardevolle ervan, zonder collectief geplande samenleving ook een terugkeer naar een premoderne maatschappij waarin al onze energie gaat naar het zelfbehoud.

    Dan kan je soms, als het lukt, inderdaad zelf beslissen (autonoom en dus onafhankelijk in je eigen onderhoud voorzien) maar het maakt wel onvrij (want weinig vrije tijd, veel tijd is immers nodig voor de voorziening van primaire zaken, niet iedereen beschikt over dezelfde mogelijkheden om in deze convivialiteit te kunnen voorzien, zeker kansengroepen niet…). De definitie van vrijheid (als vrij van nutteloze arbeid) staat hier diametraal op.

    Vandaar dat een moderne samenleving in principe openbare diensten plant zodat wij soeverein kunnen zijn: eerder dan dat we zelf in onze economische huishouding moeten voorzien, wordt het (idealiter) sociaal georganiseerd. We moeten dan geen ‘ondernemer-van-het-zelf’ zijn, die nog steeds geconfronteerd blijft met een ‘competitie’ ten aanzien van anderen.

    Dat is ook het probleem met de notie van ‘de commons’ van de ‘nieuwe communisten’: het blijft een (belangrijke) ontwikkeling binnen een kapitalistische maatschappij. Prof. Radhika Desai schreef daar heel rake dingen over (o.a. in haar: The new communists of the commons: 21st century Proudhonists?’, pdf gratis online te verkrijgen), ze legt ondermeer uit waarom filosofen als Badiou en Zizek tekort schieten in hun hedendaagse analyses van ‘de communistische hypothese’.

    • door Lucie Evers op maandag 26 januari 2015

      Er is zeker een vorm van 'staat' nodig, alleen is de oude vorm redelijk voorbijgestreefd: ze heeft nog maar weinig legitimiteit (kijk naar de voortdurende identiteitscrisis bij de sociaal democraten of kristen democraten), ze heeft nog maar weinig visie (zie het louter electoralisme van verkozenen), ze heeft nog maar weinig economische macht (zie Piketty en de samenstelling van het nationaal kapitaal) en weinig kracht (zie de ondermaatse burgerschapsvaardigheden bij grote delen van de bevolking). De overheid, als systeem van governance, moet zowel voorwaarde scheppend zijn als controlerend voor de werking van de markt. En de overheid moet herverdeling blijven organiseren. Maar dan wel in het verlengde van de autonomie van de burger, die meteen ook meer burgerschap aan de dag zal leggen. Ook economisch werkt het vakbondsmodel niet meer: het zit even vast als het kapitalisme. Vakbonden en Kapitaal doen een wedstrijdje touwtje trek. Maar de vakbond zet helemaal niet in op die grotere groep van mensen die helemaal nooit via de arbeidsmarkt zullen deelnemen aan de maatschappij, laat staan dat het kapitaal zich leent tot mens intensieve sectoren. De commons, en veel wat Dirk schrijft, gaat met name over de inclusie van mensen die niet meteen kapitaalverstrekkers zijn, maar ook niet op een traditionele manier hun arbeid verhuren. Wat wel een punt is: de kansengroepen. Zij zullen in die nieuwe dynamiek ook in de kou staan, want de nadruk op die mogelijkheid om het eigen leven vorm te geven (interne locus of control, het verlichtingsideaal) legt een belangrijke zwakte bloot: wie niet over die levensvaardigheden beschikt is eigenlijk niet welkom. Daarom pleit ik ervoor dat de middenklasse (werknemers) onder begeleiding van de vakbonden meer empowered worden om met het onvermijdelijk verminderen en verlies om te gaan. We zullen verliezen, dus kies uw verlies, verlies vrijwillig en doe het in stijl... Ook de vakbondsleden geloven in de trickle down, net omdat niemand wil verminderen ten voordele van de (kans) armen... Het herverdelingsvraagstuk ligt op tafel, en niet alleen de 80 rijken moeten een bijdrage leveren.

    Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties