about
Toon menu
Analyse

Venezuela: terminale crisis van het opbrengstmodel van de olie?

Venezuela ondergaat sociale transformaties. Het land steunt daarbij op oliereserves, maar die zijn niet oneindig. Bovendien is er na de dood van Hugo Chávez geen missie tegen het begrotingstekort. Valt er een postolietijdperk te betreden waarin de relaties tussen staat, markt en georganiseerde maatschappij in evenwicht zijn? Volgens professor Lander kan Venezuela slechts op strenge voorwaarden de democratie versterken en voedselsoevereiniteit ontwikkelen.
woensdag 17 december 2014

Vindt u dit artikel de moeite? Geef ons dan uw fair share.

In de jaren van de bolivariaanse regering hebben zich in Venezuela duidelijke transformaties voltrokken op het vlak van politieke cultuur, het sociale en organisatorische netwerk, alsook in de materiële voorwaarden van de populaire sectoren die voorheen uitgesloten waren. Door verscheidene sociale beleidsmissies – gericht op verschillende sectoren van de bevolking – werden de niveaus van armoede en kritieke armoede aanzienlijk teruggedrongen. In overeenstemming met de CEPAL is het land samen met Uruguay tot één van de landen met de kleinste ongelijkheid van Latijns-Amerika geworden [1]. De bevolking is er beter gevoed [2]. Er zijn effectieve alfabetiseringsprogramma's verwezenlijkt. Met Cubaanse steun heeft met de missie Barrio Adentro (Wijk Inwaarts) eerstelijns medische bijstand naar de volkse landelijke en stedelijke sectoren in het ganse land gebracht. Er deed zich een enorme uitbreiding voor van het stelsel van openbare tehuizen die miljoenen mensen van derde leeftijd huisvesten. Er werd eveneens een uitzonderlijke uitbreiding van het aantal inschrijvingen aan de universiteit tot stand gebracht. De laatste jaren werd een programma van volkswoningen gestimuleerd. Lage werkloosheidscijfers werden in stand gehouden en de tewerkstelling in de informele sector is van 51 procent in het eerste semester van 1999 naar 41 procent in het eerste semester van 2014 teruggebracht [3]. Men schat dat het bedrag dat tussen de jaren 1999 en 2013 besteed is aan sociale investering een totaal van zo'n 650 miljard dollar bedroeg [4]. Volgens het PNUD is de index van menselijke ontwikkeling gestegen van 0,662 in 2000 naar 0,748 in 2012, daarmee van een "gemiddelde" naar een "hoge" menselijke ontwikkeling geëvolueerd [5].

Tijdens deze jaren kon ook de organisatorische en participatieve dynamiek in de volkskringen zich uitbreiden: Mesas Técnicas y Consejos Comunitarios de Agua (Technische Platformen en Communautaire Raden van Water), Comités de Salud (Gezondheidscomités), Comités de Tierras Urbanas (Comités van Stedelijke Gebieden), Consejos Comunales (buurtcomités), Comunas (Stadsdelen). Het grootste deel van deze organisatorische dynamiek was het resultaat van een publiek beleid dat specifiek gericht was op de promotie van deze processen.

Het gewicht van de Venezolaanse ervaring was eveneens belangrijk – in het bijzonder het proces van de grondwet – voor de zogenoemde progressieve of linkse verschuiving die deze jaren in Latijns-Amerika heeft plaatsgehad. Ook belangrijk was de oprichting van verschillende regionale integratiemechanismen die de regionale autonomie ten opzichte van de historische afhankelijkheid van de Verenigde Staten heeft versterkt: UNASUR, CELAC, Petrocaribe, ALBA.

Nochtans waren de sociale transformaties die hebben plaatsgevonden niet het resultaat van transformaties in de productieve structuur van het land. Integendeel, wat in deze drie lustra gebeurd is, was een verdieping van het opbrengstmodel en daarmee werd de afhankelijkheid van de inkomsten van de olie-export groter. In de totale waarde van de export is olie van een vertegenwoordiging van 68,7 procent in 1998 naar 96 procent in de laatste jaren gegaan [6]. In absolute termen is de waarde van de export van niet-olieproducten en de privé-export gedaald [7]. De bijdrage van de industrie aan het PIB is gedaald van 17 procent in 2000 naar 13 procent in 2013.

De belangrijke vooruitgang die zich heeft voorgedaan op sociaal vlak is het gevolg van een heel belangrijke heroriëntering van de verdeling van de olie-inkomsten. Een duidelijke prioriteit werd gegeven aan het reageren op de behoeften en eisen van de volkssectoren. Dit maakt dat deze beleidsmissies niet alleen uitzonderlijk kwetsbaar zijn voor de schommelingen in de inkomst van de olie-industrie, maar ook dat zij groeiende verwachtingen scheppen waaraan enkel kan tegemoetgekomen worden op basis van een aanhoudende stijging van de olie-inkomsten.

Deze sociale en opeenvolgende stijgende salariërende beleidsmissies hebben de koopkracht van de bevolking aanzienlijk vermeerderd, zonder dat deze aanhoudende stijging van de vraag daarom vergezeld wordt door proportionele toename van de nationale productie. Daarbij worden steeds maar bressen geslagen die moeten worden gedicht met een groeiende import.

Gedurende deze jaren ontbrak een theoretisch debat over wat de postkapitalistische maatschappij zou kunnen zijn in deze eeuw en over hoe de relaties tussen de staat, de markt en de georganiseerde maatschappij zou kunnen of zou moeten zijn. Dit omvat ook een kritische evaluatie van de ervaringen van het socialisme van de vorige eeuw. Eveneens afwezig was een geïnformeerde en overdachte lectuur over de postkapitalistische mogelijkheden en beperkingen van de actuele transformaties in China, Vietnam en Cuba. Dit is uiteraard geen specifiek Venezolaans probleem, het is een uiting van de situatie van links, dat in alle delen van de wereld zijn onvermogen en gebrek aan geloofwaardige antwoorden heeft aangetoond ten opzichte van de globale crisis en van de manier waarop deze werd benut om de democratie verder in te dijken en een nog grotere concentratie van de macht en van de rijkdom te bevorderen.

Bij ontstentenis van overdenkingen en meer systematisch of strategisch onderzoek naar de postkapitalistische alternatieven, in de afgelopen jaren, overheersten vanuit de Venezolaanse regering twee types van voorstellen. Het eerste bestaat in het automatisme dat het socialisme identificeert met ‘staatsgestuurd’ (staatseigendom en/of staatscontrole) [9]. Op het moment dat een bedrijf eigendom wordt van de staat, wordt dit onmiddellijk benoemd als "socialistisch bedrijf". Het tweede is dat wat het postkapitalisme identificeert met de gemeenschappelijke staat.

Een groot deel van de industriële en landbouwkundige bedrijven die onder staatscontrole zijn geplaatst, worden minder efficiënt beheerd en produceren minder. Dit was het resultaat van de uitbreiding van de arbeidsmacht, bureaucratie, voortdurende arbeidsgeschillen, verkoopprijzen van hun producten die niet overeenstemmen met de productiekosten en gebrek aan investering. Het laatste niet alleen in het onderhoud, maar eveneens in de technologische upgrading van afdelingen die – zoals bij de staal- en aluminiumproductie – een uitzonderlijk niveau van achteruitgang en veroudering vertonen [10]. Aan dit alles wordt nog corruptie toegevoegd [11]. Als gevolg draait een groot deel van deze bedrijven met verlies. Ze overleven dankzij opbrengsten uit olie.

De notie van de gemeenschappelijke staat sorteerde meer effect op het terrein van het discours en van de promotie van een ruim gamma aan vormen van politieke volksorganisatie, dat als een transitie-ervaring naar nieuwe organisatievormen van de gedecentraliseerde productie als deel van de processen van zelfbestuur vanuit de basis van de maatschappij beschouwd kan worden. Het overheidsbeleid van stimulering en financiering van verschillende vormen van basisorganisaties, in het bijzonder van buurtcomités en de Gemeenten, hebben tegenstrijdige gevolgen met zich meegebracht in deze organisatorische dynamieken. Enerzijds heeft het nieuwe niveaus van volksorganisatie voortgebracht en heeft het enorme hoeveelheden middelen getransfereerd naar gemeenschappen om de oplossing van hun problemen aan te pakken: infrastructuur, woningen, productieve activiteiten, etc. Het heeft eveneens bijgedragen aan de versterking van het sociale weefsel van de gemeenschappen. Desalniettemin was de overheersende tendens dat – als gevolg van de herbevestiging van de historische staatslogica van centralisatie van de opbrengsteconomie van de olie en in de mate dat de populaire organisaties geneigd zijn direct afhankelijk te zijn van overdrachten van staatshulpmiddelen – de mogelijkheden tot consolidatie en autonomie van deze communautaire basismodaliteiten zich beperkt hebben of eenvoudigweg hebben afgeremd als alternatief voor de structuur van de staat. Daar komt bij dat de corruptie, geassocieerd met het gevecht om de verdeling van de opbrengst, via deze weg de basis van de maatschappij heeft bereikt. Het gewicht van de zogenaamde sociale economie blijft na vijftien jaar nog altijd onbeduidend.

Ondanks deze obstakels is er veel basiservaring die, hoewel miniem, erin geslaagd is zich deze organisatorische en financiële impulsen eigen te maken. Deze ervaringen hebben zich echter vooral gevoed met de politisering en het activisme dat de Venezolaanse maatschappij de afgelopen jaren hebben doorkruist. Dit heeft uiteindelijk geleid tot communautaire processen van een uitzonderlijke rijkdom en autonomie. Het zijn in die zin levende voorbeelden van wat er mogelijk is voor het volk.

Op het vlak van de olie – Venezuela wordt beschouwd als het land met de grootste oliereserves van de planeet – zijn er gedurende de afgelopen jaren telkens opnieuw grote uitbreidingsplannen wat betreft de activiteit aangekondigd, in het bijzonder in de Faia del Orinoco. Daarvoor is er een wijde participatie van internationale publieke en private ondernemingen teweeggebracht, met een groot aandeel van Chinese ondernemingen. Er is eveneens over kredieten op grote schaal onderhandeld (opnieuw in het bijzonder uit China) [12], zowel voor de lopende uitgaven als voor infrastructuurprojecten en de uitbreiding van de olie-activiteit. Het Plan de la Patria werd oorspronkelijk voorgesteld door Hugo Chávez tijdens de verkiezingen van 2012 [13] en werd formeel aangenomen door de Nationale Assemblee als beheerprogramma van de huidige regering. Eén van haar doelstellingen is de transformatie van Venezuela in een grote energetische macht en de verdubbeling van de olieproductie tot zes miljoen vaten per dag in 2019 [14]. Nochtans, en gelukkig voor de planeet, is de olieproductie vandaag, ondanks de uitzonderlijke investeringen, iets lager dan die van 1998 [15].

Een van de ernstigste problemen van de Venezolaanse economie is de voortdurende historische overevaluatie van de munt en de zogeheten "Hollandse ziekte". De economische importfactor is zo hoog, dat devaluatie van de munt tot op een redelijkere pariteit onvermijdelijk zou leiden tot een nog grotere sprong in de inflatie. Als gevolg is bijna alles in Venezuela, met uitzondering van olie, goedkoper om in te voeren dan zelf te produceren. Dit heeft vroeger en nu nog ernstige gevolgen en verstoringen tot gevolg gehad. In de eerste plaats ondermijnt het de intenties om de binnenlandse productie te bevorderen, hetzij publiek, privaat of van de sociale economie. Het impliceert eveneens een permanente en onhoudbare aderlating van hoog gesubsidieerde deviezen, voor voedingsmiddelen en andere goederen voor basisconsumptie, voor consumptiegoederen en secundaire goederen en ook voor de import van luxegoederen en buitenlands toerisme. De opeenvolgende bureaucratisch-administratieve instrumenten gecreëerd om het gebruik van de gesubsidieerde deviezen te controleren, en de pogingen van een systematisch microbeheer van alle gebieden van de economie door middel van de beslissingen over het al dan niet toekennen van de hoog gesubsidieerde deviezen, hebben geleid tot ernstige stagnatie in de import. Dat had dan weer een aanzienlijke impact op de prijzen en de beschikbaarheid van producten, en leidde eveneens tot enorme corruptie. Volgens Edmée Betancourt, die op dit moment de Centrale Bank van Venezuela voorzit, werd van het totaal van 59 miljard dollar aan toegekende gesubsidieerde deviezen in 2012, zo'n 20 miljard dollar toegekend aan "kofferbedrijven", een "kunstmatige vraag" "niet gelinkt aan productieactiviteiten" [16].

Het veelomvattende sociale beleid, de subsidie van de voedingswaren en hun intensieve import door de staat, de enorme subsidie van de brandstof [17], de transfers van middelen naar publieke bedrijven die in enkele gevallen zelfs niet voldoende produceren om hun eigen lonen te betalen, de aanhoudende toename van de tewerkstelling in de publieke sector, alsook de eisen tot investering vanuit de olie-industrie, leiden tot een aanhoudende en steeds grotere druk op overheidsuitgaven en vereisen telkens hogere deviezenniveaus.

 

Het groeiende onbehagen tussen uitgestrekte sectoren van de bevolking

Er zijn verschillende redenen waarom er zich groeiende niveaus van onbehagen van de bevolking gemanifesteerd hebben, vooral in het deel van de bevolking dat zich identificeert met de oppositie. De inflatie heeft ervoor gezorgd dat de koopkracht gedaald is en heeft zelfs gedeeltelijk de vooruitgang in de consumptiecapaciteit teruggebracht, die in de afgelopen jaren verkregen was [18]. De algemene schaarste van dagelijkse consumptieproducten vereist dat men vele uren (en vele wachtrijen) moet besteden aan de zoektocht naar deze goederen. Hieraan wordt de voortdurende bezorgdheid om de veiligheid toegevoegd. Volgens het Bureau voor Drugs en Criminaliteit van de Verenigde Naties (UNODC) was het cijfer van de moorden in Venezuela 53,7 per 100.000 inwoners, het tweede hoogste ter wereld na Honduras [19].

Deze economische situatie valt samen met een periode met een geheel aan nieuwe voorwaarden op politiek terrein.

Het chavisme was in deze lange periode niet in staat haar basis van verkiezingssteun uit te breiden. Integendeel, het heeft deze beetje bij beetje verloren door een beleid en een betoog dat de confrontatie en de politiek-ideologische uitsluiting (“zij die geen socialist zijn, gelieve zich te onthouden”) vóór de dialoog en de betrokkenheid geplaatst hebben. Met regelmaat werd vanuit de regering de oppositie in zijn geheel bestempeld als fascistisch en uit te zijn op het plegen van een staatsgreep. Deze vriend-vijand-logica was heel nuttig voor het chavisme in de beginjaren, want zij stelde haar in staat de populaire sectoren te mobiliseren en een geëngageerde solide basis van steun te creëren en te verstevigen, dus een populaire chavistische identiteit te vormen. Het heeft echter ook bijgedragen tot de vorming en versteviging van een hecht oppositieblok, niet enkel tegen de regering, maar ook tegen het idee van het socialisme zelf. Het veranderingsproject kon geen bruggen slaan naar andere sectoren van de samenleving die op geen enkele manier kunnen beschouwd worden als oligarchisch of fascistisch. Een proces dat de maatschappij diepgaand transformeert, kan moeilijk vooruitgaan en zich verstevigen in de tijd als de helft van deze maatschappij (electoraal uitgedrukt) niet alleen het oneens is, maar ook als zij over dit veranderingsproces sterk tegengestelde meningen heeft en er – om welke redenen dan ook – diepgaande angsten voor heeft.

De dood van Hugo Chávez heeft een verzwakte regering achtergelaten, zonder het uitzonderlijke charisma en de leiderscapaciteit die hem karakteriseerden. President Maduro werd verkozen met een verschil van minder dan twee procent. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2013 won de regering de meerderheid van de burgemeesterszetels en de volksverkiezing, maar zij verloor in de belangrijkste steden van het land, de metropool Caracas inbegrepen, en dat zijn geprivilegieerde terreinen van de politiek in het land.

Verschillen tussen regering en oppositie in de verkiezingsprocessen van de periode 1998-2013

Verkiezingen

Presidentiële 1998

16%

Parlementaire 1998

14%

Presidentiële 2000

20%

Parlementaire 2000

18%

Terugroepend presidentieel referendum 2004

18,5%

Presidentiële 2006

25,6%

Referendum grondwethervorming 2007

(-2%)

Referendum grondwetsamendement 2009

10%

Parlementaire 2010

(-3%)

Presidentiële 2012

10,76%

Presidentiële 2013

1,59%

Gemeentelijke 2013

7.91%

 Gegevens van de Nationale Verkiezingsraad

De Venezolaanse oppositie is altijd heterogeen geweest. Gedurende de eerste jaren van de bolivariaanse regering, zijn de sectoren van meest radicaal rechts erin geslaagd – met de steun van het Department of State – hun hegemonie te vestigen over het geheel van de oppositie in haar zoektocht om de regering af te zetten op andere manieren dan door verkiezingen. Zij die deze visie niet deelden, werden gechanteerd en ervan beschuldigd samen te werken met het “dictatoriale regime” en dit te legitimeren. Zij leidden het geheel van de oppositie naar opeenvolgende mislukkingen: de staatsgreep van april 2002, het stilleggen van de economie in de olie-lockout van 2002-2003 en de terugtrekking op het laatste moment van haar kandidaten in de parlementaire verkiezingen. Zij probeerden de regering in een kwaad daglicht te stellen en haar autoritaire karakter aan te tonen en wat ze deden was de Nationale Assemblee overdragen aan het chavisme. Elke nederlaag van de oppositie versterkte de regering en verstevigde haar steun in de volkssectoren die, met hun mobilisatie en vasthoudende dagelijkse weerstand, een belangrijke rol speelden bij zowel de staatsgreep als de oliestaking.

Dit begon te veranderen vanaf 2006. Na hevige debatten begon zich stilaan bij de meerderheid van de oppositie de mening te vormen dat het noodzakelijk was om een basis van nationale politieke steun te vormen met het doel de regering af te zetten langs electorale weg. Er werd één kandidaat voor de oppositie gekozen voor de presidentsverkiezingen van dat jaar: Manuel Rosales, die 37 procent van de stemmen haalde. Uiteindelijk werd de MUD opgericht, Mesa de la Unidad Democrática (Platform van de Democratische Unie) en op een moment van maximale eenheid van de hele oppositie werden enkele voorverkiezingen gehouden met een hoge mate van participatie [20] om alle kandidaten van de oppositie te kiezen voor de ambten van president, leden van de Nationale Assemblee, gouverneurs en burgemeesters.

 Na te zijn verslagen met een heel kleine marge in de presidentsverkiezing van 2013 en deze resultaten niet te erkennen, riep Henrique Capriles op om de gemeentelijke verkiezingen van datzelfde jaar te veranderen in een referendum om president Maduro af te zetten. De regering won de nationale volksstemming met een verschil van acht procent.

Uit deze resultaten kwamen (publiekelijk) de grote tegenstrijdigheden binnen de oppositie aan het licht.

Voor de sectoren van de oppositie (in het bijzonder de sectoren die Leopoldo López en María Corina Machado vertegenwoordigen) die het altijd al niet eens waren met de verkiezingsopties en met het leiderschap van la Mesa de la Unidad Democrática (MUD), bekrachtigt de overwinning van de regering in het zogenaamde referendum de overtuiging dat het heel onwaarschijnlijk was om op korte en middellange termijn de regering af te zetten via verkiezingen. Ze zagen in de complexe conjunctuur van het land een mogelijkheid om twee vliegen in één klap te slaan. Enerzijds wordt gebruikgemaakt van de zwakheid van de regering en het onbehagen van de bevolking door de schaarste, de inflatie en de onzekerheid om gewelddadige confrontaties (noodzakelijkerwijs met doden), om een sfeer van onregeerbaarheid te creëren en om de regering te bestempelen als zijnde dictatoriaal en repressief. Vanuit deze politieke berekening moesten de protesten zo gewelddadig en kostelijk zijn voor de regering als maar mogelijk was. Dit lijkt de belangrijkste reden te zijn waarom deze acties, vanaf het begin, een klein maar goed georganiseerd onderdeel hadden met een gewelddadig karakter: barricades, molotovcocktails, sluipschutters, aanslagen op openbare installaties, verbranden van voertuigen van het openbaar vervoer. Het antwoord liet niet lang op zich wachten. Er was onderdrukking vanwege de politie en het leger, niet algemeen, maar met een hoge frequentie en buitenproportioneel. De corporatieve pers bouwde mee – door middel van het frauduleuze gebruik van foto's uit andere landen van gewelddadige situaties en onderdrukking – aan het beeld dat deze oppositie probeerde te scheppen: dat ze zouden gezien worden als weerloze slachtoffers van een repressieve regering.

Door zich aan het hoofd van deze “dappere” en “strijdlustige” politieke positie van totale confrontatie met de regering te stellen, trachtte deze oppositie het leiderschap van Capriles en la Mesa de la Unidad (Democratische Eenheid ) te betwisten.

Deze gewelddadige acties plaatsten de minder radicale sectoren van de oppositie, en heel in het bijzonder Capriles, voor een moeilijk dilemma. Naarmate de protesten zich uitbreidden en meer steun kregen van de oppositie, werd hun gewelddadige karakter aangeklaagd en kwam zijn leiderschap in gevaar. Maar evengoed, als ze geen afstand namen van de gewelddaden en deze mettertijd verwierpen, zouden ze evengoed de dupe zijn van deze nederlaag. Daarom behielden zowel Capriles als andere leiders van de oppositie dubieuze posities, of in het geval van Acción democrática (Democratische Actie) en Copei, deden ze er het stilzwijgen toe en gaven zij algemene verklaringen die erop gericht waren om geen stelling te moeten innemen.

De meer radicale sectoren die geopteerd hadden voor geweld, verkondigden uitdrukkelijk wat het doel van deze acties was: “de exit”. Met name de afzetting van de regering van Nicolás Maduro. Het zijn juist deze sectoren die konden rekenen op de meest systematische politieke en financiële steun vanwege het Department of State (voornamelijk, maar niet alleen) door middel van de USAID. Het is waarschijnlijk dat deze acties bedacht waren om een sfeer te creëren van de “Oranje Revolutie” zoals in Oekraïne, waarvoor ze rekenden en rekenen op de onvoorwaardelijke steun van de wereldwijde corporatistische media, in het bijzonder die van de Verenigde Staten, Spanje en Colombia.

Gezien de agressieve politiek van de regering van de Verenigde Staten in verschillende delen van de wereld en het belang dat het bolivariaanse proces heeft gehad in de geopolitieke verschuivingen van Latijns-Amerika de laatste jaren, in het bijzonder in de creatie van nieuwe integratieblokken (in het bijzonder UNASUR en CELAC) die niet door de Verenigde Staten gecontroleerd worden, is het duidelijk dat van de bolivariaanse regering af geraken een prioriteit blijft voor om het even welke poging om de verloren invloed in dit continent te herwinnen. Zodoende werden gedurende deze crisis, naast de blijvende steun aan de meer radicale sectoren van de oppositie, herhaalde uitingen en bedreigingen met sancties gedaan vanwege zowel de republikeinse als democratische congresleden en van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, John Kerry.

Informatie over de militaire dimensie van deze bewegingen blijft verdoken onder een donkere schaduw. De regering kondigde de aanhouding aan van drie generaals van de luchtmacht, en daarna van andere leden van de strijdkrachten, onder beschuldiging van het promoten van een staatsgreep. Maar nadat enkele maanden voorbijgingen, werd daar nog maar weinig over vernomen.

Na twee maanden van barricades op straat, zowel vreedzame als gewapende demonstraties en gewelddadige confrontaties met politie en leger, waren er 41 doden, vele gewonden, honderden gearresteerden en enorme materiële schade. Er vielen doden en gewonden onder zowel activisten van de oppositie, leden van de veiligheidstroepen van de staat en burgers die niks met de confrontaties te maken hadden. Het blijkt moeilijk om met een zekere graad van precisie uit te maken wie de verantwoordelijken zijn. Venezuela is vandaag een zeer verdeelde samenleving. De bevolkingsgroepen die zich identificeren met de regering en met de oppositie hebben de neiging in parallelle realiteiten te leven. De informatiebronnen zijn verschillend. Mensen komen samen en vormen hun mening samen met gelijkgestemden. Dit brengt diepgaande verschillen teweeg, niet alleen in de interpretatie van de feiten, maar ook in de visies die vaak sterk afwijken van de feiten zelf. De interpretatie van de gebeurtenissen van de afgelopen maanden die in de media van de oppositie en die van de regering verschenen, hadden moeilijk nog meer van elkaar kunnen verschillen. Voor sommigen ging het om vreedzame studentenprotesten en protesten van de burgermaatschappij die betoogden tegen de problemen van onveiligheid, inflatie en schaarste waar het land mee te maken heeft en eisten ze van de regering verandering in hun beleid. Deze vreedzame manifestaties zouden brutaal onderdrukt zijn door een regering die zich kenmerkt als autoritair en militaristisch. Voor anderen was er naast de vreedzame en spontane manifestaties die uiting gaven aan het onbehagen door de economische moeilijkheden waar het land mee te maken heeft, een systematisch en goed georganiseerd plan, met deelname van paramilitairen, om zoveel mogelijk geweld te veroorzaken, een klimaat van wetteloosheid te scheppen en zich voor de internationale media voor te doen als weerloze slachtoffers. Dit alles als een zachte en blijvende putsch die met steun van buitenaf de bedoeling heeft om de regering af te zetten.

In deze context werd het startschot gegeven voor een dialoogronde met de regering, de oppositie en de zakelijke leiders, met het doel te debatteren over zowel productiegerelateerde zaken (toekenning van deviezen, prijscontrole, etc.), als over politiek hete hangijzers van de conjunctuur. Zo eiste de oppositie een wet van algemene amnestie, de vrijlating van alle gevangenen en de oprichting van een Nationale Commissie van de Waarheid om de verantwoordelijkheden voor de gewelddadige gebeurtenissen te onderzoeken [21]. Het belangrijkste van deze onderhandelingen was dat ze bijdroegen aan de vermindering van het geweld, ondanks de categorische onenigheid over deze onderhandelingen aan beide kanten. Ondanks deze spanningen toonden enquêtes aan dat de meerderheid van het land de dialoog steunde. Het feit dat de MUD op institutioneel niveau in gesprek was met de regering, had het isoleren en delegimatisering van de meer radicale en gewelddadige rechtse secties tot gevolg. De regering had het dan weer niet gemakkelijk in deze dialogendynamiek. Enerzijds was haar vermogen om te reageren op de economische moeilijkheden ernstig beperkt door de financiële beperkingen waar ze tegen aankeek. Verschillende groepen activisten en militanten klaagden deze onderhandelingen openlijk aan als een verraad van de erfenis van Chávez en eisten een uitkomst uit de huidige crisis door middel van een radicaliseringsproces.

President Maduro mist het leiderschap waarmee Chávez eenheid kon garanderen als hij een beleid voorstelde dat weerstand opriep bij zijn volgelingen. Het is bovendien onduidelijk waaruit in de huidige context van een verzwakte regering en een niet-gemobiliseerde chavistische volksbeweging deze radicalisering en ruk naar links zou bestaan. Over zulke kritieke en gevoelige zaken zoals de alarmerende corruptieniveaus zowel onder burgers als militairen, worden algemene mededelingen gedaan, maar de acties die daadwerkelijk ondernomen worden zijn vrijwel onbestaande.

Oppositie en regering na de val van "de uitkomst"

De gewelddadige confrontaties van februari en maart 2014 verzwakten uiteindelijk zowel de oppositie als de regering. De mislukking van "de exit", de poging om de regering te doen vallen, leidde tot een diepe breuk in het politieke blok van de oppositie. Alle opiniepeilingen, zelfs die een hoge mate van steun aan de straatprotesten vertoonden, vonden een zeer sterke verwerping van geweld. Afgezien van de ambiguïteit waarmee ze gereageerd hadden gedurende de weken van de gewelddadige confrontaties, hebben de meeste sectoren van de oppositie en in het bijzonder Acción Democrática (Democratische Actie), Primero Justicia (Rechtvaardigheid Eerst) en Copei zich publiekelijk en herhaaldelijk gedistantieerd van deze politiek. Daarmee bevestigden ze dat het alternatief voor de regering van Nicolás Maduro vreedzaam, verkiezingsgewijs en grondwettelijk moest zijn. Geconfronteerd met het feit dat men het niet eens kon worden over gemeenschappelijke politieke opvattingen, raakte la Mesa de la Unidad Democrática in een crisis en haar secretaris-generaal Ramón Guillermo Aveledo trad af. Op het moment van het schrijven van deze tekst waren de onderhandelingen om het oppositieblok te herstructureren nog aan de gang. De publieke debatten lijken te wijzen op een zwakkere alliantie, meer als een ontmoetingsplaats voor enkele afdelingen dan als een organisatie die in staat is om op politiek vlak uitdrukking te geven aan het geheel van de oppositie.

Zowel de opiniepeilingen als de beperkte respons van de bevolking op enkele initiatieven en oproepen van de oppositie de afgelopen maanden, suggereren dat, hoewel de redenen voor onbehagen – in het bijzonder de schaarste, de inflatie en de onzekerheid – nog altijd aanwezig zijn, deze nieuwe politieke nederlaag van de oppositie veel geloofwaardigheid heeft gekost bij hun aanhangers. Zij heeft ook weinig mogelijkheden om de talloze ongenoegens van de bevolking over de situatie van het land te kanaliseren.

De regering is, ondanks het feit dat zij hun "exit" hebben verhinderd, hier ook verzwakt uitgekomen. Misschien ligt haar voornaamste sterkte op dit moment in de zwakte en de verdeeldheid van de oppositie.

Een betrouwbaar verkiezingssysteem, niet alleen volledig geautomatiseerd maar ook met verschillende controlemechanismen, en de opeenvolgende verkiezingsoverwinningen droegen ertoe bij dat in voorbije jaren de Venezolaanse regering kon rekenen op voldoende internationale legitimiteit om haar te beschermen tegen het destabiliserende agressieve beleid van de regering van de Verenigde Staten. Toch heeft zij als resultaat van een frequent arbitrair gebruik van de macht en van de rekbare interpretatie van de grondwet, en een rechterlijke macht die een minimale autonomie mist, een deel van deze internationale legitimiteit verloren. Zij verschafte munitie aan hen die beweren dat de actuele institutionalisering geen veranderingen toestaat via electorale weg [22]. In deze omstandigheden nam het offensief van de mondiale corporatistische media toe.

De regering mist zowel de politieke als economische middelen, die het in het verleden mogelijk maakten te reageren op kritische momenten met nieuwe programma's of missies met een grote sociale impact. De afwezigheid van Hugo Chávez heeft zowel de regering als zijn partij met sterke interne spanningen achtergelaten, zonder een voldoende sterk leiderschap om de verschillende fracties in een gemeenschappelijke richting te drijven.

Er heerst veel ontevredenheid in de chavistische basis.

De economische crisis heeft zich verdiept. Gedurende de jaren 2013-2014 is de uitgebreide logica van de overheidsuitgave met een basisrente in een crisis geraakt met een begrotingstekort. Het is moeilijk in te schatten op basis van de officiële cijfers, maar door enkele analisten wordt het rond de vijftien procent van het bruto binnenlands product (bbp) geschat. Er is een gestage daling van de internationale reserves, die in het eerste semester van 2014 gedaald waren tot 21.604 miljoen dollar minder dan de helft van de reserves die men in het eerste semester van 2008 had [23]. Van 2008 tot 2013 is de buitenlandse schuld zo goed als verdubbeld [24]. Enkel van China heeft men kredieten gekregen voor een totaal bedrag van 50.600 miljoen dollar. Een groot deel hiervan is betaald met olie [25]. Het land kent groeiende ongunstige condities voor het krijgen van buitenlandse kredieten, met steeds hogere rentevoeten. Omdat de aanhoudende hoge deviezeninkomsten afkomstig zijn van de olie-export, is het weinig waarschijnlijk dat het land in een situatie zal terechtkomen van insolventie, maar alles wijst erop dat de moeilijkheden van de buitenlandse sector toenemen. De aanhoudende verhoging van de munthoeveelheid zonder een overeenkomstige vermeerdering van het aanbod aan goederen en diensten draagt bij aan de stijgende inflatiedruk. De zeer hoge inflatie van 2013 (56,2 procent) [26] werd niet alleen niet vertraagd in 2014, maar heeft zich versneld. De prijsvariatie tussen augustus 2013 en augustus 2014 bedroeg 63,4 procent [27]. Deze was groter voor voedingsmiddelen.

De deviezenschaarste en de bureaucratische hindernissen en vertragingen voor wat betreft hun overdracht, de vertraging in betaling van de buitenlandse leveranciers, de smokkel van ontginningsproducten, de verkoop in de informele economie – aan veel hogere prijzen – van de gereglementeerde producten die niet in de supermarkten te vinden zijn, het opkopen en de speculatie: dit alles samen heeft een toestand van aanhoudende schaarste met zich meegebracht in de voedingsproducten en overige basisproducten, producten voor huishoudelijke en persoonlijke hygiëne en medicijnen. Volgens de Centrale Bank van Venezuela bedroeg de gemiddelde schaarste aan basisproducten in het land 29,4 procent in maart 2014. In die maand, bijzonder extreem als gevolg van het straatgeweld, was de schaarste van sommige producten zoals keukenolie, suiker, gemalen koffie, volle koffiemelk, toiletpapier en voorgekookt maïszetmeel meer dan 85 procent [28]. De schaarste aan medicijnen en medische instrumenten dreigt een crisis in volksgezondheid te veroorzaken.

 De reactie van de regering op deze situatie is gericht op wat zij beschouwt als de componenten van de "economische oorlog" (speculatie, hamsteren, smokkel van grondstoffen). Er zijn nieuwe normen voor de overdracht van deviezen, er zijn meer controles op zoals de inspectie van depots en het transport van handelswaar, de grens met Colombia is gesloten en de invoering van een vingerafdrukmechanisme om te verhinderen dat elk individu meer dan een bepaalde hoeveelheid aan gesubsidieerde producten per week koopt. Zo wil men een speculatieve doorverkoop en smokkel van grondstoffen voorkomen. Nochtans ligt er geen concreet beleid in het verschiet dat gericht is op de productievermeerdering en de beperking van de vele knelpunten die dit beïnvloeden.

Men mag veronderstellen dat corrigerende maatregelen nodig zijn ten opzichte van de economische problemen waar het land mee te maken heeft. Deze hoeven niet samen te vallen met de voorschriften van de neoliberale structurele aanpassingen, maar terwijl zich een beleid met een structureel karakter op lange termijn ontvouwt, lijken sommige beslissingen onmisbaar op korte termijn, zoals de aanpassing in de gelijkheid van de munt om de aderlating van de deviezen tegen te houden, de beperking van de geldhoeveelheid en de benzineprijs. Op de nationale politieke kalender bleek 2014, na de spanningen van februari en maart, een bijzonder gunstig jaar om enkele maatregelen te nemen die als noodzakelijk werden beschouwd, hoewel ze een electorale politieke prijs zouden kunnen hebben. In een land waar praktisch elk jaar verkiezingen of referendums geweest zijn, hetgeen de politieke agenda overbepaald heeft, was er een ongewoon lange periode (twee jaar) tussen de gemeentelijke verkiezingen in 2013 en de parlementaire verkiezingen in 2015 zonder de verkiezingsdruk. Desalniettemin lijkt de regering verlamd. Ook omtrent de benzine, waarvan de prijs als absurd wordt beschouwd door het grootste deel van de bevolking, durft de uitvoerende macht geen maatregelen te nemen.

Het overgangsbeleid naar een sociaal en productief model, een postoliemodel, zonder renteniers; dat zich niet kon manifesteren op momenten van financiële overvloed en ruime politieke legitimiteit, kan zich moeilijk gepromoot worden in de huidige omstandigheden.

In de context van deze crisis had president Nicolás Maduro een "enorme herschikking" van zijn regering aangekondigd om vooruitgang te boeken in de overwinning van de burgerstaat en de hoge functionarissen van zijn regering te vervangen om het hoofd te bieden aan een nieuwe fase van het bolivariaanse proces. Toen de veranderingen begin september eindelijk aangekondigd werden, werd er slechts weinig veranderd. Er werd een nieuw organigram gemaakt dat in feite dezelfde bestaande ministeries hergroepeerde onder coördinatie van zes nieuwe vicevoorzitterschappen per gebied (Productieve Economie en Financiën, Veiligheid en Voedselsoevereiniteit, Planning en Kennis, Sociale ontwikkeling, Politieke Soevereiniteit, Territoriaal Socialisme en Ecosocialisme). Praktisch alle ministeries behielden hun bevoegdheden of gingen nu andere ministeries besturen. Het meest problematische was de afschaffing van het Ministerie van Milieu (het eerste van Latijns-Amerika), dat nu deel ging uitmaken van het Ministerie van Woningen, Huisvesting en Ecosocialisme.


Verder dan het winstbejag, verder dan het kapitalisme

In de 21ste eeuw kunnen de uitdagingen om verder te gaan dan het kapitalisme niet gescheiden worden van de eveneens cruciale noodzaak zich los te maken van de methoden van productie, verdeling en consumptie en van de hegemoniale middelen om kennis te produceren in deze sociale orde. Dit impliceert, onder meer, de noodzaak om andere manieren te bedenken waarmee mensen in relatie staan met de rest van de natuur en de creatie van andere energie modellen. Het opdoemen en het primeren op wereldschaal van het industriële kapitalisme is gebaseerd op de toegang tot goedkope en overal beschikbare fossiele brandstoffen. Op tweeënhalve eeuw slaagde het industrieel kapitalisme erin deze enorme voorraden die in de loop van miljoenen jaren gevormd waren, om te vormen tot de energie die zowel de spectaculaire economische groei van deze eeuw mogelijk maakte, als de versnelde vernietiging van de voorwaarden tot leven op deze planeet. Dit energiemodel is geen secundaire component, maar een essentiële constitutieve voorwaarde voor de manier waarop deze productie- en levenswijze zich historisch heeft ontvouwd.

Niemand beweert dat de overgang naar een postoliemaatschappij betekent dat de olieputten van de ene dag op de andere kunnen gesloten worden. Het is nochtans dringend nodig om stappen te zetten en de richtlijnen voor deze onmisbare transitie te formuleren. Deze verplichting is afwezig in het overheidsbeleid van praktisch alle regeringen van de wereld die blijven de economische groei begunstigen boven de eisen van het levensbehoud. Op dezelfde manier houdt het Venezolaans beleid geen rekening met de noodzaak van deze transitie; integendeel, ze brengen de toekomst van het land op lange termijn in gevaar door de tegengestelde richting op te gaan.

Het merendeel van de belangrijkste doelstellingen om de maatschappij te transformeren, die geformuleerd zijn in het bolivariaans project, in de grondwettekst, en in de beleidsdocumenten en -voorstellen om te komen tot het Plan de la Patria, zijn niet realiseerbaar als men zich baseert op het model van monoproductie van olie. Zonder een grondige hervorming van dit productiepatroon, als men niet afstapt van het waanbeeld van de onbeperkte groei, als de beperkingen van de planeet en de diepgaande beschavingscrisis waar de mensheid mee te maken heeft niet erkend wordt, als de transformatie niet als kern de overgang naar een postoliemaatschappij heeft als voorwaarde voor de mogelijke verwezenlijking van een postkapitalistische maatschappij; dan hebben de voornaamste doelen van het veranderingsproces die door de bolivariaanse beweging werden vooropgesteld geen enkele kans om uitgevoerd te worden. 

Dit politieke proces wordt doorkruist door diepgaande tegenstellingen tussen haar voornaamste verkondigde doelstellingen enerzijds en anderzijds de systematische versterking van de koloniale logica van de ontwikkeling en de olieopbrengst. Doelstellingen die centraal staan in de formuleringen van dit maatschappelijk transformatieproces zoals de ‘participatiedemocratie‘ en decentralisatie, de nationale soevereiniteit, de voedingssoevereiniteit, de multiculturaliteit en de erkenning van de grondwettelijke rechten van de inheemse bevolkingsgroepen en de vijfde doelstelling van het Plan de la Patria, "bijdragen aan het behoud van het leven op de planeet en de redding van het mensensoort" zorgen niet alleen voor spanningen, maar zijn ook structureel onverenigbaar met een oliestaat, met een roofzuchtige economie waarvan inkomsten daarenboven voornamelijk in handen vallen van de uitvoerende macht.

De democratische basisparticipatie en het gemeentelijke zelfbestuur hebben te maken met een structurele beperking in die zin dat in deze olie-economie de gemeenschappen onvoldoende productief zijn en permanent afhankelijk zijn van de transfers ("kortingen") van middelen en van politieke regels van de uitvoerende macht en de regeringspartij. Zonder autonomie ten opzichte van zowel de staat als de markt is het onmogelijk een echte participatiedemocratie op te richten. Hoeveel organisatie en basisparticipatie er ook mag in gang gezet worden, men kan niet zeggen dat de democratie vooropstaat als de voornaamste beslissingen over de richting die het land uitgaat, genomen worden aan de top van de politieke structuren, de bureaucratieën en technische instanties die erg gecentraliseerd zijn en die de Venezolaanse oliestaat karakteriseren.

Caracas, september, 2014

Postdata: Tussen halfweg dit jaar en oktober 2014 zijn de gemiddelde Venezolaanse olieprijzen gedaald van 100 naar 75 dollar per vat, een daling van 25 procent. Dit kan alleen maar de economische moeilijkheden verergeren die in deze tekst beschreven zijn.

 [1]. CEPAL. Anuario Estadístico de América Latina y el Caribe, Santiago, 2013, p. 79.

[2]. Organización de las Naciones Unidas para la Alimentación y la Agricultura, Oficina Regional de la FAO para América Latina y el Caribe, “Reconocimiento de la FAO a Venezuela”, 26 de julio, 2013.

[3]. Instituto Nacional de Estadísticas. Fuerza de Trabajo, “Población de 15 años y más ocupada, según sector formal e informal, categoría ocupacional del sector informal y sexo”.

[4]. Jorge A. Giordani, “Testimonio y responsabilidad ante la historia”, Correo del Orinoco, Caracas, 18 de junio 2014.

[5]. Instituto Nacional de Estadísticas, Índice de Desarrollo Humano. Volgens het Nationaal Instituut van de Statistiek van Venezuela is dit cijfer een onderschatting van het eigenlijke cijfer dat 0,771 zou zijn voor het betreffende jaar.

[6]. Banco Central de Venezuela, Información Estadística, Exportaciones e importaciones de bienes y servicios según sectores. Een deel, maar dan alleen ook een deel van deze stijging is het gevolg van de stijging van de olieprijzen tussen deze jaren.

[7]. Banco Central de Venezuela, Información Estadística. Exportaciones e importaciones de bienes y servicios según sectores.

[8]. Banco Central de Venezuela, Información Estadística. Producto Interno Bruto por clase de actividad económica.

[9]. Tussen het eerste semester van 1999 en het eerste semester van 2014 ging het deel van de publieke sector ten opzichte van het totaal aantal werkenden van 15,5 procent naar 20,7 procent. Instituto Nacional de Estadísticas, Fuerza de Trabajo, Población de 15 años y más ocupada, según sector empleador, categoría ocupacional y sexo.

[10]. Volgens de laatste cijfers van de index van de fysieke productie kenbaar gemaakt door de Centrale Bank van Venezuela, bedroeg het aandeel van het cijfer van primaire fysieke staalproductie 74,92 procent van de hoeveelheid ten opzichte van 1997. In het geval van aluminium was de daling nog sterker, het cijfer van 2011 bedroeg slechts 52,31 procent van de productie van het jaar 1977. Banco Central de Venezuela, Información Estadística, Índice de producción física para algunas actividades económicas.

[11]. Bij de bekendmaking van de beslissing om in te grijpen in de beleidsrichting van PDVSA, dat belast is met de verdeling van brandstof, heeft president Nicolás Maduro bevestigd dat "er zeer ernstige aanwijzingen zijn voor de verwikkeling van maffiagroepen met sommige instanties van staatsbedrijven. We gaan ze vervolgen en bestraffen met een strengheid die het dubbel is van de strengheid waarmee er normaal gestraft wordt." "Presidente Maduro ordena intervenir dirección de Pdvsa encargada de distribución de combustible"Aporrea, 11 de septiembre 2014.

[12]The Economist, Chinese lending to Latin America. Flexible friends, 12 de abril, 2014.

[13]. http://www.cne.gob.ve/divulgacion_presidencial_2012/programas/V4258228.pdf

[14]. De beste uiting van de grote nationale gelijkgezindheid betreffende de olie die er in het land is, is dat het regeringsprogramma dat door de kandidaat van de oppositie in deze verkiezingen voorgesteld wordt, aanbood om de productie precies naar datzelfde niveau te brengen: zes miljoen vaten per dag.

[15]. OPEC, Annual Statistical Bulletin 2001, 2014, Viena.

[16]. “Presidenta del BCV: Parte de los $59.000 millones entregados en 2012 fueron a ‘empresas de maletín’”, Aporrea / AVN - Caracas 25 de mayo 2013.

[17]. Benzine wordt in Venezuela verkocht aan 0,02 dollar per liter, maar in werkelijkheid is deze letterlijk gratis. Niet alleen levert het staatsoliebedrijf PDVSA de benzine aan de tankstations zonder enige kost, maar zij verschaft deze ook een bijkomende subsidie voor elke liter benzine met het oogmerk een deel van hun werkingskosten en winstmarges te dekken. Dit heeft een zeer hoge fiscale last tot gevolg en werkt eveneens als een machtige stimulans tot overconsumptie (verkwisting) en een massale smokkel in de ontginning. Het verschil in benzineprijs tussen Venezuela en Colombia is 1 op 78. Zie: Víctor Álvarez, El debate para sincerar el precio de la gasolina en Venezuela y la toma de conciencia para avanzar hacia un modelo post-extractivista, Caracas, 2013. De nieuwe CEO van PDVSA Eulogio del Pino schat dat zo'n 100.000 vaten brandstof per dag het land verlaten door smokkelaars. “Estiman que cerca de 100.000 barriles de combustibles diarios están siendo contrabandeados”, Agencia Venezolana de Noticias, Caracas 13 de septiembre, 2014.

[18]. Volgens de cijfers van de Centrale Bank van Venezuela, daalde de armoede in het land – een maat voor het inkomensniveau – tussen het eerste semester van 1999 (eerste regeringsjaar van Hugo Chávez) en het eerste semester van 2007 van 50 procent naar 33,1 procent van de bevolking en de kritieke armoede van 19,9 procent naar 9,4 procent. Desalniettemin hebben de cijfers zich vanaf dat jaar gestabiliseerd en hebben er zich geen bijkomende dalingen voorgedaan in de loop van de volgende jaren. In het eerste semester van 2013 – zonder twijfel het gevolg van het verhoogde inflatiecijfer – werd er een verhoging van de kritieke armoede geregistreerd en dit cijfer haalde de 13,1 procent. (Instituto Nacional de Estadísticas, Pobreza por línea de ingreso, 1er semestre 1997 - 2do semestre 2013)

[19]. United Nations Office on Drugs and Crime, Global Study on Homicide 2013, Viena, 2013. p. 24.

[20]. In deze primaire verkiezingen, gerealiseerd met de logistieke steun van de Nationale Verkiezingsraad, nam 17 procent van kiesgerechtigden deel.

[21]. Een van de beruchtste zaken van deze dialoogprocessen is het feit dat alle deelnemers dat doen vanaf de uitdrukkelijke hervestiging van de grondwet in 1999, in duidelijk contrast met de positie van de oppositie ten opzichte van deze grondwet gedurende de coup van 2002.

[22]. Voorbeeld van deze arbitraire feiten in 2014 was de beslissing die door de voorzitter van de Nationale Assemblee, Diosdado Cabello, genomen werd om parlementslid María Corina Machado uit de Nationale Assemblee te halen, omdat hij vond dat haar (mislukte) poging om zich tot de Assemblee van de OEA te richten vanuit het platform van Panama, betekende dat zij een taak van een dienst van een buitenlandse regering op zich genomen had, wat niet te verenigen was met haar parlementaire functie. Even belangrijk is het feit dat de publieke machten niet vernieuwd worden. Hun ambtstermijnen zijn ruimschoots verlopen, vooral die van de Nationale Verkiezingsraad, omdat zij niet met de gekwalificeerde meerderheid in de Assemblee rekening hielden, waardoor het voor het chavisme mogelijk werd hen voorheen unilateraal te benoemen, zonder onderhandelingen met de oppositie. Hetzelfde geldt voor de beslissing van het Hooggerechtshof dat grondwettelijk het recht op manifestaties beperkte, door te eisen dat "elke" straatactie een voorgaande toestemming moest hebben van de overeenkomstige autoriteiten.

[23]. Banco Central de Venezuela, Información Estadística, Reservas Internacionales.

[24]. Banco Central de Venezuela, Información Estadística, Deuda Externa.

[25]. Inter-American Dialogue, China-Latin American Finance Data Base; Kevin P. Gallagher, Amos Irwin, Katherine Koleski, The New Banks in Town: Chinese Finance in Latin America, Inter-American Dialogue, Washington, 2012.

[26]. Banco Central de Venezuela, Instituto Nacional de Estadísticas, Índice Nacional de Precios al Consumidor, [http://www.bcv.org.ve/c2/indicadores.asp].

[27]. Banco Central de Venezuela, Instituto Nacional de Estadísticas, Índice Nacional de Precios al Consumidor, Caracas, 9 de septiembre, 2014.

[28]. “BCV reportó que en marzo la escasez se ubicó en 29,4%”, El Universal, Caracas 26 april 2014. Voor september was de beschikbaarheid van vele producten merkbaar verbeterd, zonder daarom opgelost te zijn. Nochtans waren de geciteerde officiële cijfers voor dat moment de recentste.

Het origineel van deze tekst staat op Aporrea. Vertaling uit het Spaans door Marisa Abarca. 

reacties

6 reacties

  • door Bertje op woensdag 17 december 2014

    Venezuela is een toekomstige failed state. En dat zeg niet ik, maar diverse commentatoren: http://foreignpolicy.com/2013/05/16/is-venezuela-becoming-a-failed-state/ of http://demdigest.net/blog/venezuela-become-failed-state/ of http://www.valuewalk.com/2014/05/will-venezuela-be-the-next-failed-state/ . Geweldadig, onvrij, een economie die in puin ligt, allemaal symptomen van een links-utopistisch maatschappij-model, communisme wat leidt tot autarchie en onderdrukking, het is in de geschiedenis nooit anders geweest, een goede les voor de vele linkse sympathisanten op dit forum en PVDA aanhangers. Maar die gaan schrijven dat het allemaal de fout van de USA is, de great satan...

    • door sam vanderleyden op donderdag 18 december 2014

      Deze troll heeft wederom niet eens het artikel gelezen.... hij was zijn weg verloren en meende nog op HLN te zitten...

    • door Phillip op donderdag 18 december 2014

      Geef mij maar dan deze knappe en onderbouwde analyse ipv de sloganeske tussenkomst van de figuur 'Bertje'. Blijkbaar heeft de NV-A of een ander (extreem)-rechts groepuskule een aantal trollen in dienst die beroepsmatig deze site afschuimen om het debat te doen ontsporen met provocatorische en propagandistische tussenkomsten. Negeren die boel zou ik zeggen...

    • door Didier op donderdag 18 december 2014

      De Great Satan! Die term is helemaal niet slecht gekozen. Hij dekt wel degelijk de lading. De zeldzame keren dat we het met elkaar eens zijn, mag dat ook gezegd worden, vind ik.

      Een correcte term dus, maar dan wel enkel op voorwaarde dat je twee woorden niet van elkaar loskoppelt. Groot of groots zijn de VS natuurlijk al lang niet meer. Of ben jij het daar niet mee eens?

      Neen, serieus Bertje, ben jij een van die relicten uit de eerste helft van de vorige eeuw – nog steeds vol beate bewondering voor ‘the land of the free’? Neeeeen?!? Echt?! Zeg het gerust, dit is een vrij forum.

      Toe Bertje, vertel daar nou eens over, over je eigen American dream! Over hoe die jouw leven heeft beïnvloed, over hoe die van de wereld een mooiere plaats heeft gemaakt. Echt Bertje, je zou succes oogsten, geloof mij. De mensen hebben nood aan mooie verhalen in duistere tijden.

      Het zou ook zoveel interessanter zijn dan steeds weer dat voorgekauwde, smetteloos bijgevijlde, keurig ingepakte, mooi-ogende knip-en-plak-werk van het trollencollectief. (Die interventie van enkele dagen geleden, waar “Bertje” op “Bert” reageerde vond ik daarentegen wel schitterend!)

      Dus, Bertje, we kijken uit naar jouw successtory! Gewoon doen! Geen angst, wij zijn geen Amerikanen, we zullen je heus niet afmaken!

      • door Aestatik op maandag 26 januari 2015

        Van waar die intimidatie, mijn beste Didier?

        De faling moet volgens de tekst toegeschreven worden aan: a) het onuitroeibare neoliberalisme b) het kapitalisme c) de oppositie die expres het land in de afgrond wou storten om te bewijzen dat socialisme niet werkt d) de pers e) Amerika f) 'het is niet het goede socialisme': staatseconomie vs coöperatieven: u moet beseffen dat jammer genoeg deze coöperatieve utopie ingaat tegen de basisinstincten van de mens en nooit of te nimmer zal bestaan (tenzij misschien in een tribale structuur.) Voor herverdeling zal er echter altijd een sterke centrale instelling nodig zijn. g) de Colombiaanse maffia h) de zwarte markt

        Dit klopt uiteraard niet: deze 'oorzaken' zijn allemaal reacties op het mislukte socialistische beleid. Zwarte markt ontstaat omdat de prijsreguleringen artificieel zijn, oppositie groeit omdat het beleid slecht is (en dus niet: het beleid is slecht omdat de oppositie groeit.) Inflatie en schaarsteproblemen (deze waren het kenmerk van het lange socialistische beleid en dus niet enkel de laatste jaren) zijn inderdaad te wijten aan importproblemen (sic), die ontstaan uit de verstoring van de competitiviteit. Nationalisering creëert inefficiëntie en bureaucratie (sic). De coöperatieve 'sociale' economie is een fictie die alleen kan bestaan met een sterke centrale instelling die corrumpeert.

        Conclusie: het terugdringen van de marktprocessen, of alleszins de kunstmatige vervanging door de overheid, heeft op lange termijn voornoemd effect. Op korte termijn werd het socialistische beleid de hemel ingeprezen (ook door de auteur), maar vanaf dat negatieve langetermijngevolgen in werking traden, was dit niet meer te wijten aan het socialisme, maar aan externe factoren.

        Het bewijs ligt voor u, nu nog alleen de durf hebben om het te zien...

  • door Radoveden op woensdag 17 december 2014

    Bedankt voor het onder onze ogen brengen van deze knappe en heldere analyse!

Het is niet langer mogelijk om te reageren.

Lees alle reacties