De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.

“Oraison funèbre” voor Paul Vanhooren

“Oraison funèbre” voor Paul Vanhooren

donderdag 16 mei 2013 14:36
Spread the love

Beste familieleden, goede vrienden en kameraden van PVH, lieve Anne,

Sterven op Goede Vrijdag. Het is niet iedereen gegeven. Paul deed het, zoals de vriend van Egidius… “du coors die doot, du liets mi tleven”. Het leven van Paul Vanhooren: meer dan gedenkwaardig en zeker de moeite waard om er hier samen even bij stil te staan. Ik wil daarvoor putten uit mijn herinneringen en uit een paar nagelaten papieren, mij toevertrouwd door Anne.

September 1969: de LBC congresseert in het Casino van Knokke. Een LBC-militant uit de verzekeringssector, tevens lid van een radicaal-progessief bureau van CVP-jongeren, deelt een pamflet uit met kritiek op de syndicale apartheid van zijn bediendenbond. Een man komt op hem af en zegt “we moeten eens klappen”. Mijn eerste gesprek met Paul. Een paar uur later zaten we op de hotelkamer van zijn kompaan Guido Bogaert samenzweerderig af te spreken hoe we dat congres wat meer konden doen zinderen. Zo maakte ik kennis met “de mannen van de Gevaert”. “De mannen van de Gevaert”. Hoe dikwijls heb ik de daarop volgende jaren die woorden niet een beetje schamper horen uitspreken door de toenmalige A.S. van de LBC, Karel Van Rompaey. De Gevaert, ook voor KVR een juweel aan de kroon van het katholiek-paternalistische Vlaamse bedrijfsleven, waar het corporatistisch syndicalisme, zeker bij de bedienden, bijna model heeft gestaan. Lees de merkwaardige  geschiedenis van het beginnend bediendensyndicalisme, geschreven door historicus Peter Vanhooren, jaja zoon van, en je zal begrijpen wat ik bedoel. En dan kwamen daar ineens, nou ja ineens, LBC-delegees op de voorgrond die, gegrepen door de contestatiegolf van de jaren zestig, een authentiek strijdsyndicalisme wilden belichamen, met nadruk op autonome slagkracht, democratie van onderuit en eenheid in de strijd. De mannen van de Gevaert. Paul en Guido en uiteraard ook anderen, maar zij waren de boegbeelden. Guido de goedmoedige charismatische oud-kajotter. Paul, de oud-scout en gewezen paracommando. Dat vechtersinstinct, behoorlijk aangescherpt tijdens zijn avontuurlijke legerdienst, heeft Paul tijdens zijn veertigjarige syndicale loopbaan behoorlijk kunnen botvieren. Een stakingspiket met Paul in de vuurlinie, daar geraakte je niet zomaar door.

Het was voor hem een harde dobber in juni ’78 afscheid te moeten nemen van zijn strijdmakker, de veel te jong gestorven Guido Bogaert. In zijn grafrede loofde Paul in Guido de hartstocht waarmee hij het sociaal-geëngageerd christendom wou verzoenen met het ware socialisme en hij eindigde met verzen van H. Roland Holst-Van der Schalk: “Het is altijd een strijd en een ontbreken / alles in ons beweegt zich als een vloed / en somtijds zinkt het weg, alsof wij sterven”.

Twee jaar voordien, in mei 1976, hadden ze nog beiden de memorabele staking beleefd bij de Gevaert. Paul heeft die staking toen geëvalueerd. Het werd een document van acht A-4tjes. Het is het lezen waard. De vormingsdienst van de LBC zou het nog steeds kunnen gebruiken als leerrijk voorbeeld hoe men een balans opmaakt van een geslaagde actie met krijtlijnen voor de toekomst. Anne, wat houdt je tegen… De strijdlust van Paul was niet vlug te temperen. Dat was ook niet nodig. Velen hebben kunnen genieten van zijn ietwat verbeten, zelfverzekerde generositeit. Zelfverzekerd was hij. Ludo Abicht noemt het een Antwerps karaktertrekje. Misschien. Een Paul die twijfelt… zo zullen we hem niet echt herinneren, alhoewel… Ik las van hem een handgeschreven notitie met de woorden: “Weinig wordt een hoofddelegee bespaard: twijfel, vrees, stress, vermoeidheid, uitzichtloosheid, zware druk, verholen bedreigingen…, maar hij mag niet vergeten dat als hij begeeft, veel dreigt te begeven”. Paul ten voeten uit: twijfelen is menselijk, maar hou het binnenskamers. Paul “de rooie rakker in het groene gremium”… het klinkt als een album van Suske en Wiske. Merkwaardig toch. Christenen voor het Socialisme, ze bestaan. Maar een marxist in een christelijke vakbond ? Ze zijn zeldzaam. Het maakt van Paul ook om die reden zo’n uniek personage.

Toch was hij geen einzelgänger. Hij wist gezwind om te gaan met de zo typisch liturgie van vakbondsraden en -congressen. Een voorbeeld uit 1985. De LBC congresseerde toen in De Haan a/zee. Het Casino van Knokke was ingeruild voor het vakantiehuis van de CCMB….
Onder het thema “Een vernieuwende Toekomst” werd een hoofdstukje gewijd aan “een vernieuwende vakbondsopstelling”. In het verslagboek lezen we dat de nationale belangengroep scheikunde – je mag raden wie daarvan de spreekbuis was – een amendement had ingediend met als strekking “dat de vakbeweging zich harder moest opstellen, gezien het overleg faalt”. Dat amendement kreeg behoorlijk wat tegenwind, maar leidde tenslotte tot de resolutie dat “onze doelstellingen niet alleen door overleg kunnen gerealiseerd worden” (waardoor dan wel, zie ik hier iedereen denken) en ook “dat de LBC haar inspanningen moet volhouden om de huidige dubbelzinnigheden in de relatie tussen ACW en politiek (lees: CVP) weg te werken”. Getekend: Paul Vanhooren.

Zo komen we naadloos tot het tweede luik van dat volle en gulzige leven van Paul: zijn inzet voor dat denk- en actieclubje dat zichzelf zonder veel schroom simpelweg “Beweging” noemt. Een groep van, stilaan wat ouder wordende , militanten van het ACW – ze zijn hier bijna voltallig aanwezig – die die mooie progressieve grondstroom van La Flandre Profonde willen losweken, desnoods loshaken, van de partijpolitieke christen-democratie. “Point n’est besoin d’espérer pour entreprendre, ni de réussir pour persévérer” zei Willem de Zwijger.

Paul schreef artikels voor het clubblad, deelde pamfletten uit, ergerde zich, bemoedigde desondanks. Hij deed dit in de geest van dat gedicht van Remco Campert, dat hij goed kende: “Verzet begint niet met grote woorden / maar met kleine daden / zoals brede rivieren / met een kleine bron / verscholen in het woud / zoals een vuurzee / met dezelfde lucifer / die de sigaret aansteekt / zoals liefde met een blik / een aanraking / iets dat je opvalt in een stem / jezelf een vraag stellen / daarmee begint verzet / en dan die vraag aan een ander stellen”.

Paul heeft tijdens zijn leven heel veel mensen bevraagd, ook uitgedaagd, maar misschien meer nog opgemonterd. Hij schreef ergens dat socialisme neerkomt op naastenliefde een vaste vorm geven. Hij heeft ook vele jaren kunnen genieten van een liefde van en voor Anne. Hun beider militantisme gaf aan hun liefde een cement van een opvallende schoonheid.

Een van Pauls “maître à penser” was Jaap Kruithof, de radicale helderziende dwarsligger. Die schreef ooit: “Wie niet werkt, is eraan. Wie wel werkt, is voorlopig nog niet verloren, maar uiteindelijk moeten we allemaal het hoofd leggen. Dus zeg ik: hoop maar dat je het een tijd volhoudt. Ik bedoel: probeer intensief met iets bezig te zijn, probeer doelgericht iets te bereiken, creëer een meerwaarde.” Paul heeft goed naar Kruithof geluisterd. Hij heeft meerwaarden gecreëerd. Hij heeft niet alleen doelgericht geleefd, maar ook zijn doel bereikt: een leven in veelvoud dat voor ons onvergetelijk is. “Dood ben ik pas, als jij mij bent vergeten”. Bram Vermeulen heeft het hem voorgezegd.
Ik stel voor, naar de woorden van Leonard Nolens, afscheid te nemen van Paul Vanhooren met stijl en de kracht van verdriet.

Paul Pataer

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!