Duurzame ontwikkeling: ik stond erbij en ik keek er naar?
Toespraak - ATD Vierde Wereld Vlaanderen

Duurzame ontwikkeling: ik stond erbij en ik keek er naar?

Het jaarboek 'Armoede en sociale uitsluiting' is een week geleden gepresenteerd op de UAntwerpen. Guy Malfait, auteur van het boek 'Aan de onderkant' bracht daar deze toespraak.

vrijdag 13 december 2019 13:58
Spread the love

Een kleine twee maanden terug, op 17 oktober, zijn hier in België, maar ook elders in Europa en wereldwijd, mensen samen gekomen ter gelegenheid van de Werelddag van Verzet tegen Extreme Armoede. Ik vermoed dat velen onder jullie ook aanwezig waren op één van die bijeenkomsten in Vlaanderen of Brussel. Misschien hebben sommigen onder jullie wel het woord genomen.

Ik hoorde de een getuigenis die gebracht werd door een ervaringsdeskundige aan de andere kant van de taalgrens.

In haar getuigenis was er één zin bij die – hoewel ik ze al zo vaak gehoord of gelezen had – mij weer helemaal wakker schudde. Die zin is de volgende:

“le plus dur, ce n’est pas de vivre avec rien

le plus dur, c’est d’être considéré comme rien

“het ergste is niet om te leven met niets

het ergste is dat je wordt aanzien voor niets”

Jullie kennen vast wel het liedje of het rijmpje van “‘k zag twee beren broodjes smeren, o dat was een wonder” telkens eindigt het rijmpje met ‘Ik stond erbij en ik keer ernaar’. Het gevoel er niet bij te horen, maar slechts aan de zijlijn te mogen toekijken.

“het ergste is niet om te leven met niets”

“het ergste is dat je wordt aanzien voor niets”

Het gevoel, en niet alleen het gevoel, maar ook daadwerkelijk ervaren dat je slechts aan de zijlijn mag staan toekijken.

Ik moest onmiddellijk denken aan de mensen die ik heb leren kennen in Manilla, de hoofdstad van de Filipijnen. Samen met mijn vrouw en onze drie kinderen hebben we daar 7 jaar gewoond. ATD Vierde Wereld is daar al 25 jaar geëngageerd met een gemeenschap van zo’n 500 mensen die wonen onder één van de vele bruggen in de stad. Het is een brug van een grote doorgangsweg die loopt over een afvoerkanaal. De brug ligt op zo’n 50 meter van een spoorweg. Een ongezondere plek om te wonen is moeilijk denkbaar. En toch woonden ze daar met zo’n 500, in een ruimte niet groter dan de aula waar we hier zitten.

Waarom moest ik nu aan de deze mensen denken voor het thema van duurzaamheid van deze ochtend? Sinds enkele jaren overstromen bij elke grote regenbui verschillende delen van Manilla en omstreken. Bij elke overstroming wordt gezocht naar de oorzaken en vooral naar zondebokken. Mensen in armoede zijn wereldwijd perfecte zondebokken, ook in de Filipijnen. De bewoners van onder de brug werden telkens genoemd als de schuldigen bij elke overstroming. De houten constructies die de bewoners van onder de brug hebben gebouwd en waar ze dus woonden werden naar voor geschoven als één van de hoofdoorzaken van de overstromingen. Niet alleen verhinderen de houten constructies een vlotte doorstroom van het water, de bewoners vervuilen het water ook nog eens. Tenminste, zo was de redenering vanuit de overheid. De oplossing lag dus voor de hand: die mensen moeten daar weg.

Waarom de mensen daar ooit zijn gaan wonen? Die vraag werd niet gesteld, zeker niet aan de bewoners zelf onder de brug. Ook voor hen gold ‘Ik stond erbij en ik keek ernaar.’

Niemand zal ontkennen dat er een gigantisch probleem is. Zowat alle toevoerkanalen naar de grote centrale rivier die dwars door Manilla loopt zitten vol afval. Ook de rivier zelf is ontzettend vervuild en dus ook de baai van Manilla waar die rivier op uitkomt. De baai van Manilla was ooit de trots van Azië. Vandaar dat er een groots ecologisch project uit de grond werd gestampt met de bedoeling om de baai van Manilla, de centrale rivier en alle toevoerkanalen terug schoon te maken. Manilla moest terug leefbaar worden en de mensen onder de bruggen moesten er weg.

Wat was het alternatief dat werd voorgesteld aan de bewoners onder de bruggen? Huisvesting voorzien buiten Manilla, op zo’n 50 tot wel 80 km buiten de hoofdstad. Concreet betekent dit een reistijd van drie tot vier uur. En reiskosten waarvoor je al vlug een dag moet werken. Huisvesting is een groot woord. De eerste groepen die werden weggebracht kwamen terecht op braakliggend terrein. Met de loop der jaren werd het wat menselijker en kwamen ze terecht op immense terreinen waar reeds huizen stonden. Terreinen met soms wel 1.000 nieuwe woningen, maar waar vaak nog geen openbaar vervoer voorzien was, geen school, geen markt of ziekenhuis laat staan ontmoetingsplekken. Ver weg van de stad, dat betekent vooral plekken waar geen werkgelegenheid is. Laat die werkgelegenheid nu net één van de hoofdredenen zijn waarom mensen naar Manilla trokken.

Het resultaat van de grote schoonmaak- en verhuisoperatie laat zich raden. Heel veel van die mensen kwamen uiteindelijk terug naar Manilla. Om verschillende redenen: in de hoofdstad zijn organisaties die studiebeurzen geven, daar zijn ziekenhuizen die betaalbaar zijn, daar zijn allerlei organisaties die voedsel uitdelen en bovenal daar in de stad is werk. Geen officieel betaald werk, maar een dag flesjes water of frisdrank verkopen aan de verkeerslichten levert meestal genoeg op om op het einde van de dag rijst met groenten te kunnen kopen voor het gezin. Onderwijs, gezondheidszorg, werk, allemaal redenen waarom de meeste van deze mensen 5, 10, 15 of sommigen al 30 jaar terug besloten hadden om het platteland in te ruilen voor de hoofdstad. Had de overheid maar de tijd genomen om met de mensen onder de brug te praten, dan was er waarschijnlijk een duurzamer oplossing gekomen voor iedereen.

Zijn die mensen van onder de brug dan zo’n grote vervuilers? Het straffe is dat zij niet alleen kleine vervuilers zijn, maar eigenlijk experts zijn in recyclage. Veel gezinnen halen hun inkomen door afval te recycleren. Met hun duwkarren leggen ze kilometers te voet af in de stad om papier en karton, plastic en glazen flessen, maar ook oud ijzer of afgedankte spullen op te halen. Dat wordt allemaal netjes uit elkaar gehaald en gesorteerd om vervolgens te verkopen aan groothandelaren die het recycleerbare afval dan laten verwerken. Ik vermoed dat de ecologische voetafdruk van de mensen onder de brug zelfs een negatief cijfer is.

Het is dan ook bijzonder pijnlijk als je weet dat de mensen achter het grote ecologische project en de verhuisoperatie zelf in ommuurde privé-domeinen in de hoofdstad wonen, hun tuinen rijkelijk laten besproeien, airconditioning in huis hebben en met hun auto inkopen doen in grote supermarkten. Omdat de lucht al zo vervuild is in Manilla is er enkele jaren geleden beslist dat op de even dagen alleen auto’s met bepaalde nummerplaten mogen rijden en op de oneven dagen de andere. Wie rijk genoeg is koopt daarom twee auto’s met 2 verschillende soorten nummerplaten om toch maar elke dag te mogen rijden in de hoofdstad.

Het zou te makkelijk en oneerlijk zijn om wat zich afspeelt in Manilla af te doen als een probleem van landen in ontwikkeling. Dichter bij huis, hier in Europa, België en Vlaanderen doen we gelijkaardige vaststellingen.

Ik heb die vaststellingen opgedeeld in zes groepen. Die opdeling is wat kunstmatig want alles hangt met alles samen.

1) Mensen in armoede zijn de eersten die de gevolgen dragen van het klimaatprobleem en ook nog eens de zwaarste gevolgen. De eerste slachtoffers dus.

Toen afgelopen zomer het kwik weer alarmerend de hoogte in ging was het voor iedereen te warm. De zon lijkt wat dat betreft heel democratisch te werk te gaan. Maar dat is slechts schone schijn. In bepaalde wijken in de grote steden lag de temperatuur overdag wel 4 tot 6°C hoger dan op het platteland. ‘s Nachts koelt het dan ook nog eens minder snel af want de betonnen muren zijn dan als een bakoven en geven hun hitte van overdag terug af. Dit fenomeen noemt men hitte eilanden. Het klinkt bijna exotisch maar dat is het niet voor Marc en Anita.

Marc en Anita wonen in een slecht geïsoleerd dakappartement – het enige dat ze kunnen betalen – zij hadden helemaal niet het gevoel dat ze op een eiland woonden. In hun wijk is nauwelijks een parkje, en al helemaal geen bomen in de straat. Enkele mensen kunnen zich airconditioning veroorloven, maar dat maakt het nog erger voor mensen zoals Marc en Anita. Voor Anita, die trouwens jaren op straat heeft gewoond en daardoor ademhalingsproblemen heeft was de hittegolf een ware hel.

2) Mensen in armoede zijn slechts kleine vervuilers. Hoe groter het inkomen, hoe groter de ecologische voetafdruk.

Op de volksuniversiteit van de Vierde Wereld over het thema duurzame ontwikkeling wilden we de proef op de som nemen. De volksuniversiteit is een plek waar mensen in armoede samenkomen, ook met de medestanders die niet in armoede leven om samen na te denken en te werken op allerlei thema’s. Ons thema was dus duurzame ontwikkeling.

Hoe groot is de ecologische voetafdruk van Jos die op straat leeft, of van Els die met haar drie kinderen in een sociaal appartement woont? Ze begonnen dus, vol moed, aan de vragenlijsten die hen moesten helpen om hun voetafdruk te kunnen meten.

De vragen ze voorgeschoteld kregen leken voor hen soms wel uit een andere planeet te komen.

Ook hier was de ‘ik stond erbij en keek ernaar’-ervaring erg aanwezig.

Het liep al fout bij de eerste vragen rond huisvesting. Jos moest kiezen tussen een klein of groot appartement, een rijtjes huis of een vrijstaande woning. ‘Mijn voetafdruk willen ze blijkbaar niet weten’ was Jos zijn vaststelling. ‘Tel ik dan niet mee omdat ik op straat leef?’ Ook bij de rubriek voeding liep het mis en niet alleen voor Jos maar ook voor Els en vele anderen. ‘Wij eten soms maar één keer per dag, hoe moeten wij dat doen met die vraag over ontbijt, middagmaal en avondeten?’ Els legde uit dat zij voor een deel van haar voeding afhankelijk is van de voedselbank. ‘Ik kan niet kiezen tussen wat ik wel of niet eet, ik moet tevreden zijn met wat ik krijg.’

Uit allerlei reacties en voorbeelden kwam heel duidelijk naar voren dat mensen die in armoede leven heel energiezuinig leven, nauwelijks voedsel verspillen en hun mobiliteit vooral beperken tot wat hoogst noodzakelijk is. Een uiterst kleine voetafdruk dus.

3) mensen in armoede worden soms verhinderd om bij de dragen aan een beter milieu

Overal te lande zien allerlei interessante ecologische initiatieven het licht. Er wordt geëxperimenteerd met allerlei vormen van tuinen en tuinieren. Er wordt samen gezaaid, onkruid gewied en geoogst. Het brengt mensen bij elkaar. Wat smaken die eigen gekweekte worteltjes toch lekker. Maar voor mensen in armoede dreigen die worteltjes soms een wrange bijsmaak te hebben.

Pascal heeft groene vingers en zou met veel plezier willen deelnemen aan een project van stadstuintjes in z’n stad. Toch doet hij het niet. Pascal wil niet het risico lopen dat hij op zijn uitkering wordt gekort omdat hij verdacht zou worden van het verkopen van groeten uit die stadstuintjes. Maar Pascal heeft ook nog een andere reden waarom hij niet durft deel te nemen. Om vrijwilligerswerk te doen moet hij eerst toestemming vragen. Hij is niet gerust in de reactie die daarop kan volgen. ‘misschien gaan ze dan denken, ah ja, als Pascal vrijwillig in tuinen kan werken, dan kan hij ook voor de gemeente bij de groendienst gaan werken’. Als vrijwilliger bij de stadstuintjes zou hij op zijn eigen ritme kunnen werken en hij zou er tijd vinden om met anderen te praten. Dat is natuurlijk iets heel anders dan een hele dag onkruid wieden voor een baas.

4) mensen in armoede dragen verhoudingsgewijs de grootste kosten of lasten voor de klimaatmaatregelen

Elektrische laadpalen schieten als paddenstoelen uit de grond. Steeds meer daken in Vlaanderen zijn bedekt met zonnepanelen en ook het aantal huizen dat gerenoveerd wordt om klimaatvriendelijker te zijn stijgt. Schitterend. Wanneer mensen financieel een duwtje in de rug krijgen is het makkelijker om milieubewuste keuzes te maken.

Voor André voelt dat duwtje in de rug aan als een stamp in zijn maag. Lang voor de klimaatjongeren de straat opgingen had hij de meeste lampen in het plafond al uitgedraaid. Zijn zorg was niet het redden van de planeet, maar wel het einde van de maand halen. En toch ondanks zijn superzuinig energieverbruik ziet hij zijn elektriciteitsfactuur jaar na jaar stijgen. Hij houdt zijn hart vast bij elke afrekening.

André vindt het niet kunnen dat hij wel mee moet betalen aan de premies voor isolatie of zonnepanelen van anderen maar er zelf geen enkel rechtstreeks voordeel bij heeft.

5) mensen in armoede worden ingeroepen als alibi of excuus om bepaalde maatregelen niet door te voeren

In mijn voorbeeld van Manilla, heb ik aangetoond dat mensen in armoede handige zondebokken zijn, zodat anderen blind kunnen blijven voor de echte problemen. Soms zijn mensen in armoede ook een perfect excuus om net geen maatregelen te moeten nemen.

In discussies om wel of geen kerosine taks in te voeren wordt soms het argument boven gehaald dat als die taks er wel komt, vliegen dan alleen maar het voorrecht zou zijn van wie het kan betalen. Dat zou heel ondemocratisch zijn en discriminerend. Kortom een asociale maatregel.

Het is maar de vraag of mensen die tegen een kerosine taks zijn echt wel bezorgd zijn dat ook mensen met een kleine beurs zich een vliegvakantie kunnen veroorloven.

6) mensen in armoede hebben geen keuze of worden gedwongen keuzes te maken die tegen hun principes ingaan

Dank zij allerhande informatie- en sensibilisatiecampagnes weet ondertussen zowat iedereen dat een shirt van een paar euro niet koosjer is. De beelden van overvolle naaiateliers in Bangladesh met honderden vrouwen als robotten achter de naaimachines staan op ons netvlies gebrand.

Dat weet ook Rita. Ze had het erover toen ze naar het Vierde Wereldhuis in Brussel kwam om een vorming voor te bereiden.

Rita vertelde dat ze eigenlijk geen keuze heeft en net dat vindt ze zo onrechtvaardig en dat maakt haar boos en verdrietig tegelijk. Ze toont mij haar tas van de Zeeman. ‘Volgende week is het medisch onderzoek en ik kan ons Wendy toch niet met een hemdje met gaten erin naar school sturen. Dan wordt ze nog meer gepest en ze wil nu al niet meer naar school.’

Ik zie Frans, die naast haar zit, hard met zijn hoofd knikken. ‘Dat is bij mij juist hetzelfde. Als ik eten ga kopen, dan is het enige waar ik oplet de prijs. Ja, ik weet dat biologisch gezonder is, ik weet dat lokaal kopen beter is voor het milieu en ik weet dat de vettige salami van de witte producten weinig voedingswaarde heeft, maar ik kan niet meer uitgeven dan wat er inkomt.’

Hoe pijnlijk is het niet om als mens in armoede zelfs niet solidair te kunnen zijn met je lotgenoten zoals de naaisters in Bangladesh of de duizenden arbeiders in het zuiden van Spanje die tegen een hongerloon in de zon groenten kweken in een walm van pesticiden.

Ook voor Rita en Frans geldt: Ik stond erbij en ik keek ernaar.

De net genoemde voorbeelden uit zowel Manilla als hier bij ons in België bevestigen wat al langer gekend is: Het is niet vanzelfsprekend om onze ecologische bezorgdheid te combineren met een sociale bekommernis. Het ene lijkt het andere wel uit te sluiten. Maatregelen voor een gezonde en leefbare planeet lijken in te gaan tegen de maatregelen die nodig om de sociale ongelijkheid van de mensen op die planeet ongedaan te maken.

Gelukkig wordt de stem steeds luider van iedereen die vindt dat er niet perse een tegenstelling hoeft te zijn tussen de mens of de planeet. Voor een steeds groter wordende groep is onze strijd voor een beter milieu net een unieke kans om de bestaande sociale ongelijkheid aan te pakken. We hoeven niet diep te graven om te zien dat de oorzaken van de klimaatproblemen parallel lopen met de oorzaken die de kloof tussen arm en rijk vergroten. Een beetje gezond verstand is voldoende om te zien dat het huidige systeem dat mens en planeet uitbuit moet veranderen.

Het is duidelijk: de uitdaging die voor ons ligt is niet de vraag of katoenen luiers nu beter zijn dan wegwerpluiers en vanaf hoeveel kinderen het beter is om de ene of de andere keuze te maken. De uitdaging die voor ons ligt die van een totale hervorming of omwenteling. Het huidige systeem dat mens en planeet uitbuit moet op de schop. Revolutie dus. Een klimaatrevolutie zullen sommigen roepen. Een sociale klimaatrevolutie roepen weer anderen.

Voor ik jullie oproep om samen de straat op te gaan en de revolutie uit te roepen wil ik een citaat voorlezen van Joseph Wresinski, oprichter van ATD Vierde Wereld. Het is een zin die al in de jaren 80 was neergeschreven maar in onze context brandend actueel is.

Mensen in armoede hebben al zoveel revoluties en hervormingen doorgemaakt die hen uiteindelijk niets hebben opgeleverd. Elke revolutie of hervorming is op één of andere manier niet meer dan een herverdeling van de kaarten tussen zij die al meespeelden. Om nieuwe spelers toe te laten is het niet voldoende om de kaarten te herverdelen, ook de spelregels moeten we veranderen.” einde citaat.

De echte uitdaging waar we voorstaan is om niet alleen mensen in armoede als nieuwe spelers toe te laten, maar ook om de spelregels zelf te veranderen. Het is niet voldoende om mensen in armoede toe te laten als de spelregels dezelfde blijven. Of zoals Einstein het formuleerde: je kan een probleem niet oplossen met dezelfde denkwijze die heeft heeft veroorzaakt.

Uit de voorbeelden van Manilla en hier in België mag wel duidelijk zijn hoe belangrijk het is om mensen in armoede mee rond de tafel te hebben. Het is een noodzakelijke voorwaarde om ervoor te zorgen dat niet nog meer mensen uit de ecologische boot vallen. Participatie heet dat met een duur woord. Maar wat bedoelen we hier precies mee? Participatie is een vlag die vele ladingen dekt.

Laat ik beginnen met wat ik niet bedoel met participatie als we het hebben over duurzame ontwikkeling

– Met participatie bedoel ik niet dat een buitenstaander eventjes komt luisteren naar wat mensen in armoede te vertellen hebben. François deelde zijn bezorgdheid na een voorvalletje op het Steunpunt tot bestrijding van Armoede. Als ervaringsdeskundige neemt hij er deel aan de overlegbijeenkomsten. Hij vertelde dat op een bepaald moment een beleidsmedewerker van een kabinet even kwam binnenwippen tijdens zo’n overleg. Die beleidsmedewerker miste nog de sociale component voor een dossier over CO2-tax. Hij kwam laat, bleef maar een uurtje en was daarna verdwenen. François was ongerust: ‘ik weet niet wat die beleidsmedewerker heeft begrepen, misschien gaat hij mijn woorden gebruiken, maar niet zoals ik het bedoeld heb. Misschien gaat die kerel er iets van maken waar ik het helemaal niet mee eens ben en toch kan die kerel zeggen dat het niet zijn woorden zijn, maar die van ons, van de ervaringsdeskundigen.’

Dit heeft dus weinig met participatie te maken, het is zelfs gevaarlijk: Er is een risico dat er iets heel anders uit de bus komt en dat dat dan nog eens wordt goedgepraat met het alibi dat het van mensen in armoede zelf komt.

– Van participatie kan pas sprake zijn als mensen in armoede hun mening en visie kunnen geven zonder gevaar voor hun inkomen of hun toekomst. Het is fijn om mee rond de tafel te mogen zitten, maar als je van enkele mensen afhankelijk bent of als je niet in een gelijke machtsverhouding bent, dan wordt het lastig. Hoe kan je eerlijk en vrij je mening geven als dit later tegen jou kan gebruikt worden? Ik heb dit heel sterk gevoeld toen we in Manilla waren. De wet voorziet trouwens dat als zo’n gemeenschap verplicht moet verhuizen er dan consultaties moeten zijn met de betrokkenen. Ik heb veel van die consultaties bijgewoond en het was pijnlijk om te zien hoezeer de mensen bang waren om hun mening te zeggen.

– Participatie is ook iets anders dan een figurantenrol spelen in een vooraf bepaald format of schema. Zo kregen we onlangs een mailtje van een lokale afdeling van een milieuorganisatie. Ze vertelden dat ze zich bewust zijn van het belang om de sociale dimensie niet uit het oog te verliezen met hun klimaatvoorstellen. Daarom vroegen ze of wij een arme persoon kenden die kon meedoen in een promotieclipje voor hun sociale media. Inhoudelijk werd er verder niets van ons gevraagd.

– Gelukkig zijn er tal van voorbeelden waar participatie wel serieus wordt genomen en de voorwaarden worden geschapen zodat mensen in armoede echt kunnen participeren. Toch moet ook daar een kanttekening bij gemaakt worden. Bij veel trajecten valt het op dat de beginfase en de eindfase gereserveerd is voor de zogenaamde ‘echte’ deskundigen, niet de ervaringsdeskundigen. De ervaringsdeskundigen worden nog te vaak als ondeskundig beschouwd wanneer het gaat om het uitzetten van een onderzoek of traject of wanneer het gaat om het trekken van conclusies of het formuleren van aanbevelingen.

Wat is er dan wel nodig om te kunnen spreken van volwaardige participatie?

Als we spreken over participatie van mensen in armoede dan bedoelen we in de eerste plaats een langdurig en structureel samenwerken. Participatie is een proces, participatie is een werkwoord.

Het Interfederale Steunpunt tot bestrijding van Armoede bewijst al 20 jaar dat participatie met mensen in armoede de moeite is en zelfs noodzakelijk is, maar ook dat het veeleisend is en dat het proces van participatie ook voortdurend moet bewaakt worden.

Laat ik dat even heel concreet maken. De overlegbijeenkomsten van het Steunpunt zijn om de 6 weken. Als wij vanuit ATD Vierde Wereld willen dat de ervaringsdeskundigen volwaardig kunnen deelnemen dan moeten wij tussen elke 6 weken twee keer één volle dag samenkomen om het volgend overleg op het Steunpunt voor te bereiden. Dat is een hele investering.

Het is met veel aarzeling dat ik het woord investering in de mond neem. Het is bijvoorbeeld veelzeggend dat iedereen die deelneemt aan de overlegbijeenkomsten dit beroepshalve doet. Hij of zij wordt ervoor betaald. Dat geldt niet voor mensen in armoede die dat allemaal op vrijwillige basis doen. Alleen al maar dat beseffen toont aan hoe groot en hoe diep de motivatie en het verlangen van mensen in armoede is om volwaardig deel te mogen nemen aan de samenleving en ook om constructief bij te dragen aan een samenleving waar iedereen beter van wordt.

Ze willen zich niet neerleggen bij het ‘ik stond erbij en ik keek ernaar’

Tot slot wil ik nog kort twee ankerpunten meegeven die ons kunnen helpen bij het samen bepalen van de nieuwe spelregels voor een menswaardige en klimaatvriendelijke samenleving.

Een eerste is het principe van ‘Leave no one behind – we laten niemand achter’

Dat kleine zinnetje wordt steeds vaker en vlotter in de mond genomen. Dat betekent daarom nog niet dat iedereen ten volle de reikwijdte ervan begrijpt. Bij de eerste millennium doelstellingen stond nog als eerste doelstelling ‘armoede halveren met 50 %’ Dat leek heel ambitieus want dat was voordien nog nooit gelukt. Toch heeft ATD Vierde Wereld bij de Verenigde Naties er sterk op aangedrongen om bij de volgende doelstellingen, die voor 2030, echte ambitie te tonen. Voor iedereen die in armoede leeft is het ontoelaatbaar dat slechts de helft van je lotgenoten recht hebben op een beter leven. Ambities die slechts mikken op de helft zijn trouwens ook gevaarlijk. Het is koren op de molen van iedereen die de verschillende groepen aan de onderkant van de samenleving tegen elkaar wil uitspelen.

Een tweede principe is dat van het respect voor de mensenrechten. We kunnen geen maatregelen in naam van het milieu toelaten die concreet betekenen dat zelfs de meest elementaire rechten van de mens niet worden gerespecteerd. Die schending was overduidelijk in Manilla, maar ook bijvoorbeeld dichter bij ons in Frankrijk.

Niet ver van Parijs zijn in naam van de biodiversiteit en groene ruimtes gezinnen die in woonwagens wonen uit dit gebied verdreven terwijl ze er al 30 jaar wonen. Vanuit de behoefte van een groene long zijn die gezinnen terug op de dool geraakt, hun kinderen hun schoolcarrière is gestopt of minstens bemoeilijk en de werkgelegenheid van de ouders is terug problematisch. De toekomst van sommige gezinnen wordt op het spel gezet opdat andere gezinnen schone lucht willen inademen. Dat kan niet de bedoeling zijn. Toch heeft het bijna 10 jaar geduurd voor Frankrijk veroordeeld werd door het Europees Hof van de Mensenrechten.

Ik wil graag afsluiten met een oproep. Een oproep aan iedereen die bezorgd is voor onze planeet.

Hoe goed de bedoelingen ook zijn, niemand kan voor een ander denken. Betrek dus bij alles wat jullie willen ondernemen ook mensen in armoede. Niet pas als de plannen eigenlijk al klaar zijn, maar nog voor de eerste plannen op tafel liggen.

Neem de tijd om elkaar te leren kennen en laat het vertrouwen groeien. Het zal een boeiend leerproces worden voor iedereen. Een leerproces met vallen en opstaan. Maar alleen door samen te zijn, samen te denken en samen te werken blijft niemand alleen aan de zijlijn achter met een gevoel van ‘ik stond erbij en ik keek ernaar’.

Bedankt voor uw aandacht!

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!