Getuigenis -

Meneer de Minister, “ik pleit schuldig”

Een ontgoochelde hulpverlener neemt de pen op en spreekt vrijuit na de dood van Jordy: "Met dit schrijfsel hoop ik dat iedereen die dagelijks voor kinderen, jongeren en ouders in de Jeugdzorg het beste van zichzelf geven, terug meer tijd en aandacht nemen voor hun echte vertrouwensrelatie en desnoods ten koste van de vele andere verplichtingen. Wees een witte raaf."

woensdag 7 september 2016 11:34

Aan De Heer Jo Vandeurzen
Vlaams Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

Een dramatisch levensverhaal binnen de Jeugdzorg heeft ons opnieuw geschokt.

In de eerste plaats mijn diep medeleven aan familie, kennissen, vrienden en begeleiders van Jordy, een 19-jarige die aan zijn lot overgelaten werd en twee weken geleden dood teruggevonden in een tentje.

Sinds 1981 ben ik actief en geëngageerd in de Jeugdzorg. U bent ongeveer de 7de minister van Welzijn tijdens mijn loopbaan.

Ik heb zowel met kinderen in verontruste thuissituaties gewerkt als met misdrijf omschreven feit-jongeren. Gedurende 15 jaar was ik inwonende opvoeder in een gezinsvervangend tehuis van de Bijzondere Jeugdzorg.  Sinds 1992 ben ik mededirecteur van een Centrum voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning, daarnaast nog van een Opvoedingswinkel en een drukke Ontmoetingsplaats voor ouders met jonge kinderen.  We hebben ook een preventieproject rond kleuterparticipatie opgestart en een gloednieuwe oudercrèche. 

Helaas is dit niet de eerste maal dat ik een dergelijk dramatisch verhaal verneem als dat van Jordy, integendeel.  Als hulpverlener was ik al diverse malen te dicht betrokken bij overlijdens van kinderen en jongeren omwille van ontbering.

En uiteraard stelt iedereen zich de vraag, hoe kon dit gebeuren?  Iedereen heeft er nu een uitleg en uitgesproken mening over.  Alle clichés passeren de revue en vooral wie heeft hier schuld aan?

Het zal u misschien verbazen maar ik pleit persoonlijk schuldig als hulpverlener.  Ook als betrokken directeur in de Jeugdhulp, zelfs al ken ik Jordy niet.  Dit drama heeft me opnieuw doen nadenken hoe ik als hulpverlener wil en moet werken.  Al te gemakkelijk krijgt alleen de bevoegde Minister de schuld, de leidende ambtenaren, de direct betrokken familie en hulpverleners.  Daar stap ik liever niet in mee.

Vanop de eerste rij aanschouwde ik in 1998 de hoorzitting over de toenmalige Bijzondere Jeugdbijstand.  Terecht werd toen gesteld dat vele ouders, kinderen en vooral zij die in armoede leven, onvoldoende deel hadden, inspraak kregen en te snel uit huis werden geplaatst.  De aanbevelingen resulteerden in de aanzet tot wat vandaag de Integrale Jeugdhulp in Vlaanderen is geworden.

Ik was daarbij, discussieerde mee toen het BOT (we houden van afkortingen in deze sector), de ontwerp decreten opstelde rond Integrale Jeugdhulp en participatie van minderjarigen en ouders.  Rond die periode werd ik voorzitter van een werkgeversfederatie die heel wat organisaties uit de Jeugdzorg vertegenwoordigde en deed dit trouw gedurende 10 jaar. 

Op de eerste regionale stuurgroep Integrale Jeugdhulp was ik aanwezig.  Een aantal keer werd ik uitgenodigd voor de Commissie Welzijn, ik gaf er mijn ongezouten mening over de Vlaamse Jeugdhulp.  Ik werd lid van het Raadgevend Comité Jongeren Welzijn.  Steeds heb ik overal de stem van het kind, de jongere, de ouder, de kansarme onder de aandacht gebracht.

Ik moet schuld bekennen, … sinds enkele jaren heb ik afgehaakt, ik voelde me steeds meer als een roepende in de woestijn, onderging de ene technische discussie na de andere.  Modulering, toegangspoorten, A – en M documenten, een resem nieuwe afkortingen.  Mijn geïnvesteerde tijd in overleg met techneuten, managers en mensen die de geschiedenis van de Jeugdzorg in Vlaanderen amper of niet kenden was ongezond.

Rondom mij zag ik vele ervaren hulpverleners afhaken.  Een constante déjà vu gevoel bekroop mij.  Er waren discussies die voor de derde maal in mijn hulpverlenersloopbaan werden gevoerd.  Schuldgevoel zit me vandaag in de kleren. De negatieve impact van al die goedbedoelde beleidsontwikkelingen ben ik veel te weinig blijven aankaarten.  De positieve elementen in de Integrale Jeugdhulp zijn wel degelijk te vinden, maar de collateral damage is te groot.

Ondertussen eis ik als directeur dat mijn opvoeders en contextbegeleiders stipt alle data in diverse registratiesystemen bijhouden, want daar hangen onze subsidies vanaf.  Dat een overheid cijfers en kennis wil bundelen voor een doordacht beleid kan ik volgen.  Dat we als sector verantwoording moeten afleggen over onze tijdsinzet ook, immers personeel kost veel geld en de maatschappij mag een return verwachten. Maar die verantwoording gaat veel te veel ten koste van de tijd die we eigenlijk zouden moeten spenderen in het werkveld.

De sector is ziek door een ’vals’ gevoel van goede hulpverlening te leren accepteren.

De procedures worden gevolgd, de ontelbare documenten ingevuld, we vinden wachtlijsten heel normaal, labels op kinderen en jongeren worden gewoon aanvaard, ze zijn prior of superprior.  Te veel hebben we hulp gereduceerd tot probleemstelling, diagnose, doelstellingen.  Het systeem Integrale Jeugdhulp heeft van gasten, kinderen en ouders, dossiers gemaakt.  Die dossiers hebben zelfs bij belangrijke beslissingen (toegangspoort) geen gezicht.  Voldoende afstand bewaren tot de jongere, het gezin, zodat je overzicht blijft behouden en niet te veel persoonlijk emotioneel betrokken geraakt, dit is professioneel werken.

Maar ik blijf hopen, ik zie ook hulpverleners, koortsachtig, aanklampend, niet tijdsgebonden, met ouders, jongeren, creatief aan de slag gaan.  Ze doen dat los van de vele procedures en regels omdat ze het gestelde vertrouwen in hen niet willen beschamen.  Er voor hen zijn, als ze je nodig hebben, om ontsporingen en excessen te vermijden.

Het crisismeldpunt was het antwoord, een beheersingssysteem om drama’s te vermijden.  Een kindercarrousel. 

Een vaste vertrouwenspersoon voor de jongere, tot zijn meerderjarigheid is vervangen door soms wel 3 verschillende jeugdconsulenten op 1 jaar tijd bij de jeugdrechtbank, OCJ, …

Gezinnen en jongeren hebben in eerste instantie zorg nodig in plaats van hulp, de kans om een vertrouwensrelatie op te bouwen, te voelen en te weten dat ze steeds bij hun begeleider terecht kunnen. Een begeleider die hen respecteert.  Onderzoek heeft al lang uitgewezen dat gezinnen en/of jongeren daar geen misbruik van maken, integendeel.  Het sluitstuk van de Integrale Jeugdhulp was de trajectbegeleider, een vertrouwensfiguur, die onvoorwaardelijk present stond voor de gasten.  Maar … die kwam er niet!  Waarom kan die er , net als in mijn beginjaren, niet zijn? Iemand waar je ten volle vertrouwen in kan hebben en waarvan je weet dat je er in hoge nood bij kan aankloppen, zelfs al ben je de voorziening ontgroeid.  Een telefoontje, een sms, een gesprek, …  Levenslang vriendschap.

Jawel, ik ken ze, hoor en zie ze nog: onze ‘anciens’.  Ze komen nog eens langs, zowel met hun succesverhalen als hun problemen.

Vermaatschappelijking van de Jeugdzorg, het staat hoog op de agenda.  De professionalisering ervan kent zijn schaduwzijde. Mogen en willen de huidige hulpverleners nog een deel van deze vermaatschappelijking van de zorg opnemen en klaar staan voor hun meerderjarige gasten? Of blijven we naast de grote werkdruk alle extra’s doorschuiven naar vrijwilligers?  Zien we dit blijvend engagement eerder als een bijkomende taak, waarvoor we vergoed willen worden of niet? Ook dat is een zakelijke discussie in de jeugdzorg.

Als je als hulpverlener nog amper een vertrouwensrelatie met verwijzers kunt opbouwen, hoe kan je dan verwachten dat ouders en jongeren het wel kunnen?

Meneer de Minister, ik beken schuld. Ik ben niet blijven aan de bel trekken, heb te weinig op tijd en stond mijn kalmte verloren, mijn stem werd stiller in plaats van luid te laten bulderen op de vele vergaderingen met administraties en collegae uit de sector.  De tendens van gasten te reduceren tot handelbare dossiers heb ik geruisloos laten passeren.  Ik ben niet zoals vroeger blijven doordrammen.  Ik heb me gevoegd, onder druk van zuilen, naar de consensus in de sector.  Nochtans ben ik graag de ‘ambetanterik’ die steeds op dezelfde nagels klopt.  Vanaf heden haal ik mijn hamer weer uit het berghok.

Met dit schrijfsel hoop ik dat iedereen die dagelijks voor kinderen, jongeren en ouders in de Jeugdzorg het beste van zichzelf geven, terug meer tijd en aandacht nemen voor hun echte vertrouwensrelatie en desnoods ten koste van de vele andere verplichtingen.  Wees een witte raaf, ze zijn zeldzaam en te koesteren.

Pas als gasten ons echt weer(mogen) vertrouwen, komen ze terug naar ons toe en zeker op de meeste kritieke momenten in hun leven!

En wie weet meneer de Minister zitten we binnenkort terug samen, ik zal niet (direct) beginnen te roepen.

Net zoals in 1998 blijf ik ervan overtuigd dat vele problemen in de jeugdzorg kunnen opgelost worden, als we de armoede in de gezinnen terdege tegen gaan, in plaats van ze sterk te laten toenemen.

Patrick Blondé,
Ontgoochelde hulpverlener

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!